Elk land spioneert. Zo ook Nederland. Dat gebeurt door inlichtingen- en veiligheidsdiensten, ook wel aangeduid als ‘geheime diensten’. Bij operaties van zulke diensten doet zich het spanningsveld tussen mensenrechtenstandaarden en veiligheidsstreven op het scherpst van de snede voor. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) hebben vergaande bevoegdheden om de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde te beschermen. Zij krijgen daarbij echter geen carte blanche. De wetgeving voor de diensten is strikt en het toezicht is streng. In het proefschrift van Rowin Jansen staat het externe toezicht op de diensten centraal. De studie vertrekt, in navolging van de Venetiëcommissie, vanuit een ruime definitie van ‘extern toezicht’. Dat begrip omvat het toezicht door het parlement, in het bijzonder de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD, ook wel bekend als de ‘Commissie-Stiekem’), de Algemene Rekenkamer, de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD), de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB), de rechtbank Den Haag en andere rechters. Het boek opent met een uitgebreide analyse van de rechtspraak van de Europese hoven met betrekking tot (activiteiten van) de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarop volgt een ‘crashcourse’ in de taken, de bevoegdheden en de politiek-institutionele inbedding van de diensten. Vervolgens komen in zes hoofdstukken de afzonderlijke toezichtvormen aan bod: parlementair toezicht, rekenkamertoezicht, specialistisch toezicht, preventief toezicht, klachtbehandeling en rechterlijk toezicht. Na een duiding van de nogal stroeve ontwikkeling van het toezicht onder de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (in de volksmond beter bekend als ‘de Sleepwet’), volgt een uitgebreide slotbeschouwing.
Het huidige stelsel van extern toezicht op de diensten is omvangrijk, maar ook gefragmenteerd. Het blijkt niet voort te komen uit één heldere, moderne visie op het nationale veiligheidsdomein, maar is veeleer een optelsom van ad hoc-keuzes. Het predicaat ‘polderwetgeving’ misstaat niet. Dit kan leiden tot doublures en – risicovoller – hiaten in het toezicht. Gelet op de actuele dreigingen en geopolitieke turbulentie rijst bovendien de vraag of de huidige wijze van insnoering de slagkracht van de diensten niet te veel geweld aandoet. Aanpassingen van het stelsel lijken nodig. Dat vindt de wetgever kennelijk zelf ook. Onlangs trad al een Tijdelijke wet in werking die het stelsel van toezicht op fundamentele punten herschikt. Het proefschrift sluit af met een pleidooi voor een samenvoeging van de CTIVD en de TIB tot één instantie, die, in de woorden van het EHRM, ‘end-to-end’ toezicht houdt. Dat wil zeggen: toezicht op alle fasen van een bevoegdhedenuitoefening, van verwerving tot verwerking. Ook is een (nieuwe) rechterlijke procedure nodig, als ventiel voor de soms hoogoplopende spanningen. In dit bijzondere beleidsdomein zijn de op het spel staande belangen immers groot en is de urgentie welhaast altijd hoog. Rechterlijke geschilbeslechting kan dan nodig zijn. Cruciaal voor het goed functioneren van het toezichtstelsel is bovenal de rolvastheid van zowel de diensten als de toezichthouders.
Jansen verdedigde zijn proefschrift op 29 september 2025 aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Radboud Universiteit. Promotoren: prof. mr. Roel Schutgens en prof. mr. Ybo Buruma.
Rowin Jansen
Toezicht op de AIVD en de MIVD
Wolters Kluwer 2025, 452 p., € 65
ISBN 978 90 1318 153 1