De overdracht onder voorwaarde maakt het mogelijk een overdracht te verrichten waarvan de uiteindelijke goederenrechtelijke gevolgen afhankelijk zijn van het intreden van een door partijen gekozen onzekere toekomstige gebeurtenis. Partijen hebben, binnen de grenzen van de wet, de vrijheid om de inhoud van de voorwaarde zelf te bepalen, naast de keuze tussen een opschortende en een ontbindende voorwaarde. Deze vrijheid brengt mee dat overdrachten onder de meest uiteenlopende – en in beginsel onbegrensde – voorwaarden kunnen worden verricht. In combinatie met het feit dat de vervulling van de voorwaarde ook tegenover derden goederenrechtelijke werking heeft en dat de overdracht onder voorwaarde betrekking kan hebben op nagenoeg alle goederen, ontstaat de behoefte aan een systematische benadering van deze rechtsfiguur.Tegen die achtergrond richt onderhavige studie zich op de overdracht onder voorwaarde, met bijzondere aandacht voor haar constructie, strekking en werking. Het vertrekpunt is de rechtsfiguur overdracht, die als rechtshandeling krachtens art. 3:38 lid 1 BW onder voorwaarde kan worden verricht. Zij komt tot stand wanneer door levering gevolg wordt gegeven aan een verbintenis tot overdracht onder voorwaarde. Die verbintenis werkt als titel door in de overdracht, waardoor deze een voorwaardelijk karakter krijgt. Conform de strekking van de voorwaarde wordt de rechtsovergang tot haar vervulling uitgesteld of ongedaan gemaakt, niet alleen tussen partijen, maar ook tegenover en met gevolgen voor derden.
De verklaring en de reikwijdte van de goederenrechtelijke werking van die vervulling worden uitgebreid besproken. Deze zijn te vinden in de leer van de gebondenheid van het goed. De kern van deze leer is dat een overdracht onder voorwaarde het goed direct goederenrechtelijk bindt om aan de strekking van de voorwaardelijke overdracht te beantwoorden. Deze gebondenheid verklaart de goederenrechtelijke werking, ongeacht het type voorwaarde en het soort goed waarop de overdracht betrekking heeft.
Daarnaast wordt ingegaan op de vraag of de verwachter – de beoogde verkrijger bij vervulling van de voorwaarde – reeds hangende de voorwaarde een goederenrechtelijk recht toekomt dat correspondeert met zijn, door de gebondenheid van het goed gewaarborgde, goederenrechtelijke positie. Toekenning daarvan past binnen de leer van de gebondenheid van het goed. Zij vereist echter een wettelijke grondslag. Hoewel een dergelijke grondslag in algemene zin ontbreekt, achtte de Hoge Raad in het arrest Rabobank/Reuser (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046) haar wel aanwezig in geval van een overdracht onder eigendomsvoorbehoud van roerende zaken, niet-registergoederen als bedoeld in art. 3:92 jo. 3:91 BW.
De leer van de gebondenheid van het goed, die zowel de goederenrechtelijke werking als de mogelijke toekenning van een goederenrechtelijk recht aan de verwachter verklaart, vormt een uniform toepasbare leer die naadloos aansluit op het wettelijke systeem, zo zij niet daaruit rechtstreeks voortvloeit. De zogenoemde splitsingsleer, die in een deel van de literatuur wordt verdedigd en de voorwaardelijke overdracht opvat als een opsplitsing van eigendom of vermogensrecht in twee complementaire voorwaardelijke rechten, biedt daarvoor geen overtuigende basis. Zij sluit niet aan bij de strekking van de voorwaardelijke overdracht, laat zich moeilijk in het goederenrechtelijke systeem inpassen en is bovendien complex in haar uitwerking. De leer van de gebondenheid van het goed biedt daarentegen wel een coherente en systematisch passende verklaring, zodat zij de voorkeur verdient boven de splitsingsleer.
Reehuis verdedigde zijn proefschrift op 4 december 2025 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Promotores: prof. mr. Frits Brandsma en prof. mr. Jelle Jansen.
Hermen Reehuis
Overdracht onder voorwaarde. Een proeve van een theorie met betrekking tot de constructie, strekking en werking van de overdracht onder voorwaarde
Wolters Kluwer 2025, 350 p., € 75,00
ISBN 978 90 1318 408 2