Het verhaal van slachtoffers van ­strafbare feiten

Meer dan andere slachtoffers ondervinden slachtoffers van strafbare feiten problemen bij het verhalen van hun schade op de dader. Niet alleen daders’ onvindbaarheid en insolventie speelt hen parten; het aanspreken van de dader in een civiele vordering ervaren zij als schadevergoeding halen op ‘vijandig terrein’.

Veel verbeterde toen de Wet Terwee in 1995 de schadevergoedingsmaatregel introduceerde. Het slachtoffer voegt zich nu in het strafproces met een vordering benadeelde partij die naar civielrechtelijke maatstaven wordt beoordeeld. Is de vordering te complex en daarom te belastend voor het strafproces dan volgt (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring en is het slachtoffer (in zoverre) aangewezen op de civiele rechter. Legt de strafrechter de dader echter een schadevergoedingsmaatregel op, dan creëert dat een publiekrechtelijke verplichting jegens de Staat. Het Centraal Justitieel Incassobureau bekommert zich om de executie. De Staat keert de geïnde bedragen uit aan het slachtoffer. Met de in 2011 geïntroduceerde voorschotregeling is de positie van de slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven verder versterkt: heeft de veroordeelde binnen acht maanden niet (volledig) voldaan aan zijn verplichting uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel, dan keert de Staat het resterende bedrag uit aan het slachtoffer. De gedachte was dat het slachtoffer gevrijwaard zou moeten blijven van langdurige pijnlijke herinnering aan het strafbare feit door een ‘druppelsgewijze’ betaling door de dader, maar hij kreeg zo in wezen een betalingsgarantie van overheidswege. Sinds 2016 geldt deze regeling voor alle misdrijven, zij het voor andere misdrijven dan gewelds- en zedenmisdrijven met een maximum van € 5.000. Momenteel is een wetsvoorstel aanhangig waarin deze regeling wordt uitgebreid naar overtredingen (35349).

Dit ‘organisch gegroeide’ stelsel waarvan ook het Schadefonds Geweldsmisdrijven nog deel uitmaakt, is op verzoek van minister Dekker tegen het licht gehouden door een commissie geleid door Piet Hein Donner. Zij mocht rapporteren over een afgewogen, consistent en betaalbaar stelsel voor compensatie van slachtoffers van een strafbaar feit. In het zojuist uitgekomen Op verhaal komen serveert de commissie eerst een fundamenteel ander stelsel af waarin ieder slachtoffer van een strafbaar feit zijn schade uit publieke middelen vergoed zou krijgen. Zo’n stelsel zou niet alleen leiden tot een niet te rechtvaardigen voorkeursbehandeling in vergelijking met slachtoffers van ander onheil maar zou ook onbetaalbaar zijn. Uiteindelijk neemt de commissie het bestaande stelsel als uitgangspunt, al is dat duidelijk voor verbetering vatbaar. De voorschotregeling is volgens haar bijvoorbeeld niet te verklaren vanuit de gedachte dat slachtoffers van strafbare feiten gefaciliteerd zouden moeten worden in de verwezenlijking van hun schadevergoedingsaanspraak op de dader. In het bestaande model gaat het immers niet om een reëel voorschot, maar om een gegarandeerde betaling op kosten van de Staat van het nog openstaande bedrag van de schadevergoeding (zij het in veel gevallen tot een maximum van € 5.000). In wezen is dit gegarandeerde schadevergoeding door de Staat. Wat ‘Donner’ betreft komt daar een einde aan. De commissie maakt zich sterk voor een algemene regeling waarin de Staat, ongeacht het strafrechtelijk vergrijp, meteen na het onherroepelijk worden van het vonnis waarin de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, en dus niet pas na acht maanden, het bedrag uitkeert dat het CJIB daadwerkelijk verwacht te gaan innen. Dat is dan inderdaad een reëel voorschot.

Verder zet de commissie in op verdere ‘verzelfstandiging’ van de strafprocessuele schadevergoedingsroute. Hoewel de combinatie van strafrechtelijk onderzoek en behandeling van de civiele vordering in de praktijk lastig kan zijn, ziet de commissie geen reden op deze keuze van de wetgever terug te komen, integendeel. Voor deze combinatie valt veel te zeggen vanuit een oogpunt van adequate rechtspleging, erkenning van het slachtoffer en proceseconomie. Met de schadevergoedingsmaatregel heeft de wetgever de schadeaanspraak van het slachtoffer onderdeel gemaakt van de publiekrechtelijke reactie op een strafbaar feit.

De beoordeling geschiedt echter naar civielrechtelijke maatstaven. Wanneer dat het strafproces te zeer belast, onthoudt de strafrechter zich van een oordeel en moet het slachtoffer zijn vordering bij de civiele rechter indienen. Eigenlijk staat hij dan met ‘lege handen’, omdat hij het, ook bij toewijzing van zijn vordering, moet stellen zonder inning door het CJIB en de ‘garantstelling’ van de voorschotregeling. Dit resultaat spreekt bepaald niet aan. We zien schadevergoeding door de dader als onderdeel van een adequate reactie op een strafbaar feit en nemen haar via de schadevergoedingsmaatregel mee, maar als het te complex wordt laten we de schade buiten beschouwing.

De commissie ziet hier ruimte voor verbetering binnen het strafproces. De strafrechter zou, door het benutten van de mogelijkheden tot normering van schadevergoeding die het civiele recht biedt, in staat gesteld moeten worden om recht te doen in gevallen waarin dat kan. De beoordeling van (onderdelen van) vorderingen die ook dan nog te complex zijn, zou, nog steeds binnen het kader van de schadevergoedingsmaatregel, overgelaten moeten worden aan een aparte ‘schadevergoedingskamer’. In wezen gaat het hier over een strafrechtelijke schadestaatprocedure, waarvoor in het voorstel voor een ‘nieuw Strafvordering’ al een lans wordt gebroken.

‘Donners’ voorstellen verdienen implementatie. Dat geldt zowel voor de ombouw van de garantstellingsregeling tot een echte voorschotregeling als voor de verdere verzelfstandiging van de strafprocessuele schadevergoedingsroute. Bij die laatste ligt er op het vlak van genoemde normering nog wel een uitdaging. De commissie ziet niet voor zich dat de wetgever haar ter hand zou nemen, omdat het risico dan is dat het strafrecht een eigen materieelrechtelijk schadebegrip gaat ontwikkelen. Dat is vanuit een oogpunt van rechtseenheid ongewenst. De rechterlijke macht zou zelf de ruimte moeten benutten die het civiele recht biedt in het kader van art. 6:97 en 6:106 (denk aan het lijn brengen in de nu sterk uiteenlopende smartengeldbedragen bij vergelijkbare zedenmisdrijven). Laat de overlegstructuren binnen de rechtspraak deze handschoen oppakken!

Over de auteur(s)
Ton Hartlief
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht