Terwijl ik dit schrijf herdenken wij het einde van de Tweede Wereldoorlog. Zeventig jaren vrede en vrijheid. Althans voor ons, want in het Midden Oosten, de Oekraïne en delen van Afrika woedt het oorlogsgeweld voort. Wat blijft er hangen na een week van gedenken? Heeft het nog zin, na zoveel tijd weer terug te kijken? Wat draagt dat bij aan ons perspectief op de wereld hoe die er nu uitziet en hoe we daarin staan?
Op de Amerikaanse Begraafplaats in Margraten, waar ik vlakbij woon, kregen in een zee van 8000 witte kruisen, 3000 soldaten een gezicht door een foto bij hun kruis. Vlak bij mijn huis zijn in 1944 vier Canadese militairen neergestort. Resten van het vliegtuig komen nog steeds aan de oppervlakte als het veld wordt geploegd. Ieder jaar leggen schoolkinderen begin mei bloemen en gedichten in de berm van de holle landweg waar de namen van de piloten in een zwerfkei zijn gebeiteld. Er zijn er niet meer zoveel die deze oorlog hebben meegemaakt en meer dan ooit is er in de aanloop naar bevrijdingsdag aandacht voor de ooggetuigen die nog in leven zijn. Het is zoals Bert Wagendorp in de Volkskrant schrijft: ‘het onverdraaglijke van de persoonlijke getuigenis is onze sterkste bescherming tegen herhaling’. Maar ook in de verbeelding kunnen herinneringen in leven worden gehouden, zoals in de theatertekst ‘In vrede’ die Rik van den Bos voor de herdenking schreef. In een interview in het radioprogramma Kunststof zei hij over de zin van het herdenken na 70 jaren, dat in ons hoofd een andere tijd geldt dan die van de klok. Het zijn de gebeurtenissen waarmee we in ons innerlijk blijven worstelen, die de maat van de tijd aangeven. Op de Duitse televisie zag ik een gesprek van schoolkinderen met een negentigjarige joodse man, die vijf concentratiekampen had overleefd. Met onvoorstelbare precisie, eerlijkheid en mededogen wist hij te verwoorden wat hij had beleefd. Of hij de Duitse kampbeulen had gehaat, wilden de kinderen weten. Nee, haat had hij nooit gevoeld. Hij was na de bevrijding wel een aantal keren psychisch aan de rand van de afgrond geweest, maar dat had niet te maken met haat. Hij zou niet weten hoe hijzelf zou hebben gehandeld als hij in een Duits gezin geboren was en in die tijd opdrachten had moeten uitvoeren waar hij zelf het slachtoffer van was geworden; of hij dan de moed had gehad tegen de stroom in te gaan. Wat hem nog motiveerde om op negentigjarige leeftijd scholen te bezoeken en zijn verhaal te vertellen? Het belang van de democratie en de rechtsstaat, was zijn antwoord. Vertellen wat er in een dictatuur kan gebeuren. Omdat we het verleden niet kunnen veranderen, maar wel verantwoordelijk zijn voor de toekomst. David Grossman brengt in zijn 5 mei-lezing over vrijheid een vergelijkbare boodschap. Doordat wij in Nederland zo lang geen oorlog gekend hebben, realiseren we ons niet meer echt hoe belangrijk vrede voor vrijheid is. Daarbij gaat het vooral om innerlijke vrijheid, zegt hij, waarbij wij ons voortdurend moeten blijven afvragen wat wij zelf zouden doen als we slachtoffer zouden worden van racistische of extremistische visies, of we bereid zijn om te vechten voor democratie en tolerantie en of we ons kunnen verplaatsen in de situatie van de ander, ook als dat de vijand is. Dat is niet gemakkelijk, schrijft ook Thomas von der Dunk, maar als wij de kille houding tegenover vluchtelingen in de jaren dertig hekelen, dan moeten we ook verantwoordelijkheid nemen voor de vluchtelingenstroom uit de overzijde van de Middellandse Zee. Hoe schrijnend is het, dat in Nederland een probleem wordt gemaakt van een paar honderd Syrische vluchtelingen extra onder het mom dat ‘opvang in de regio’ de enige oplossing is, terwijl de regio al miljoenen vluchtelingen herbergt? Vaak onder erbarmelijke omstandigheden, maar toch.
Aan de Tweede Wereldoorlog hebben we onze mensenrechtenverdragen te danken. Verdragen, waarvan ik me wel eens afvraag of die in de huidige politieke omstandigheden nog tot stand zouden zijn gekomen. Het is de naar binnen gekeerde blik die maakt dat we het latente racisme dat ook in onze samenleving rondwaart niet meer (willen) zien of het goedpraten door het te behandelen als een legitiem probleem, met de nadruk op ‘legitiem’, want een probleem is het. Brenninkmeijer noemde de ‘Bed, bad en brood’ regeling in zijn Utrechtse oratie op 20 april 2015 als een van de voorbeelden van schendingen van rechtsstatelijke waarden. Is dit overdreven ‘opgeblazen ongenoegen’ zoals Martin Sommer in de Volkskrant schrijft? Is het onrealistisch steeds weer ‘het kanon van de rechtsstaat’ in stelling te brengen als mensenrechten het onderspit dreigen te delven? De politieke tweedeling waar we mee te maken hebben draait voor een groot deel om de vraag voor welke idealen we staan en of we bereid zijn daar iets voor op te offeren. Daarom hebben ontmoetingen met overlevenden die daar een hoge prijs voor hebben betaald en toch niet gebroken zijn, zo’n impact. Er is een neiging om idealen af te doen als fantastische sprookjes die in de werkelijkheid nooit waar kunnen worden gemaakt. Maar wat is werkelijkheid en wat is waarheid? In zijn prachtige voorstelling ‘Na de pauze’ zegt Herman Finkers: ‘Het oog ziet niet, wat op het netvlies valt. Het oor hoort niet, wat het trommelvlies doet trillen. Het ziet en het hoort wat in het hart ligt. Fijnzinnigheid is altijd waar, kwetsbaarheid ook. Lompheid en wreedheid zijn dagelijkse werkelijkheid, maar een werkelijkheid, nooit de waarheid. De werkelijkheid verdwijnt en de waarheid blijft.’
Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2015/912, afl. 19
