Het faillissement bevriest de rechtspositie van iedereen die erbij betrokken is. Deze gedachte staat bekend als het fixatiebeginsel en is door de Hoge Raad omschreven als het ‘hoofdbeginsel van alle faillissementsrecht’. In haar proefschrift onderzoekt Belle Vulto hoe het fixatiebeginsel in het geldende recht verankerd is en hoe dit beginsel toepassing kan vinden in praktijkdiscussies.
Het fixatiebeginsel valt uiteen in drie aspecten. De fixatie van het actief is het vastleggen van het faillissementsvermogen. Deze vorm van fixatie komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het verlies van de beschikkings- en beheersbevoegdheid door de failliet (art. 23 Fw) en in het feit dat leveringen tijdens faillissement niet meer geldig kunnen geschieden (art. 35 Fw). De fixatie van het passief is het vastleggen van de vorderingen waarvoor schuldeisers verhaal kunnen nemen op het faillissementsvermogen. Deze vorm van fixatie uit zich bijvoorbeeld in art. 24 Fw. Dat artikel bewerkstelligt dat verbintenissen die een failliet aangaat in beginsel niet zijn in te roepen tegen de faillissementsboedel. De fixatie tussen schuldeisers onderling legt de rangorde vast. Deze fixatie kwam bijvoorbeeld aan de orde in het arrest OAR/ABN (NJ 1988/340), waarin de Hoge Raad oordeelde dat een schuldeiser zijn positie tijdens het faillissement niet kan versterken ten nadele van die van een of meer andere schuldeisers door handelingen tijdens het bestaan van het faillissement verricht. De drie vormen van fixatie corresponderen met drie fundamentele vragen die binnen elke verdelingsprocedure beantwoord moeten worden: (1) wat valt er te verdelen, (2) wie delen er mee en (3) in welke volgorde. Vulto concludeert dat de praktische toepassing van het fixatiebeginsel mogelijk én waardevol is. Een goed voorbeeld biedt het arrest Credit Suisse/Jongepier q.q. II (NJ 2018/290), waarin de Hoge Raad aan de hand van het fixatiebeginsel beoordeelde met welke vorderingen schuldeisers kunnen deelnemen in een faillissementsprocedure (het verificatiecriterium). De Hoge Raad oordeelde dat een vordering die tijdens het faillissement ontstaat enkel verifieerbaar is voor zover dat niet in strijd komt met het fixatiebeginsel. Praktische toepassing van deze stelregel leidt tot de – in Duitsland al langer bekende – conclusie dat vorderingen niet verifieerbaar zijn als hun ontstaan bij aanvang van het faillissement nog afhankelijk is van de schuldenaar. Eenzelfde uitgangspunt kan toegepast worden als verhaalneming niet plaatsvindt via verificatie, maar via verrekening of de executie van zekerheidsrechten. De methode van voldoening mag volgens Vulto niet beïnvloeden welke vorderingen voldaan kunnen worden uit het faillissementsvermogen. Hoewel het fixatiebeginsel nuttig is in de praktijk, laat de dissertatie ook zien dat de praktische toepassing van het fixatiebeginsel soms tot verwarring en tegenstrijdige standpunten heeft geleid. Er is tot nu toe namelijk te weinig aandacht geweest voor de beperkingen van het fixatiebeginsel. Het beginsel heeft relatieve werking: van fixatie is enkel sprake voor zover dit noodzakelijk is ter bescherming van schuldeisers. Inzicht in die relativiteit laat zien dat het fixatiebeginsel te enthousiast wordt aangehaald om te onderbouwen dat leveringshandelingen absoluut nietig zijn en dat de curator beperkte mogelijkheden heeft om uitgaande girale betalingen terug te dirigeren naar de boedel. Het beperkte toepassingsbereik van het fixatiebeginsel verklaart ook dat het woord ‘fixatie’ in veel rangordediscussies wordt aangehaald, maar daarbij niet altijd tot nuttige conclusies leidt. Belangrijk is immers dat er tegenstrijdige posities onderhevig zijn aan fixatie: die van de voorrangsgerechtigde schuldeiser én die van de overige schuldeisers. Die posities moeten uiteindelijk tegen elkaar afgewogen worden. Het proefschrift sluit daarom af met een aanmoediging én een waarschuwing: gebruik het fixatiebeginsel als hulpmiddel bij het begrijpen, uitleggen en verbeteren van het faillissementsrecht, maar verlies de beperkingen van het beginsel daarbij niet uit het oog.
Vulto promoveerde op 3 juni 2026 aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Promotoren: prof. Ben Schuijling en prof. Michael Veder.
Belle Vulto
Het fixatiebeginsel in het faillissementsrecht
Wolters Kluwer 2026, 704 p., € 97,50
Verschenen in de serie Onderneming en Recht (nr. 167)
ISBN 978 90 1318 520 1