In dit proefschrift van Charlotte Kersten staat het onderwerp ‘genderidentiteit’ centraal. Het doel van het onderzoek was tweeledig. Het eerste doel was meer inzicht verschaffen in het centrale onderwerp genderidentiteit, met daarnaast een bijdrage leveren aan meer duidelijkheid in een diffuus debat en een leemte in de literatuur op te vullen. Hiertoe is genderidentiteit in het bredere kader van genderdiversiteit geplaatst. Vervolgens is dit onderwerp vanuit een cultuurhistorisch perspectief benaderd. Hierbij is onderzocht hoe genderdiversiteit door de tijd en in verschillende culturen tot uitdrukking is gekomen. Daarmee wordt zichtbaar dat genderidentiteit niet louter een modern fenomeen is, maar diepgeworteld ligt in de geschiedenis en in uiteenlopende samenlevingen. Wel kan een onderscheid worden gemaakt tussen de ‘Westerse’ en ‘niet-Westerse’ genderdiversiteit. In het Westen was er meestal sprake van gender resistance of het wisselen van genderrol met een instrumenteel oogmerk. In het niet-Westen lag genderdiversiteit meestal ingebed in culturele, en soms religieuze achtergronden. Daarnaast is aandacht besteed aan de conceptualisering van gender welke voornamelijk in de 20e eeuw vorm heeft gekregen via verschillende wetenschapsdisciplines. Deze ontwikkelingen markeerden de overgang naar een meer systematische, academische omgang met genderdiversiteit. Ook recentere ontwikkelingen komen in dit proefschrift aan bod. In de 21e eeuw zien we een verbreding van gender en genderdiversiteit. Gender is niet langer uitsluitend een sociaal construct dat ongelijkheid blootlegt, maar een dynamisch concept dat verschillende vormen van identiteit en expressie omvat. Verder wordt duidelijk dat het ‘genderdebat’ complexer wordt waardoor afbakening en heldere definiëring van de verschillende onderwerpen nog belangrijker wordt. Zo moet gender duidelijk worden onderscheiden van sekse: sekse verwijst naar biologische kenmerken, gender naar sociale en psychologische dimensies. Gender moet worden gezien als een concept, bestaande uit sekse, identiteit en expressie. Hierin is de (gender)identiteit de innerlijke beleving van het eigen gender, terwijl de expressie de uiterlijke presentatie daarvan is (bijvoorbeeld door kleding of gedrag). Dit onderscheid is cruciaal, zowel voor maatschappelijke discussies als voor juridische vraagstukken rond discriminatie en erkenning. Ook kritiek op gender wordt in dit onderzoek besproken. Enerzijds is er een duidelijke trend richting erkenning van een pluriform genderspectrum; anderzijds groeit het georganiseerde verzet, vaak gepresenteerd als strijd tegen ‘genderideologie’. De spanning tussen emancipatie en weerstand bepaalt in hoge mate de dynamiek van het hedendaagse genderdebat. Als tweede richtte dit onderzoek zich op de juridische component van genderidentiteit, in het bijzonder in de internationale mensenrechtelijke context. Hoe heeft genderidentiteit als een onderdeel van de bredere SOGI-rechten (seksuele oriëntatie en genderidentiteit) zich ontwikkeld binnen het VN-kader. Daarnaast zijn enkele belangrijke mensenrechtelijke documenten (onder andere de UVRM en het IVBPR) geanalyseerd met het oog op genderidentiteit, waarbij de fundamentele beginselen non-discriminatie, gelijke behandeling en wettelijke erkenning centraal staan. Hoewel de UVRM en het IVBPR beide genderidentiteit dan wel niet expliciet noemen, wordt dit onderwerp, evenals overigens seksuele oriëntatie, beschermd door beide instrumenten. Deze bescherming is tweeledig. Als eerste is er bescherming van LHBTI+ personen via het universele karakter van zowel de UVRM en het IVBPR. Daarnaast is er bescherming via interpretatie, waarbij de reikwijdte van deze instrumenten via een zogenaamde ‘open-eindeclausule kan worden uitgebreid. Hierdoor kunnen nieuwe onderwerpen, zoals genderidentiteit, onder de bescherming van Verdragen worden gebracht. De toezichthouder op het IVBPR, het Human Rights Committee heeft een cruciale rol gespeeld in de erkenning van SOGI-rechten. In de beslissingen in individuele klachtenprocedures (Views) van dit Committee wordt regelmatig ingegaan op thema’s rond seksuele oriëntatie en later ook genderidentiteit. Daarmee heeft deze instantie de basis gelegd voor de erkenning van de bescherming van seksuele oriëntatie en genderidentiteit binnen het IVBPR. Twee belangrijke soft-law instrumenten; de Yogyakarta Beginselen (2007) en de latere Yogyakarta Beginselen plus 10 (2017) zijn eveneens in het onderzoek betrokken. Dit zijn twee richtinggevende documenten voor wat betreft de interpretatie van mensenrechten in relatie tot seksuele oriëntatie en genderidentiteit (SOGI). Hoewel de Beginselen niet juridisch bindend zijn, kregen de documenten snel weerklank in internationale debatten en worden deze door NGO’s en door sommige Staten gebruikt als referentiepunt bij beleid, wetgeving en in jurisprudentie. Als laatste is in het onderzoek gereflecteerd op de vragen naar een expliciet juridisch recht op genderidentiteit en een autonoom Verdrag voor seksuele oriëntatie en genderidentiteit (SOGI). Uit de analyse volgt dat de genderidentiteit weliswaar niet expliciet is vastgelegd, maar impliciet besloten ligt in bepaalde bestaande mensenrechten. Het erkennen van een zelfstandig juridisch recht op genderidentiteit zou duidelijkheid kunnen bieden, maar is ingewikkeld onder andere vanwege de onbepaaldheid van het begrip genderidentiteit. De tweede vraag, een autonoom Verdrag voor SOGI, heeft een aantal voordelen, zoals duidelijkheid over de internationale status van SOGI-rechten en het zou afdwingbare rechten kunnen vastleggen. Tegelijk is de kans op brede politieke steun (binnen de VN) klein, gezien de polarisatie rond gender, genderidentiteit en seksuele oriëntatie waardoor de haalbaarheid onzeker is. Een ‘dialogische route’ lijkt voor nu de beste en meest haalbare optie waarbij VN-organen en -mechanismen een belangrijke rol (kunnen) spelen. Geconcludeerd kan worden dat de hevige maatschappelijke controverse rond gender en genderidentiteit zijn weerslag heeft op het juridische debat. Te snelle uitbreiding van rechten kan contraproductief zijn en leiden tot weerstand, terwijl gebrek aan erkenning juist discriminatie en uitsluiting in stand houdt. Balans is noodzakelijk: bescherming moet worden geborgd zonder verdere polarisatie te voeden. Genderidentiteit past weliswaar reeds in belangrijke mate binnen het mensenrechtelijk kader, maar de vraag naar een zelfstandig recht blijft politiek en juridisch complex. Internationale Verdragen bieden voldoende basis om bescherming te waarborgen, mits Staten bereid zijn genderidentiteit consequent onder fundamentele beginselen te scharen. Een verdere bezinning is tevens noodzakelijk: niet alleen juridische erkenning is nodig, maar ook maatschappelijke acceptatie en een herwaardering van waardigheid en universaliteit als fundament van de mensenrechten. Genderidentiteit kan zo worden ingebed in een breder mensenrechtelijk discours dat recht doet aan zowel diversiteit als gemeenschappelijkheid.
Kersten promoveerde op 15 januari 2026 aan de Open Universiteit. Promotoren waren prof. dr. Carla Zoethout en prof. dr. Jan Willem Sap.
Charlotte Kersten
Genderidentiteit: van cultuurhistorische traditie naar juridisch recht?
Deze dissertatie is verkrijgbaar via de repository van de universiteit.