De menselijke geest werd lange tijd beschouwd als ontoegankelijk voor invloeden van buitenaf – maar dat is niet langer het geval. Neurowetenschappelijke ontwikkelingen hebben geleid tot een veelheid aan neurotechnologieën die zijn ontworpen om rechtstreeks toegang te krijgen tot de neurale netwerken in de hersenen, en deze te observeren, onderzoeken, en stimuleren. Hoewel zulke technologieën aanvankelijk zijn ontwikkeld voor medische doeleinden, wordt verwacht dat ze zich in de loop der tijd zullen uitbreiden naar andere domeinen van het dagelijks leven, waaronder de rechtszaal en het strafrecht. Zo kunnen opkomende neurotechnologische interventies – zogeheten neuro-interventies – zoals neurostimulatie, nieuwe mogelijkheden bieden voor rehabilitatie, gericht op het verminderen van recidive onder gedetineerden. Als reactie op deze ontwikkelingen vragen mensenrechtenonderzoekers, internationale instellingen, en verschillende nationale overheden zich af welke juridische waarborgen nodig zijn om de mensenrechtelijke uitdagingen het hoofd te bieden die voortvloeien uit de toenemende toegankelijkheid en beïnvloedbaarheid van de geest. In haar dissertatie onderzoekt Naomi van de Pol deze vraag vanuit het perspectief van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het boek bestudeert in welke mate onze mentale wereld momenteel wordt beschermd, hoe die bescherming zich mogelijk zal ontwikkelen in reactie op opkomende neuro-interventies, en of die bescherming toereikend is gezien de groeiende mogelijkheid om in te grijpen in mentale processen. Het boek betoogt dat het EVRM dynamisch kan worden geïnterpreteerd om sterke bescherming voor de geest te bieden, met name via het recht op eerbiediging van het privéleven (artikel 8 EVRM). De jurisprudentie bevat reeds het conceptuele vocabulaire dat nodig is om ons mentale domein te beschermen, onder meer via de rechten op privacy, lichamelijke en mentale integriteit, autonomie, en persoonlijke identiteit. Dit kader wordt verder ondersteund door het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 3 EVRM) en het recht op vrijheid van gedachte (artikel 9 EVRM), die absolute bescherming bieden tegen de zwaardere vormen van mentale inmenging. Het Hof is daarmee goed gepositioneerd om een beschermend kader voor de geest te ontwikkelen en wordt geacht dit te doen in overeenstemming met het streven van het EVRM naar effectieve bescherming van mensenrechten. Al met al benadrukt dit boek het belang van het onderzoeken, verduidelijken en, waar nodig, (her)interpreteren van bestaande mensenrechten, waaronder de rechten neergelegd in het EVRM, en biedt het concrete handvatten om hun beschermende potentieel voor de geest aan het licht te brengen en te benutten.
Van de Pol verdedigde haar proefschrift op 9 februari 2026 aan de Universiteit Utrecht. Pomotoren: prof. dr. Gerben Meynen, prof. dr. Antoine Buyse en prof. dr. Johannes Bijlsma.
Naomi van de Pol
Protection of the Mind under the ECHR: An Analysis in Light of Emerging Neurointerventions in Criminal Justice
De handelseditie van het proefschrift wordt later dit jaar uitgegeven door Palgrave MacMillan, in de serie ‘Palgrave Studies in Law, Neuroscience, and Human Behavior’.