Voorlopige hechtenis: een buikpijndossier

In 2020 zijn door de rechter 4.584 schadevergoedingen wegens “onrechtmatige detentie” toegekend. Dat weten we dankzij Kamervragen van Chris van Dam1  – jammer dat hij als een van de weinige juridisch deskundige leden niet terugkeert in de Kamer. Of het antwoord van de minister helemaal zorgvuldig is, betwijfel ik omdat het waarschijnlijk gaat om vergoedingen op de voet van art. 533 Sv, vooral naar aanleiding van voorlopige hechtenis in zaken die zijn geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Iemand kan best rechtmatig in voorlopige hechtenis worden genomen op verdenking van een ernstig feit, terwijl voortschrijdend inzicht leert dat hij het niet heeft gedaan. Ook zo’n onschuldige ex-verdachte kan een vergoeding krijgen. Het aantal uitgekeerde schadever­goedingen is hoog als we bedenken dat in 2019 er 31.000 mensen het gevangeniswezen zijn ingestroomd van wie 14.000 voorlopig gehechten. Het gaat me nu niet om de hoogte van de schadever­goedingen of om de vraag aan de hand van welke maatstaven die moeten worden toegekend. Het gaat mij om die verhouding van grofweg een op zeven ‘onterechte’ voorlopige hechtenissen.

In dat perspectief kunnen we ons er niet over verbazen dat Nederland recent in drie zaken die betrek­king hebben op voorlopige hechtenis is veroordeeld door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.2 Die veroordelingen leveren opnieuw een wake-up call op. Opnieuw - omdat er zeven jaar geleden al door academici en rechters flinke kritiek is geleverd op de toepassing van voorlopige hechtenis en de motivering daarvan.3 Maar binnen de rechterlijke macht waren de opvattingen verdeeld. Sommigen benadrukten het belang van zorgvuldigheid omdat het gaat om inbreuken op mensenrechten; anderen meenden dat er echt wel goed wordt gekeken maar dat het zonde is te veel tijd aan de motivering van dergelijke tussenbe­slissingen te besteden. Natuurlijk is er over de argumenten voor en tegen veel meer te zeggen, maar het nettoresultaat is kenmerkend voor onze poldercultuur: ‘vervelend dat we er niet uitkomen, maar we moeten er maar over ophouden’. Daarna lijkt weinig te zijn veranderd: er worden nu ongeveer evenveel schadevergoedingen gegeven als destijds, al werden toen iets meer mensen in voorlopige hechtenis genomen. Het College voor de Rechten van de Mens maakte de kwestie in 2017 opnieuw aanhangig. Taru Spronken vatte de bevindingen zo samen: 'Als je niet kunt uitleggen waarom je voorlopige hechtenis oplegt, moet je dat ook niet doen'.4 Er zijn wel pilots gevolgd in de rechtspraak, maar de ontwikkelingen verliepen te traag en stroperig om te voorkomen dat het EHRM Nederland op de vingers tikte voor iets waarvan we al lang wisten dat het niet helemaal lekker zat. Overigens heeft het EHRM het College voor de Rechten van de Mens in de nu besliste zaken gevraagd als ‘third party’  te interveniëren.

In alle drie arresten van het EHRM staat de motivering van de verlenging van de voorlopige hechtenis centraal. De kritiek is steeds dezelfde en het maakt wat dat betreft niet uit of de bij de oplegging van de voorlopige hechtenis genoemde grond de ernst van het feit/geschokte rechtsorde (Maassen) is, of het recidive- en collusiegevaar (Hasselbaink, Zohlandt). De kritiek van het Hof is dat steeds louter met standaardover­wegingen en zonder verdere uitleg is gemotiveerd. Daarbij is niet op de argumenten van aanklager of verdediging ingegaan, maar is feitelijk vooral teruggegrepen op de eerste beslissing van de rechter-commissaris. Ook als volgens de processen-verbaal ter zitting wel meer aan de orde is geweest, ziet het EHRM daarin geen afdoende compensatie voor de tekort­schietende motivering.

Als we de arresten pragmatisch lezen, is het voorlopig het belangrijkst dat geprobeerd wordt meer op maat gesneden motiveringen te maken. Daar wordt inmiddels van Amsterdam tot Maastricht hard aan gewerkt en er zijn al een paar voorbeelden van ruimer motiveren te vinden.5 

Maar is die pragmatische lezing genoeg? Dat (ook) blijkens de arresten wordt teruggegrepen naar de argumenten van de rechter-commissaris wijst op een fundamenteler probleem. Het lijkt misschien veilig vooral te letten op het feit waarvan de betrokkene wordt verdacht en dan is het niet zo gek als de latere rechter voortbouwt op de beslissing van de R-C. Lopende de procedure wordt evenwel meer bekend over het feit en over de persoon van de verdachte. Door enkel te verwijzen naar de beslissing van de R-C gaat de rechter daaraan voorbij. In het licht van de bevinding van Crijns e.a. dat negen op de tien verzoeken tot verlenging worden ingewilligd, rijst de vraag of de rechter eigenlijk wel genoeg belangstelling heeft voor de (al dan niet) voortschrijdende kennis. Achter het ogenschijn­lijk simpele motiveringsprobleem doemt zo een fundamentele vraag op. Dan heb ik het nog niet over mogelijkheden van borgsommen en andere lichtere alternatieven, of over de daarmee samenhangende vraag hoe het toch kan dat in Nederland (ook vergeleken met andere landen) zo’n groot deel van de gedetineerden in voorarrest zit.6

Al met al vind ik het pijnlijk om vast te stellen dat het EHRM de Nederlandse rechtspraak in de kern verwijt bij dit soort beslissingen onvoldoende maatwerk te leveren. Laten we na al die jaren vruchteloos polderen er wat aan gaan doen, nu ook op andere terreinen meer maatwerk van de rechter wordt gevraagd.

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2021/905, afl. 13.

 

Afbeelding: pixabay

 

Noten

  1. Antwoorden Kamervragen van 22 februari 2021.
  2. EHRM 9 februari 2021, zaken Maassen, Hasselbaink, en Zohlandt.
  3. Een overzicht biedt J.H. Crijns, B.J.G. Leeuw & H.T. Wermink, Pre-trial detention in the Netherlands: legal principles versus practical reality, Den Haag 2016.
  4. Taru Spronken, 'Geen voorlopige hechtenis, tenzij', NJB (vooraf) 15 mei 2017.
  5. Hof Den Bosch 18 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:910 en eerder Rb Noord-Holland 25 maart 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2285.
  6. Zie ook  Catherine Heard and Helen Fair, Pre-trial detention and its over-use, ICPR, London 2019.
Over de auteur(s)
Ybo Buruma
Raadsheer in de Hoge Raad