Recht in tijd van nood

Mike Ryan van de World Health Organisation zei het op 13 maart j.l. helder: “Perfection is the enemy of the good when it comes to emergency management. Speed trumps perfection and the problem in society we have at the moment is everyone is afraid of making a mistake, everyone is afraid of the consequence of error. But the greatest error is not to move, the greatest error is to be paralysed by the fear of failure. The virus will get you if you don’t move quickly. If you need to be right before you move you will never win”.

De Nederlandse samenleving geeft ervan blijk dit te hebben begrepen: het improvisatietalent schittert. Amsterdamse huisartsen krijgen van taxichauffeurs oude maskers uit de tijd van de Sarsepidemie, bouwvakkers leveren hun stofmaskers in en ijverige thuisnaaisters maakten zogenoemde dr. Kwongmaskers omdat de officiële gezichtsbescherming niet bij de huisartsen aankomt. In tijd van nood eet men korstjes van pastei.

Natuurlijk zijn sommige dokters boos over het uitblijven van gezichtsbescherming. Anderen stellen vragen over de juistheid van de beslissing om terughoudend om te gaan met het testen van mogelijk geïnfecteerden. Toch willen veruit de meeste mensen de door overheid en RIVM gesuggereerde richting volgen. Niet omdat iedereen overtuigd is van de effectiviteit van de maatregelen, maar waarschijnlijk omdat het in tijden van crisis beter is samen op te trekken dan dat ieder voor zich kiest. Het mooie is dat we dat dan met enig gesputter, maar toch vrijwillig doen zonder dat we de sputteraars hun andere mening kwalijk nemen. De burgers schenken de regering hun vertrouwen en de regering vertrouwt de kracht van de bevolking. Wij zijn het anti-China, schreef Tom-Jan Meeus.

Dat betekent niet dat er geen enkele dwang kan worden uitgeoefend jegens mensen die zich te weinig van het collectief belang aantrekken: burgemeesters en officieren rollen met hun spierballen. Zo worden er maatregelen genomen – zoals het sluiten van stranden en speeltuinen - die misschien niet allemaal zo juridisch en bureaucratisch zijn dichtgetimmerd, als we de afgelopen twintig jaar gewend zijn geraakt. Eigenlijk niemand maakt er een punt van. Het is net zo iets als het feit dat hard werkende  leraren digitaal lessen geven die vast niet zijn geaccrediteerd.

De rechtspraak moet zich aan deze nieuwe werkelijkheid aanpassen. Men zal blijven oordelen op grond van zorgvuldige procedures over wat partijen hebben aangedragen over de feiten en over het recht. Maar het is niet zo dat alles hetzelfde blijft. Niet alleen verandert de materiële inhoud van het recht door de maatregelen die zijn genomen. Ook de  procedurele kant vergt enige aanpassing. De Hoge Raad doet deze weken “in het openbaar” uitspraak, terwijl geen publiek tot de zitting wordt toegelaten. Onder de huidige omstandigheden lijkt het aldus “in het openbaar uitspreken”  in combinatie met de – nog steeds geanonimiseerde - publicatie van de uitspraken voldoende om te voldoen aan een grondwettelijke eis. Of zou het beter zijn geen uitspraak te doen met het gevolg dat mensen langer in onzekerheid verkeren?

Het is een voorbeeld dat in ieder geval op dit punt het niet nodig werd geacht eventuele inwerking­treding van art. 13 Noodwet rechtspleging  af te wachten. Volgens dat artikel kan de Minister van Veiligheid en Justitie bepalen, “dat de rechter in burgerlijke en strafzaken wettelijke voorschriften betreffende termijnen en vormen, indien deze ten gevolge van de buitengewone omstandigheden in redelijkheid niet konden of kunnen worden in acht genomen, buiten beschouwing kan laten”. Toepassing daarvan zou nodig kunnen worden gevonden als er fatale vormvoorschriften en termijnen zijn die bij niet-naleving ernstige gevolgen hebben, terwijl rekkelijke interpretatie (zoals in het voorbeeld van de openbare uitspraak) geen oplossing biedt. Natuurlijk valt daarbij te denken aan urgente zaken over voorlopige hechtenis in het strafrecht, aan ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van kwetsbare jongeren, over psychiatrische kwesties en aan bewaring in de asielprocedures. Maar hoewel ik alle begrip heb voor het ongemak dat een rechter-commissaris kan voelen als hij zich nu genoopt voelt de bewaring te verlenen na een verhoor per video van de verdachte, zie ik niet waarom dat onder deze omstandigheden niet een aanvaardbare oplossing kan zijn.  In Gelderland worden met het oog op de verlenging van de voorlopige hechtenis per e-mail standpunten ingewonnen, zodat achteraf controle mogelijk is. Dergelijke improvisaties zijn m.i. verkieslijker dan een wet in werking te laten treden waardoor in beginsel alle rechten opzij worden gezet. Het is de juridische equivalent van aanvaarding van een stofmasker in plaats van geen enkele gezichtsbescherming.

Corona kan niet alles excuseren. Zo blijven voor het aantekenen van beroep e.d. wel degelijk de termijnen gelden. Dat neemt niet weg dat de concrete bijzondere omstandigheden er toe kunnen nopen verschoonbaarheid iets ruimhartiger te aanvaarden in gevallen waarin overmacht in de weg stond aan tijdige werkelijke kennisneming van de voor een lege zaal gedane uitspraak. Natuurlijk zullen rechters als deze ellende achter de rug is, niet moeten vergeten dat de mensen in het veld moesten improviseren en dat nu ‘the greatest error is not to move’. In dat perspectief juich ik het toe dat er inmiddels mogelijkheden worden geschapen om de behandeling van sommige zaken toch door te laten gaan door onder meer in zaken met dodelijke slachtoffers en zedenmisdrijven videoconferencing toe te staan. Ga zo door!

Terecht krijgen gezondheidszorg en economie nu de meeste aandacht. Maar in een democratische rechtsstaat kan de rechtspraak niet langer dan twee maanden nagenoeg stilgezet worden. Daarom moeten ook rechters improviseren en zich aanpassen om eraan bij te dragen dat we deze crisis te boven komen.

 

Dit Vooraf wordt gepubliceerd in NJB 2020/812, afl. 13

Over de auteur(s)
Ybo Buruma
Raadsheer in de Hoge Raad