Naming-and-shaming-procedures: achter gesloten deuren

Naming-and-shaming door toezichthouders neemt een hoge vlucht in Nederland en dat geldt ook voor het aantal rechterlijke procedures waarmee daartegen wordt opgekomen. Met naming-and-shaming wordt gedoeld op de openbaarmaking van sanctiebesluiten en toezichtsinformatie met vermelding van de identiteit van de vermeende overtreder. Hiermee worden verschillende doelen nagestreefd. Zo is er de verwachting dat consumenten zich van de overtreder zullen afkeren en wordt gewezen op de disciplinerende werking op andere marktpartijen. Verder zou het kunnen bijdragen aan het vertrouwen in de toezichthouder en het vermogen van consumenten om beter geïnformeerde beslissingen te nemen.

Deze openbaarmaking vindt voor toezichthouders als de ACM en de AFM haar basis in bijzondere wetgeving, zoals de Instellingswet ACM, de Wet op het financieel toezicht en de Wet toezicht accountantsorganisaties, maar ook wanneer een dergelijke expliciete basis ontbreekt is naming-and-shaming mogelijk. Volgens jurisprudentie van de bestuursrechter kan er namelijk een algemene bevoegdheidsgrondslag worden ontleend aan de actieve openbaarmakingsregeling van artikel 8 Wet openbaarheid van bestuur, nu artikel 3.1 Wet open overheid (vgl. ECLI:NL:RVS:2010:BO3468). Op basis daarvan maken toezichthouders als de Kansspelautoriteit en de Autoriteit Persoonsgegevens sanctiebesluiten openbaar.

Alvorens te besluiten tot openbaarmaking moeten toezichthouders steeds een afweging maken tussen de daarmee te dienen belangen en de schade voor de betrokken partij. Bij dat laatste moet worden gedacht aan vaak onomkeerbare reputatieschade en marktverlies. Schade die temeer aan de orde is wanneer toezichthouders het niet laten bij een publicatie op een algemene website maar ervoor kiezen nog actiever naar buiten te treden met pers- en sociale-mediaberichten. Bij deze belangen­afweging delven de belangen van de betrokken partij toch vaak het onderspit. Gelet daarop verbaast het dan ook niet dat partijen zich in de nodige gevallen niet neerleggen bij het besluit tot openbaarmaking en ter voorkoming daarvan hangende een bodemprocedure verzoeken om een schorsing van dat besluit bij de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter.

Het is bij deze voorlopige voorzieningenprocedures en – bij toewijzing van de gevraagde voorziening – verwante bodemprocedures dat er problemen ontstaan nu rechters niet standaard bereid blijken dit soort zaken achter gesloten deuren te behandelen. Dit terwijl openbare behandeling in deze specifieke context feitelijk hetzelfde effect kan hebben als de voorgenomen publicatie: de identiteit van de vermeende overtreder en de gestelde normschending worden alsnog openbaar. Daarmee kan een openbare zitting het doel van de voorlopige voorziening ondergraven en de beoogde rechtsbescherming illusoir maken. Op grond van artikel 8:62 Awb en 6 EVRM geldt weliswaar – en terecht – het uitgangspunt dat een zitting openbaar is, maar daarop kan als restcategorie onder meer in het belang van een goede rechtspleging in bijzondere gevallen en goed gemotiveerd een uitzondering worden gemaakt.

Deze uitzonderingsgrond wordt in naming-and-shaming-zaken inconsistent toegepast. Zo zijn er (voorzieningen)rechters die weigeren een uitzondering aan te nemen door te wijzen op het grote belang van openbaarheid en het verschil tussen actieve openbaarmaking door de toezichthouder en de meer indirecte bekendheid die kan ontstaan door een openbare zitting (vgl. ECLI:NL:RBDHA:2026:833 en ECLI:NL:CBB:2015:126). Anderzijds staan (voorzieningen)rechters een behandeling achter gesloten deuren juist toe om te voorkomen dat een procedure over openbaarmaking op zichzelf leidt tot openbaarmaking en om zo eerlijke en effectieve rechtsbescherming te bieden (vgl. ECLI:NL:RBZWB:2025:2138 en ECLI:NL:RBGEL:2020:3159). De inconsistentie in de praktijk wordt nog eens vergroot doordat voor, bijvoorbeeld, de AFM een bijzondere wettelijke regeling geldt op grond waarvan de behandeling van voorlopige voorzieningen en verwante bodemprocedures standaard achter gesloten deuren moet plaatsvinden (vgl. artikel 1:101 Wft). Daarbij overweegt de wetgever in de toelichting expliciet dat dit nodig is om te voorkomen dat dergelijke procedures op zichzelf leiden tot openbaarmaking (Kamerstukken II 2016/17, 34769, nr. 3, p. 39 en 42).

Waar specifieke regimes bestaan, zoals voor de AFM, is de besloten behandeling dus wettelijk verankerd, terwijl bij openbaarmaking op grond van de Wob en Woo, in bijvoorbeeld zaken van de Ksa en de AP, de beslissing afhankelijk is van een terughoudend toegepaste uitzonderingsmogelijkheid van artikel 8:62 Awb op basis van de goede rechtspleging. Dit leidt tot ongelijke rechtsbescherming, terwijl de met openbaarmaking nagestreefde doelen vergelijkbaar zijn.

Als een bijzondere regeling ontbreekt, moeten alle voorzieningenrechters en bij toewijzing van de voorziening ook de betrokken bodemrechters daarom op verzoek behandeling achter gesloten deuren toestaan vanuit het belang van een goede rechtspleging. Zoals ook uit de wetsgeschiedenis ten aanzien van de besproken bijzondere wetgeving blijkt, is het juist hier verdedigbaar het onderzoek ter zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Het belang van een goede rechtspleging is hier immers niet gelegen in processuele transparantie, maar in het voorkomen dat het verzoek om een voorlopige voorziening en de verwante bodemprocedure hun betekenis verliezen en de beoogde rechtsbescherming illusoir wordt. Het toestaan van een behandeling achter gesloten deuren raakt daarmee aan de kern van de goede rechtspleging. Zo nodig moeten de betrokken hoogste bestuursrechters hier het voortouw nemen, al dan niet via het rechtseenheidsoverleg.

Daarnaast verdient het aanbeveling dat de wetgever de wijze van behandeling van de relevante procedures met betrekking tot dergelijke openbaarmakingsbeslissingen per toezichthouder consequent in bijzondere wetgeving gaat regelen. Als alternatief zou een algemene regeling in de Awb kunnen worden overwogen. Daarmee hoeft de beslissing over het al dan niet sluiten van de deuren niet langer via de toepassing van een in een restcategorie vervatte open norm plaats te vinden. Dat is in het belang van de rechtszekerheid van betrokken partijen en bespaart de (voorzieningen)rechter het nodige werk.

Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/400, afl. 8.

Afbeelding: istock

Over de auteur(s)
Tom Barkhuysen
Advocaat-partner bestuursrecht bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden