De ezel, die reliquieën draagt: over rechtssymbolen en vertrouwen in de rechtspraak

“Een ezel, met reliquiën belaân,
Meende te worden aangebeden.
Hij ging daarom met trotsche schreden,
En nam voor zich lofzang en wierook aan.
Een die de dwaze dwaling ziet,
Spreekt: “Grauwtje, wees zoo ijdel niet,
jou dient geducht de les gelezen.
Aan jou niet, aan je vromen last,
Wordt al die hooge eer bewezen,
Die enkel aan het heil’ge past.”

Van een onwetend magistraat
Eerbiedigt men slechts ‘t ambtsgewaad.”1

D’un magistrat ignorant/C’est la Robe qu’on salue. Die laatste zinspreuk voegde Jean de La Fontaine toe aan zijn bewerking van de fabel van Aesopus, waarmee de oorspronkelijk religieuze moraal van de fabel expliciet op de seculiere magistraat werd toegespitst.

In deze context biedt zij de rode draad voor een bespiegeling op de rechtssymbolen die het recht en de rechtszaal rijk zijn. Want in de moraal van deze fabel schuilt een diepere waarheid: de magistratuur ontleent haar legitimiteit niet enkel aan kwaliteit of transparantie, zaken die in gesprekken over het vertrouwen in de rechterlijke macht vaak de aandacht hebben. De uitoefening van judiciair gezag, zo kan men met De La Fontaine stellen, wordt ook als gerechtvaardigd ervaren omdat zij wordt uitgeoefend in een rituele context die een sterk beroep doet op symboliek. Rechtspraak die plaatsvindt in een kantoortuin door een rechter in jeans, om het kort te zeggen, zal zichzelf veel spoediger met een vertrouwenscrisis geconfronteerd zien.

Deze bespiegeling op de rechtssymboliek neemt de vorm van een serie aan, waarbij in iedere bijdrage een afzonderlijk rechtssymbool besproken wordt. De serie als geheel moet begrepen worden tegen de achtergrond van toenemende zorgen over het vertrouwen in de rechtspraak, zorgen die onlangs nog uitvoerig zijn besproken in Rechtstreeks, het tijdschrift van de Raad voor de rechtspraak.2 Samen vormen de bijdragen een pleidooi om de rechtssymbolen niet op te vatten als lege vormen en overblijfselen van archaïsche procedures, maar als constitutief voor het vertrouwen in de rechtspraak. De hardnekkigheid van de rechtssymboliek, zo stel ik, is óók een uitdrukking van de noodzaak van deze symbolen: terwijl de professoren allang niet meer in toga lesgeven en de Katholieke Kerk tijdens het Tweede Vaticaans Concilie onder het mom van modernisering (aggiornamento) de soutane niet langer verplicht stelden, blijft de rechterlijke toga – met goede gronden – een onverminderd centrale rol spelen in de symbolische ruimte van de rechtszaal. Door die goede gronden uit de doeken te doen, voor zowel de toga als voor andere rechtssymbolen, probeert deze serie bijdragen een lans te breken voor de soms vergeten rol van het juridisch ritueel bij het creëren van vertrouwen in de rechtspraak.

De pruik van Adam

Gezien de fabel van De La Fontaine, moet ik deze serie natuurlijk beginnen met een bespreking van “’t ambtsgewaad”. In het Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie (het Koninklijk Besluit van 22 december 1997) staat nauwkeurig beschreven aan welke voorwaarden het ambtskostuum van rechterlijke ambtenaren en advocaten, de toga, dient te voldoen:

De toga is een lange wijde mantel met een staande kraag ter hoogte van ongeveer 4 cm, welke kraag aan de voorzijde in het midden een opening heeft van 8 cm. De toga is geheel gemaakt van zwarte stof, neerhangende tot ongeveer 10 cm boven de grond, in het midden van de achterzijde onder de kraag, evenals zijwaarts aan de bovenkant van de wijde mouwen, geplooid ingenomen, met aan de onderkant der mouwen omslagen ter breedte van ongeveer 20 cm en aan de voorzijde in het midden van boven tot onder om de 5 cm voorzien van een niet glimmende kleine zwarte knoop, een en ander in overeenstemming met de bij dit Reglement gevoegde afbeeldingen (artikel 3 lid 1 Kostuum- en titulatuurbesluit).

Het kledingvoorschrift is uiterst precies en voor rechters bovendien onderworpen aan een strenge hiërarchie. Naarmate de rechter de judiciaire ladder beklimt, moet hij of zij telkens een nieuwe toga aan: aan de toga van dof grein met banen en mouwomslagen van zwarte zijde wordt, bij het Hof, zwart moiré tussen de banen toegevoegd; bij de Hoge Raad is de toga van zijde, terwijl die van de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad aan de buitenwaartse randen van de banen en aan de bovenzijde van de mouwomslagen nog van een hermelijnen boordsel is voorzien (artikelen 5, 6 en 7).

Op het eerste gezicht geeft een dergelijke focus op vestimentaire details, zeker omdat deze details ook nog tamelijk excentriek zijn, een wat koddige indruk. Zo gaan de indrukwekkend wijde maar voor het werk tamelijk onhandige mouwen van de toga (“met aan de onderkant der mouwen omslagen ter breedte van ongeveer 20 cm”) terug op aristocratisch voorbeeld, waar de wijde mouw gebruikt werd om te laten zien dat men niet hoefde te werken, in vanzelfsprekend contrast met de nauwsluitende mouwen van de werkende klassen. Ook het gebruik van bont – hermelijn – door de Hoge Raad oogt al snel niet slechts oubollig maar zelfs blind voor de huidige tijdgeest. Dit dier, dat niet alleen in Nederland om de schouders van de hoogste rechter ligt, was misschien ooit bedoeld om (ongeveer zoals dieren in fabelen) uitdrukking te geven aan de onkreukbaarheid van de rechter, want de hermelijn stierf volgens de overlevering nog liever dan dat hij zich liet bezoedelen.3 Maar heden ten dage bekruipt ons, bij het zien van dit dierenmisbruik gekoppeld aan een bevreemdende aandacht voor ogenschijnlijk irrelevant detail, wellicht het gevoel van een instituut dat de aansluiting met de samenleving aan het verliezen is.

Maar zoals wel vaker, is de eerste indruk misleidend. Zo is de Hoge Raad een stuk “hipper” dan zij op het oog doet voorkomen want het hermelijnen boordsel, zo vond de Partij van de Dieren uit na enkele Kamervragen, wordt heden ten dage gemaakt van imitatie-hermelijnenbont.4 En in meer algemene zin, hoewel hier natuurlijk sprake is van de voortzetting van een lange traditie, ligt er in de zorgvuldige aandacht voor de rechterlijke toga niet alleen een misplaatste nostalgie besloten.5

Want met het aandoen van de toga vindt er iets anders plaats, iets dat traditioneel is, maar dan vooral omdat deze gewoonte nog altijd haar waarde bewijst. De meest beroemde, misschien zelfs de beste historicus die ons land ooit heeft voortgebracht, Johan Huizinga, zei het al in zijn Homo Ludens: “de rechters treden nog altijd uit het ‘gewone leven’, eer zij het recht spreken. Zij hullen zich in de toga, of wel zij zetten een pruik op. Is deze dracht van den Engelschen rechtsgeleerde op haar ethnologische beteekenis onderzocht? Het komt mij voor, dat de samenhang met de pruikenmode der 17e en 18e eeuw slechts secundair is. […] De rechterlijke pruik is […] meer dan een relict van een oude ambtsdracht. In haar functie is zij nauw verwant te achten aan de primitieve dansmaskers der natuurvolken. Zij maakt den drager tot een ‘ander wezen’”.6 Hier legt Huizinga de relevantie, misschien zelfs de noodzaak, van de rechterlijke toga bloot. Het is, in de letterlijke zin van het woord, een investituur: de toga kleedt de privépersoon aan en dekt daarmee die privépersoon tijdelijk af. Als u mij een spitsvondige formulering niet kwalijk neemt, dan zou ik willen zeggen dat niet de persoon hier kleding draagt, maar dat de rechterlijke macht via ’t ambtsgewaad een tijdelijke belichaming vindt. Als “ander wezen”, teruggetrokken uit het “gewone leven”, spreekt de rechter recht.

Door de privépersoon van de rechter middels de toga te “depersonaliseren” wordt een aantal dingen bewerkstelligd: natuurlijk wordt met een gelijk voorkomen onder rechters en advocaten, zoals vaak wordt opgemerkt, neutraliteit of objectiviteit verkregen; voorts heeft de toga, door de privépersoon tijdelijk van zijn of haar private identiteit te verlossen, een zuiverende werking; en ook beschermt de toga de rechter, omdat zij ervoor zorgt dat een eventueel (legitiem) gebruik van geweld tegen de veroordeelde niet aan de privépersoon blijft kleven.

Dit zijn belangrijke functies van de toga. Maar voor het “vertrouwen” in de rechtspraak is er, in mijn optiek, een andere functie van de toga nog belangrijker en wel omdat daarmee een fundamenteel probleem wordt opgelost – of tenminste, omdat daartoe een poging wordt gedaan. Dit probleem is het probleem van het mogelijk arbitraire karakter van iedere vorm van rechtspreken. Waarom het gezag accepteren van iemand die in wezen niet verschilt van ons allemaal?

Heinrich von Kleist, zelf een gesjeesde rechtenstudent, thematiseerde deze kwestie in de komedie Der zerbrochne Krug en dreef haar op het spits dreef door ons over een schuldige, pruikloze rechter na te laten denken. Hij liet Adam (geen toevallig gekozen naam) een rechtszaak over een gebroken kruik voorzitten in Huisum, een fictief dorpje nabij Utrecht. Adam is in deze zaak tegelijk de dader. Zijn rechterspruik had hij tijdens de zitting niet op omdat hij de pruik nabij het plaats delict was kwijtgeraakt. Wanneer de pruik daar wordt gevonden, lijkt zijn daderschap bewezen te zijn. Toch veroordeelt Adam, zonder pruik, een ander in zijn plaats, en nadat de waarheid definitief aan het licht komt, weet hij de rechtszaal zonder kleerscheuren te verlaten.

Deze rechter zonder pruik, zo lees ik Kleist, is een mens zoals wij allemaal en hij heeft bijgevolg geen recht van rechtspreken. Pas nadat de toga en de pruik Adam van zijn (zondige) menselijkheid hebben ontdaan, zou men met Kleist kunnen zeggen, wordt dit recht van rechtspreken verkregen. De rechterlijke investituur tracht zo dus het op de loer liggende gevoel van willekeurigheid weg te nemen dat zich altijd opdringt wanneer een persoon gezag en dwang uitoefent over een ander persoon. Waarom moet ik naar jou luisteren? Omdat ik geen persoon ben, zegt de rechter; ik ben een “ander wezen”, teruggetrokken uit het “gewone leven”.

Tegelijk maakt de kennelijke noodzaak van een vestiaire symboliek de rechter ook verdacht. Pascal, in zijn Pensées, zei in de 17e eeuw al op polemische toon dat de rechtspraak niet zonder de symboliek kan omdat deze haar onkunde verhult – “hun mantels” en “hun hermelijnen, waar ze zich in wikkelen als harige katten”, dit alles zou überhaupt niet nodig zijn als rechters altijd met “ware gerechtigheid” rechtspraken.7 Dit is een gedachte met sterk religieuze wortels, en misschien niet verwonderlijk in een werk dat het Christendom trachtte te verdedigen en in dat geloof ook een perfecte rechter in het hiernamaals aantrof (geen harige kat, stel ik mij zo voor). In deze traditie willen kleren nogal eens misleiden en zo de “naakte waarheid” verbergen. Adam (weer hij) en Eva trokken per slot van rekening voor het eerst kleren aan om hun zonden te verhullen.

Pascal had natuurlijk gelijk dat de rechterlijke investituur in een perfecte wereld niet nodig zou zijn, en misschien zit hij er ook niet volledig naast met zijn claim dat de mantel de continuïteit van de rechtspraak waarborgt ook als er fouten worden gemaakt. Maar de naakte waarheid die het ambtsgewaad verbergt zit ergens anders: de toga verhult dat de rechter die rechtspreekt in werkelijkheid een persoon is zoals jij en ik. In die list schuilt de crux van het vertrouwen dat een zwart-met-wit stuk stof in de rechterlijke macht kan opwekken. Een list die, als het niet zo oubollig zou aandoen, heel goed “de pruik van Adam” genoemd zou kunnen worden.

 

Voetnoten

1 M.G.L. van Loghem, De fabels van La Fontaine, Amsterdam: Mulder & Co 1932, p. 106.

2 Rechtstreeks 2023/1 (“Vertrouwen in de Rechtspraak”), overigens zonder aandacht voor het rechtsritueel.

3 Een mooie vergelijkende fotoreportage van de kledij van alle hoogste rechters in Europa werd op 28 oktober 2021 in de Volkskrant gepubliceerd; zie https://www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2021/de-schallmaier-index-de-kleding-van-de-hoogste-rechters-in-de-europese-unie~v454756/

4 Zie https://www.partijvoordedieren.nl/vragen/vraag-over-het-voorgeschreven-hermelijnenbont-in-het-kostuum-en-titulatuurbesluit-voor-de-rechterlijke-organisatie#antwoorden

5 Volgens J. Boedels, Les habits du pouvoir. La justice, Parijs: Antébi Uitgeverij 1992, p. 15 zelfs “le plus ancien usage civil encore en vigueur”, dat uiteindelijk herleid moet worden naar de hogepriesters van Israël.

6 J. Huizinga, Homo ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur, Haarlem: H. D. Tjeenk Willink & Zoon Uitgeverij, 1940, p. 115.

7 B. Pascal, Oeuvres complètes (deel 1), Parijs: Uitgeverij Hachette 1871, p. 270.

Over de auteur(s)
Luuk de Boer
Luuk de Boer promoveerde aan Princeton University en is werkzaam als Universitair Docent Algemene Rechtswetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is te bereiken op l.o.de.boer@rug.nl.