Artikelen van Richard Korver

Tijdschrift
NJB 30 (2026)
Didam en de overheidsvennootschap
Sinds de Didam-arresten staat vast dat overheidslichamen bij privaatrechtelijk handelen onder omstandigheden ruimte moeten bieden aan alle potentiële gegadigden. Minder duidelijk is hoever de kring van normadressaten van deze regels reikt. In het bijzonder rijst de vraag naar de positie van overheidsvennootschappen: privaatrechtelijke rechtspersonen die nauw met de overheid zijn verbonden, maar niet zonder meer als bestuursorgaan kwalificeren. Aan de hand van recente rechtspraak onderzoekt dit artikel of en op welke grond dergelijke vennootschappen aan de Didamregels kunnen zijn gebonden. Daarbij wordt betoogd dat niet zozeer rechtstreekse binding aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar de doorwerking van het gelijkheidsbeginsel via de privaatrechtelijke redelijkheid en billijkheid een overtuigende grondslag biedt.
Wie een vrouw wurgt tot zij bewusteloos raakt, aanvaardt de aanmerkelijke kans op haar dood
Wie een ander wurgt tot bewusteloosheid raakt aan de grens tussen leven en dood. Toch laten twee recente Amsterdamse uitspraken zien dat zelfs bij bewustzijnsverlies, ernstige ademnood en langdurig keelgeweld niet vanzelfsprekend wordt aangenomen dat sprake is van een aanmerkelijke kans op overlijden. Deze zaken roepen de vraag op of de feitenrechter bij verwurging een bewijsdrempel hanteert die in de praktijk nauwelijks is te nemen. In dit artikel wordt betoogd dat vrijspraken in dergelijke zaken beter moeten worden gemotiveerd en dat het Openbaar Ministerie een actievere rol moet spelen in de rechtsvorming op dit terrein.
De foetus en de behandelingsovereenkomst
De snelle ontwikkelingen in de foetale geneeskunde maken het steeds vaker mogelijk om aandoeningen van een ongeboren kind al tijdens de zwangerschap te behandelen. Deze medische vooruitgang roept echter fundamentele juridische vragen op over de positie van de foetus binnen het gezondheidsrecht. Kan een foetus worden beschouwd als patiënt en daarmee een eigen plaats innemen binnen de behandelingsovereenkomst? En welke rechten en beschermingsmechanismen vloeien daaruit voort? In deze bijdrage wordt de verhouding tussen de beschermwaardigheid van de foetus, de behandelingsovereenkomst en de rechten van de zwangere vrouw onderzocht. Daarbij staat centraal in hoeverre het recht ruimte biedt om de belangen van de foetus te beschermen, zonder afbreuk te doen aan de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van de moeder.