Artikelen van Redactie
Stichting Bureau Clara Wichmann heeft het College in de collectieve zaak gevraagd om te beoordelen of de Staat vrouwelijke rechters discrimineert met het ‘laatstverdiend salaris’ criterium. De Staat hanteerde dit criterium sinds 1994 bij het inschalen en belonen van rechters. Dit houdt in dat voor de inschaling wordt aangesloten bij het salaris dat iemand verdiende vóór de overstap naar de rechterlijke macht. Bureau Clara Wichmann stelt dat dit inschalings- en bezoldigingsbeleid vrouwen discrimineert, omdat vrouwen gemiddeld een lager laatstverdiend salaris hebben.
Het College beoordeelt in deze zaak de inschalings- en beloningssystematiek over de periode van 1994 tot en met 1 juli 2023, de periode waarin het criterium ‘laatstverdiend salaris’ wordt toegepast.
Het ‘laatstverdiend salaris’ criterium biedt volgens het College onvoldoende ruimte voor de waardering van relevante ervaring en zegt weinig over de waarde van de arbeid in de nieuwe functie. Denk bijvoorbeeld aan een jurist met vijftien jaar werkervaring in de sociale advocatuur en een laag laatstverdiend salaris, en een jurist uit de commerciële advocatuur met zes jaar werkervaring met een hoger laatstverdiend salaris. Het hanteren van dit criterium leidt gemakkelijk tot ongerechtvaardigde beloningsverschillen.
Uit een onderzoeksrapport van Erasmus Q-intelligence (Onderzoek Beloningsverschillen) blijkt dat binnen de groep rechters in opleiding daadwerkelijk beloningsverschillen zijn tussen mannen en vrouwen. In het onderzoeksrapport staat dat, onder de groep rechters die is gestart met de opleiding, een statistisch significant beloningsverschil van gemiddeld 3,5% is gevonden in het voordeel van mannen. Naarmate de leeftijdscategorieën oplopen, wordt het gemiddelde beloningsverschil in het voordeel van de man groter. Daarom oordeelt het College dat er een vermoeden is van indirect onderscheid op grond van geslacht. De Staat is er niet in geslaagd om het vermoeden te ontkrachten.
Indirect onderscheid is verboden, tenzij er een objectieve rechtvaardiging voor bestaat. Daarvoor moet het doel legitiem zijn, en moet het middel dat wordt ingezet passend en noodzakelijk zijn.
Het College oordeelt dat het hanteren van het laatstverdiend salaris een geschikt middel is om gekwalificeerde en geschikte kandidaten aan te trekken. Maar een middel is pas noodzakelijk als het doel niet met andere, minder onderscheid makende middelen kan worden bereikt.
De Staat heeft het gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd en discrimineerde vrouwelijke rechters in opleiding bij de beloning.
Naast de collectieve zaak heeft het College drie individuele zaken afzonderlijk beoordeeld. Deze zaken gaan niet over het beloningssysteem van de Staat, maar over de vraag of in individuele gevallen sprake was van ongelijke beloning tussen een vrouwelijke en mannelijke collega.
Om vast te kunnen stellen dat er sprake is van ongelijke beloning in deze zaken voert het College een maatmanbeoordeling uit. Hierbij kijkt het College naar de beloning van een collega met een ander geslacht die arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde verricht. Als deze persoon anders wordt beloond, moet dit worden uitgelegd aan de hand van objectieve criteria, zoals kennis en ervaring. Als deze criteria het verschil niet kunnen verklaren, is er sprake van discriminatie op grond van geslacht.
In alle drie de gevallen heeft het College vastgesteld dat er maatmannen zijn met een hoger loon zonder goede reden. Dit komt omdat de Staat bij het inschalen van kandidaten rekening heeft gehouden met het laatstverdiende salaris van de kandidaat. Daarnaast is bij sommige maatmannen gebruik gemaakt van een uitzondering op de standaardregels bij het inschalen. Zo ontving in één van de gevallen de mannelijke collega maandelijks bruto €1.914,65 meer dan de vrouwelijke collega voor gelijkwaardig werk, terwijl zij nagenoeg dezelfde werkervaring hadden.
De maatstaf ‘laatstverdiende salaris’ sluit volgens het College onvoldoende aan bij de waardering van relevante werkervaring. Daarom kan dit geen geldige reden zijn voor beloningsverschillen wanneer mensen werk van (nagenoeg) gelijke waarde verrichten. Het College oordeelt dan ook dat de Staat de vrouwelijke rechters in de individuele zaken heeft gediscrimineerd op grond van geslacht door hun lager te belonen dan de maatmannen.
De Staat heeft in juli 2024 een akkoord bereikt over een nieuw inschalings- en beloningsbeleid. Het nieuwe beleid wordt met terugwerkende kracht toegepast vanaf 1 juli 2023. Er wordt binnen de rechtelijke macht dus niet meer gevraagd naar het laatstverdiende loon. Het ligt op de weg van de Staat om te kijken naar de mogelijkheden om de betrokken rechters financieel te compenseren.
Ook organisaties die AI willen inzetten, hebben dringend behoefte aan helderheid over de regels voor AI. Die zijn al van kracht en worden steeds crucialer. De AP waarschuwt daarbij voor grote risico’s op onveilige en discriminerende algoritmes, waartegen nu niet handhavend kan worden opgetreden.
Als coördinerend toezichthouder op algoritmes en AI analyseert de AP de belangrijkste risico’s en effecten hiervan. Vervolgens vertaalt de AP die naar 9 graadmeters in de AI-Impactbarometer. Deze toont een verslechterend beeld. In de vorige rapportage stegen al 2 van de 9 graadmeters naar rood. Nu is dat verdubbeld naar 4.
De AP maakt zich zorgen over het gebrek aan voortgang bij de inrichting van toezicht, de ontwikkeling van standaarden, de registratie van algoritmes door de overheid en het zicht op
incidenten. Het doel van de AI-verordening is helder: betrouwbare AI in Europa bevorderen, met systemen die veilig zijn, grondrechten respecteren en tegelijkertijd innovatie mogelijk maken. De AP waarschuwt dat die doelen door besluiteloosheid niet gehaald worden en dat de invoering van AI-regels in gevaar komt. De AP wil dat het nieuwe kabinet snel werk maakt van de uitvoering van de AI-verordening. Dat betekent: de Nederlandse uitvoeringswet vaststellen, toezichthouders aanwijzen, financiering voor toezicht structureren en duidelijkheid scheppen over de toepassing van de regels. Daarnaast moet Nederland in Europa aandringen op snelle afronding van de discussies over uitstel en vereenvoudiging van de regelgeving, aldus de AP.
Bron: Autoriteit Persoonsgegegevens.
De Eerste Kamer heeft 24 februari ingestemd met een nieuw Wetboek van Strafvordering dat het strafprocesrecht moderniseert. De regering wil hiermee het nieuwe Wetboek van Strafvordering toekomstbestendig, voor burgers en professionals toegankelijk en in de praktijk werkbaar maken.
De modernisering brengt het Wetboek inhoudelijk bij de tijd en maakt het inzichtelijk. Ook maakt het een (verdere) digitalisering van het strafproces mogelijk. Daarnaast bevat het een duidelijke beschrijving van de positie van de belangrijkste procesdeelnemers met hun rechten en bevoegdheden.
Een centraal principe in deze nieuwe wet is de zogeheten beweging naar voren. Het is bijvoorbeeld de bedoeling dat met de zogeheten 'beweging naar voren' strafzaken efficiënter en beter voorbereid bij de zittingsrechter komen. Het doel daarvan is dat de doorlooptijden van strafprocessen korter worden.
Voor de praktijk zal dit betekenen dat het zwaartepunt van de zaak verschuift naar de fase vóórdat de rechter inhoudelijk naar de zaak kijkt. Keuzes over onderzoeksverzoeken, afspraken over de procesvoering en de manier waarop het dossier wordt opgebouwd, krijgen daardoor eerder een doorslaggevende rol.
Daarnaast zorgt het nieuwe wetboek voor een helderder afbakening van de verantwoordelijkheden van politie, het Openbaar Ministerie, de rechter en de verdediging. De bevoegdheden en rechten van deze partijen worden overzichtelijker en consistenter geformuleerd.
Bron: Eerste Kamer
Uit de peiling blijkt dat jonge advocaten (tot zeven jaar op het tableau) sterk betrokken zijn bij hun werk, maar steeds kritischere keuzes maken over werk‑privébalans, ontwikkelkansen en hun toekomst na de beroepsopleiding. Deze inzichten helpen de NOvA om de aansluiting tussen opleiding en praktijk verder te verbeteren.
Technologische ontwikkelingen, met name AI, beïnvloeden het werk van jonge advocaten aanzienlijk. Zij zien kansen voor efficiëntie, maar maken zich ook zorgen over vakmanschap, kwaliteit en hun rol in een digitaliserende rechtsstaat. De NOvA onderzoekt dit via de projectgroep Digitalisering en AI en werkt aan richtlijnen en bewustwording.
Verder blijkt dat traditionele loopbaanpaden, vooral het partnermodel, minder vanzelfsprekend zijn. Jonge advocaten ervaren knelpunten zoals werkdruk en kantoorstructuren; deze worden vooral genoemd door vrouwen en advocaten op grote kantoren.
De peiling onder ruim vijfhonderd jonge advocaten schetst een actueel beeld van hun drijfveren, zorgen en toekomstbeeld.
Bron: NOvA
Taakstrafverbod bij geweld tegen hulpverleners en handhavers
De Afdeling advisering benadrukt dat geweld tegen hulpverleners en handhavers in alle gevallen onacceptabel is en dat hier hard tegen moet worden opgetreden. Maar bij het bepalen van de bandbreedtes waarbinnen gestraft kan worden, moet de wetgever voldoende ruimte laten aan de rechter om in individuele gevallen maatwerk te leveren. Dit wetsvoorstel perkt de beoordelingsvrijheid van de rechter en de officier van justitie verder in. Het bestaande taakstrafverbod heeft betrekking op zwaardere gevallen van mishandeling. Door dit uit te breiden naar de lichtste vormen kan de bestraffing in sommige gevallen disproportioneel zijn. Ook kan de bestraffing minder effectief zijn, omdat de rechter niet de straf kan opleggen die het beste past bij de strafdoelen, waaronder het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarom adviseert de Afdeling advisering het taakstrafverbod niet uit te breiden.
Een beperkte uitzondering bij lichte recidive
De rechter krijgt met het wetsvoorstel de mogelijkheid om bij lichte recidive een uitzondering te maken op het taakstrafverbod als het opleggen van een gevangenisstraf niet gepast is. De Afdeling advisering vraagt of het behoud van het taakstrafverbod bij lichte recidive noodzakelijk en wenselijk is. Zij geeft de regering in overweging dit onderdeel van het taakstrafverbod te schrappen.
Conclusie
De Afdeling advisering adviseert de regering om het wetsvoorstel niet bij de Tweede Kamer in te dienen, tenzij het is aangepast.
Bron: Raad van State
Medio 2025 kondigde DJI aan het toegangsbeleid met betrekking tot het meenemen van apparaten door advocaten naar rijksinrichtingen, zoals penitentiaire inrichtingen en tbs-klinieken, aan te willen scherpen van ‘ja, tenzij’ naar ‘nee, tenzij’. Het weigeren van alle devices – zoals een laptop, telefoon of harde schijf – zou volgens DJI voortgezet crimineel handelen en smokkelwaar in gevangenissen moeten tegengaan. In reactie hierop wees de NOvA op de onwerkbare beperking van de goede beroepsuitoefening voor advocaten, in het belang van de rechtsbescherming van hun (gedetineerde) cliënten.
Op aandringen van de NOvA ging afgelopen najaar de beoogde ‘nee, tenzij’-regel al van tafel. Wel bleef het voornemen van DJI overeind om de insteek ‘ja, tenzij’ te beperken tot één device. Na constructief overleg met de NOvA heeft DJI nu toegezegd dat advocaten twee devices mogen meenemen.
Bron: NOvA
Bij een vereenvoudigde afdoening erkent een beboete partij de feiten uit het besluit en accepteert zij de boete, zonder bezwaar of beroep. De AFM volstaat dan met een verkort boetebesluit en past een verlaging van 15% op het boetebedrag toe. De procedure zorgt voor efficiency voor beide partijen. In plaats van een erkenning van de overtreding, volstaat erkenning van de feiten voor vereenvoudigde afdoening. Dit sluit beter aan bij de praktijk.
Bron: AFM
Bij de Wet invoering tweestatusstelsel, de Asielnoodmaatregelenwet en het voorstel om illegaliteit strafbaar te stellen is geen kinderrechtentoets uitgevoerd. Dat is volgens Kalverboer in strijd met het VN-Kinderrechtenverdrag. Eerdere adviezen van de Kinderombudsman en de Inspectie Justitie en Veiligheid om zo’n toets te doen, nam toenmalig minister Van Weel niet over. De wetten zouden volgens hem niet over kinderen gaan en een toets zou voor vertraging zorgen.
De ombudsmannen vrezen dat de nieuwe wetten zullen leiden tot nog langere wachttijden in de asielketen. Asielzoekers wachten nu gemiddeld twee jaar op een tweede gesprek bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Daar komt bovenop dat de IND na invoering van het Migratiepact het grootste deel van haar capaciteit wil inzetten op nieuwe aanvragen. Daardoor dreigen ruim 50.000 mensen die al jarenlang in Nederland wachten, nog langer in onzekerheid te blijven. Tegelijk schaft de Asielnoodmaatregelenwet de dwangsommen af die de overheid aansporen tijdig te beslissen.
Veel maatregelen uit de nieuwe asielwetten keren terug in het Europese Asiel- en Migratiepact dat 12 juni in werking treedt. Volgens Van Zutphen zorgt het haastig invoeren van de nieuwe asielwetten voor extra druk op uitvoeringsorganisaties, terwijl onderdelen binnen enkele maanden alweer worden overschreven door het Migratiepact.
Vorig jaar was de ombudsman al kritisch op wetsvoorstellen die eerder voor de bühne dan voor de burger zijn. De asielmaatregelen spannen volgens hem de kroon, omdat vooraf duidelijk is dat ze niet uitvoerbaar zijn. De ombudsmannen spreken over een chaotisch en haastig wetgevingsproces.
Bron: nationaleombudsman.nl
In het wetsvoorstel staat dat er een algemeen verbod komt op gezichtsbedekkende kleding tijdens of direct na een demonstratie. Wie zich hier niet aan houdt, kan een straf krijgen van maximaal twee maanden gevangenis of een boete tot 5.500 euro. Alleen in bijzondere gevallen mag gezichtsbedekking wel, bijvoorbeeld voor veiligheid of vanwege belangrijke persoonlijke redenen. NOvA benadrukt dat het demonstratierecht een grondrecht is, beschermd door art. 9 van de Grondwet en art. 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Beperkingen zijn alleen toegestaan als zij noodzakelijk zijn in een democratische samenleving, berusten op een dringende maatschappelijke noodzaak en proportioneel zijn. Het voorstel laat bovendien relevante jurisprudentie grotendeels buiten beschouwing. De aanpassing van de regelgeving lijkt niet alleen onnodig, maar ook weinig doeltreffend. Het wetsvoorstel brengt de volgende risico’s met zich mee:
- Uitholling van het demonstratierecht door een algemeen verbod dat onvoldoende ruimte laat voor individuele belangenafweging.
- Spanning met internationale mensenrechtennormen, waaronder vaste Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)‑jurisprudentie dat juist waarschuwt tegen algemene verboden op gezichtsbedekking bij vreedzame demonstraties.
- Oneigenlijk gebruik van strafrecht, want strafrechtelijke handhaving bij vreedzame betogingen vereist bijzondere terughoudendheid.
- Risico op willekeur en rechtsongelijkheid bij de toepassing van uitzonderingen.
- Negatieve uitvoeringsconsequenties, denk aan extra druk op politie, OM, rechtspraak en advocatuur. Terwijl uitvoerende partijen al aangeven dat het verbod moeilijk handhaafbaar en mogelijk escalerend is.
Advies Wijziging van de Wet openbare manifestaties in verband met de strafbaarstelling van het dragen van gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties
Bron: www.advocatenorde.nl