Artikelen van Redactie

Nieuws
Reservistenzaak niet-ontvankelijk verklaard wegens niet uitputten nationale rechtsmiddelen

Deze zaak betreft de klacht over de praktijk bij de Hoge Raad der Nederlanden waarbij rechters van de strafkamer die geen deel uitmaken van de zetel waaraan de zaak is toegewezen, als zogenoemde ‘reservisten’ kunnen deelnemen aan de beraadslagingen zonder deel te nemen aan de stemming. Dit gebeurt met het oog op een uniforme uitleg en toepassing van het recht. Klaagster voerde aan dat deze praktijk onverenigbaar is met artikel 6 (recht op een eerlijk proces) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name omdat op deze manier geen recht gesproken wordt door een ‘court established by law’, nu deze praktijk geen grondslag vindt in de wet.

Op 21 januari 2026 hield de Grote Kamer van het EHRM een openbare hoorzitting in deze zaak (https://www.echr.coe.int/w/kuijt-v.-the-netherlands-no.-19365/19-).

In haar uitspraak van 23 september 2026 verklaart het Hof de klacht niet ontvankelijk omdat klaagster niet alle nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput.

De Staat heeft dat argument aangevoerd en daarbij beargumenteerd dat de Hoge Raad niet in de gelegenheid is geweest om een oordeel over de klacht te geven en dat klaagster daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 35, lid 1 EVRM. Klaagster stelde daar tegenover dat er geen rechtsmiddel bestaat om bij de Hoge Raad te klagen over de werkwijze van de Hoge Raad zelf en dat zij daarom haar toevlucht heeft gezocht bij de wrakingskamer van de Hoge Raad.

Het EHRM beoordeelde dit middel van de Staat als volgt.

Het EHRM merkt op dat de wrakingskamer van de Hoge Raad, binnen haar mandaat, zorgvuldig heeft onderzocht of het beginsel van onpartijdigheid is geschonden en daarbij gemotiveerd tot de conclusie is gekomen dat dit niet het geval is. Daarmee heeft klaagster wat dit aspect van de klacht betreft gebruik gemaakt van een relevante rechtsgang maar is dat onderdeel van de klacht kennelijk ongegrond. 

De andere onderdelen van de klacht, namelijk dat de rechters die de uitspraak doen niet kunnen worden beschouwd als onafhankelijk en dat de rechtsprekende formatie niet voldoet aan het vereiste volgend uit artikel 6 EVRM dat recht moet worden gesproken door een ‘bij wet vastgesteld’ college konden niet door de wrakingskamer worden beoordeeld aangezien deze kwesties buiten haar bevoegdheid liggen. Deze aspecten hadden aan de Hoge Raad voorgelegd moeten worden in het hoofdgeding van de cassatieprocedure.

Voorafgaand aan de beoordeling van deze klachten benadrukt het EHRM het belang van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die samen met de onpartijdigheid van rechters van essentieel belang is voor het behoud van het vertrouwen van het publiek in rechtspraak en die een noodzakelijke voorwaarde zijn om de beginselen van gedeelde verantwoordelijkheid en subsidiariteit te waarborgen. Dit is van fundamenteel belang voor het systeem van het EVRM.

In reactie op het betoog van klaagster dat de door de wrakingskamer gesuggereerde rechtsgang geen grondslag vindt in de wet en dat er dus procedurele belemmeringen aan in de weg stonden, oordeelde het Hof dat het aan de Hoge Raad zou zijn geweest om hierop in te gaan. Gelet op de rechtstreekse werking van het Verdrag in het Nederlandse recht en de eerder getoonde bereidheid van de Hoge Raad om acht te slaan op argumenten die zijn gebaseerd op beginselen van het Verdrag, aanvaardt het Hof dat er – althans in theorie – op nationaal niveau een doeltreffende rechtsgang bestaat. Ook al is er geen concreet voorbeeld van de door de wrakingskamer bedoelde rechtsgang brengt dit toch mee dat de Hoge Raad nooit de gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van en te oordelen over de argumenten die verzoekster nu voor het Europees Hof heeft aangevoerd. Dit is geen bevredigende situatie aldus het Hof, met name omdat de klacht betrekking heeft op een alom bekende en langdurige praktijk die door de Hoge Raad wordt gehanteerd om ​​uniforme rechtstoepassing te waarborgen. Nu de Hoge Raad in een latere, hier niet mee in verband staande, uitspraak heeft laten zien in staat en bereid te zijn om zijn eigen praktijk te toetsen aan internationale mensenrechtenverdragen acht het Hof het des te belangrijker dat de Hoge Raad de gelegenheid had moeten krijgen om de klachten over die praktijk, die nu voor het EHRM zijn ingebracht, te beoordelen en daarop te reageren.

In het licht daarvan is het Hof tot de conclusie gekomen dat er voor klaagster op nationaal niveau een rechtsgang openstond, maar dat zij daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Het Hof heeft de klacht daarom bij meerderheid van stemmen niet-ontvankelijk verklaard. Tegelijkertijd benadrukt het Hof dat de ernstige zorgen die aan de klacht ten grondslag liggen, een zorgvuldige beoordeling door de Hoge Raad verdienen.

Bron: ECHR

23 september 2026
Nieuws
Uitspraak EHRM in ‘reservisten’ zaak op 23 september

De door mr. W. Jebbink in april 2019 bij het EHRM ingediende klacht (Kuijt tegen Nederland, nr. 19365/19) bij het EHRM heeft betrekking op schending van artikel 6 lid 1 EVRM en betreft de praktijk bij de Hoge Raad om bij het debat in raadkamer niet alleen de zetel, maar ook de andere leden van de kamer, en in voorkomende gevallen ook leden van andere kamers, in de beraadslaging te betrekken. Blijkens het Protocol deelname aan behandeling en beraadslaging van 28 augustus 2017 beraadslagen deze zogenoemde ‘reservisten’ mee met het oog op het bewaken van de rechtseenheid.

De klacht houdt in, dat de inschakeling van deze ‘reservisten’ in strijd komt met verschillende aspecten van artikel 6 lid 1 van het EVRM. Niet alleen is hun aandeel in de berechting niet ‘established by law’, aangezien artikel 75 lid 3 RO spreekt over een zetel van drie of vijf raadsheren en het protocol enige basis in wet- of regelgeving ontbeert. Ook is sprake van een gebrek aan (interne) onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de zetel en van de reservisten.

Op 21 januari 2026 vond een hoorzitting van de Grote Kamer van het EHRM  plaats over deze zaak. (https://www.echr.coe.int/w/kuijt-v.-the-netherlands-no.-19365/19-)

Op 23 september wordt de livestream van de uitspraak uitgezonden op het YouTube kanaal van het EHRM: European Court of Human Rights - YouTube

 

 

Bron: ECHR

17 september 2026
Nieuws
Raad van State: geen bestuursrechter voor geschillen over consulaire bijstand uit Gaza

De zaken betroffen twee studenten uit Gaza die waren toegelaten tot een masteropleiding aan een Nederlandse universiteit. Voor hen bestond geen bezwaar tegen afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), waarmee zij naar Nederland konden reizen. Om het visum op te halen, moesten zij zich melden bij de Nederlandse ambassade in Amman, Jordanië. Volgens de studenten was het echter onmogelijk om zonder hulp van de Nederlandse overheid de grens van Gaza te passeren.

Daarom verzochten zij de minister van Buitenlandse Zaken om consulaire bijstand. De minister wees dit verzoek af. De Raad van State stelt vast dat de wet de minister geen specifieke bevoegdheid geeft om dergelijke bijstand te verlenen. Omdat er geen wettelijke grondslag bestaat en de overheid deze taak ook niet expliciet op zich heeft genomen, is de weigering geen besluit in de zin van het bestuursrecht.

De Afdeling benadrukt dat de studenten daarmee niet zonder rechtsbescherming staan. Zij kunnen de rechtmatigheid van de weigering laten toetsen door de burgerlijke rechter.

De uitspraken betekenen dat de bestuursrechter niet bevoegd is om inhoudelijk te oordelen over verzoeken om consulaire bijstand in vergelijkbare situaties. Daarom heeft de Raad van State zich niet uitgesproken over de vraag of de minister de studenten had moeten helpen Gaza te verlaten.

Voor de betrokken studenten heeft de uitspraak overigens geen praktische gevolgen. Op basis van twee voorlopige uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak in maart 2026 konden zij Gaza al verlaten en inmiddels naar Nederland reizen. In die spoedprocedures had de rechter, op grond van een belangenafweging, bepaald dat de minister zich moest inspannen om hun vertrek uit Gaza mogelijk te maken.

Bron: Raad van State

9 september 2026
Nieuws
AI in scriptie is niet altijd fraude

Het gaat om drie zaken: een student van de Rijksuniversiteit Groningen had ChatGPT gebruikt om zijn bestaande bronnenlijst opnieuw te ordenen. Daarbij ontstonden fouten en vermeende AI-hallucinaties. Hij kon echter aantonen dat de oorspronkelijke literatuurlijst wel correct was, de inhoud van zijn scriptie niet door AI was geschreven en de bronnen waarnaar in de tekst werd verwezen daadwerkelijk bestonden. De Raad van State controleerde dit zelf via eenvoudige zoekopdrachten en vond de betreffende bronnen terug. Daardoor werd de verklaring van de student geloofwaardig. De rechter concludeerde dat sprake was van een slordige fout, niet van fraude.

Bij de tweede zaak lag dat anders. Deze studente had AI gebruikt om de volledige bronnenlijst te genereren. Daarbij ontstonden verzonnen bronnen. Bovendien had de opleiding duidelijke AI-regels, moest een AI-verklaring met prompts worden ingeleverd en ontbrak die verklaring of was deze onvolledig. Volgens de Raad van State is een literatuurlijst een volwaardig onderdeel van het academische werk. Omdat de studente AI had ingezet om dat onderdeel te creëren en daarbij ook de verplichte verantwoording niet had gegeven, bleef de fraudevaststelling overeind.

In de derde zaak ontkende de studente juist dat zij AI had gebruikt. De examencommissie wees op verschillende fouten die sterk leken op AI-hallucinaties. Zij voerde aan dat zij onder tijdsdruk werkte, haar internetverbinding slecht was, zij dyslexie heeft en fouten voortkwamen uit aantekeningen. De Raad van State onderzocht haar aangeleverde aantekeningen, maar vond daarin geen overtuigende verklaring voor de gemaakte fouten. Hoewel er geen direct bewijs van AI-gebruik was, vond de rechter dat fraude de meest aannemelijke verklaring was.

7 september 2026