Artikelen van Redactie
Het Parlementsonderzoek 2025 laat zien dat Tweede Kamerleden niet zozeer gebrek aan informatie ervaren, maar juist een overvloed die moeilijk te verwerken is. Uit gesprekken met 58 Kamerleden blijkt dat zij over vele en velerlei bronnen van informatie beschikken. Veruit het meest intensief wordt voor het Kamerwerk informatie van zowel media als van fractieondersteuning gebruikt. Kamerleden volgen kranten, radio, televisie en sociale media vaak om zicht te houden op maatschappelijke signalen en politieke actualiteit. De eigen fractieondersteuning fungeert daarbij als het cruciale filter: fractiemedewerkers selecteren, ordenen en duiden informatie, zodat deze meer overzichtelijk en politiek hanteerbaar wordt. Opvallend is dat de diensten van de Tweede Kamer, zoals de griffie, het Bureau Wetgeving en de Dienst Analyse en Onderzoek, beduidend minder vaak worden geraadpleegd. Kamerleden geven aan dat deze diensten naar hun mening (te) terughoudend opereren en dat hun adviezen soms te voorzichtig geformuleerd zijn om politiek bruikbaar te zijn. De hoeveelheid informatie leidt tot tijdsdruk: Kamerleden besteden gemiddeld ruim 60 uur per week aan hun werk, en vooral kleinere fracties geven aan niet genoeg tijd te hebben om alle stukken te lezen. Het gevolg kan zijn dat essentiële signalen verloren dreigen te gaan en parlementaire controle minder effectief wordt uitgeoefend.
Versterking informatiepositie Tweede Kamer
De voor het Parlementsonderzoek 2025 ondervraagde Kamerleden dragen meerdere suggesties aan om de informatiepositie van de Tweede Kamer structureel te versterken:
- Verminderen en (beter) structureren van de informatiestroom: kortere, bondigere Kamerstukken en systematische samenvattingen met duiding;
- Verbeteren digitale infrastructuur: gebruiksvriendelijkere databases en veilige AI-toepassingen voor ordening en ontsluiting van informatie;
- Meer en beter gedeelde werkbezoeken: intensievere en gezamenlijke werkbezoeken, met structurele verslaglegging om praktijkkennis beter en breder te benutten;
- Versterken ondersteuning: uitbreiding van persoonlijke en fractieondersteuning en versterking van Kamerdiensten als actieve informatiemakelaars;
- Betere timing en gelijke toegang tot informatie: eerder aanleveren van stukken en werken aan een gezamenlijke, partij-overstijgende feitenbasis;
- Directere toegang tot ambtenaren: contacten met ambtenaren zonder tussenkomst van een minister of staatssecretaris makkelijker maken.
De Commissie onderzoekt of X:
- de systemische risico’s van Grok goed heeft beoordeeld en beperkt;
- een verplichte risicobeoordeling heeft opgesteld vóór de lancering van Grok-functionaliteiten;
- voldoende maatregelen heeft genomen tegen de verspreiding van illegale inhoud, waaronder gemanipuleerde seksueel expliciete beelden en mogelijk materiaal inzake seksueel misbruik van kinderen;
- verantwoordelijk omgaat met risico’s rond gendergerelateerd geweld en mogelijke schade aan het welzijn van gebruikers.
Daarnaast wordt een eerder lopend onderzoek uit 2023 uitgebreid, met name rond:
- het aanbevelingssysteem (dat nu Grok-technologie gebruikt);
- meld- en actiemechanismen voor illegale inhoud;
- transparantie rond advertenties’;
- misleidend ontwerp en data‑toegang voor onderzoekers.
X kreeg in december 2025 al een boete van € 120 miljoen voor eerdere overtredingen. De Commissie verzamelt verder bewijs en kan maatregelen nemen als X geen passende aanpassingen doorvoert. Nationale toezichthouders worden tijdelijk ontlast van hun handhavingstaken voor deze zaak. Onder de DSA is X een zogenoemd groot onlineplatform, dat daarmee extra verantwoordelijkheid heeft om de verspreiding van illegale beelden tegen te gaan. Ook moet het platform de fundamentele rechten van minderjarigen beschermen.
Bron: www.ec.europa.eu
De Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld moet zorgen voor betere bescherming van slachtoffers in alle EU-landen. Het Nederlandse wetsvoorstel sluit aan bij de Europese richtlijn. Veel artikelen zijn al onderdeel van de geldende wetgeving. Er worden enkele nieuwe strafbepalingen toegevoegd, onder meer over cyberintimidatie en gedwongen genitale verminking, en er komt meer aandacht voor slachtofferondersteuning. Twee onderdelen vragen echter om aandacht.
Toegang tot het recht te beperkt
De NOvA maakt zich vooral zorgen over de toegang tot het recht voor slachtoffers in de vroege fase van het strafproces. Zij zouden al vanaf de aangifte moeten worden bijgestaan door een advocaat. In de praktijk blijkt echter dat veel slachtoffers geen recht hebben op gefinancierde rechtsbijstand. Dit geldt namelijk alleen voor slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Slachtoffers van bijvoorbeeld stalking of mishandeling vallen daar niet onder. Zij krijgen daardoor geen vergoeding voor een advocaat op het moment dat ze die juist nodig hebben. Zorgelijk, vindt de NOvA, omdat deze kwetsbare groep vaak geen beschikking heeft over eigen financiële middelen. Een tijdelijke adviestoevoeging, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel, biedt slechts beperkte ondersteuning. Die vergoeding is laag, en advocaten kunnen geen reistijd declareren. Ook geldt de toevoeging meestal pas vanaf de aangifte, terwijl slachtoffers juist daarvoor al behoefte hebben aan advies. De NOvA pleit er daarom voor dat de Nederlandse regelgeving wordt uitgebreid, zoals de EU-richtlijn aanbeveelt. Op die manier hebben slachtoffers eerder en vaker recht op gefinancierde rechtsbijstand.
Cyberintimidatie
Daarnaast is de NOvA kritisch over de manier waarop de strafbaarstelling van cyberintimidatie wordt gedefinieerd in het Nederlandse wetsvoorstel. De Europese richtlijn schrijft voor dat online bedreiging en belediging strafbaar zijn wanneer deze waarschijnlijk ernstige psychische schade veroorzaken. In de Nederlandse uitwerking is de formulering ruimer. Dat kan leiden tot onnodige onduidelijkheid in de rechtspraktijk. De NOvA adviseert daarom om de tekst van de Europese richtlijn letterlijk over te nemen.
Wetgevingsadvies: EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
Bron: www.advocatenorde.nl
Doel van het onderzoek was om inzicht te geven in de kenmerken en motieven van verdachten/daders van agressie en geweld tegen politie, boa's, brandweer en ambulance. In het onderzoek is aandacht geweest voor het verloop van agressie- en geweldsincidenten. Ten opzichte van de Nederlandse bevolking zijn mannen tussen 18 en 29 jaar sterk oververtegenwoordigd in de groep verdachten/daders. Incidenten met 50-plussers komen minder vaak voor. De sociaaleconomische positie van verdachten/daders is meestal kwetsbaar. Ongeveer 30% van de groep is in de afgelopen vijf jaar geregistreerd vanwege zogeheten onbegrepen gedrag. De motieven voor agressie en geweld lopen uiteen, maar expressief of emotioneel geweld (zoals frustratie, machteloosheid en ervaren onrecht) komen vaak voor. De groep verdachten/daders heeft verder echter diverse en wisselende kenmerken, achtergronden en motieven. Daarom is het niet mogelijk om eenduidige daderprofielen te onderscheiden. Daarbij is het voor het begrijpen van agressie en geweld richting hulpverleners van belang te kijken naar de samenhang met personen (zowel verdachte als slachtoffer), gedrag en context.
Effectieve aanpak
Voor een effectieve aanpak is het onvoldoende om enkel op daderprofielen te focussen. Het onderzoek laat zien dat agressie en geweld tegen hulpverleners voorkomt uit een combinatie van factoren, zoals hierboven omschreven. Dat betekent dat het essentieel is om triggers te herkennen, risicobewust en situatiebewust op te treden en passend te communiceren. Dat werkt preventief en de-escalerend. Situatiegerichte periodieke trainingen, ook wat betreft de inzet van de-escalerend optreden, en samenwerking met ondersteunende partijen (zoals de politie dat is voor boa’s, brandweer en ambulance) zijn daarbij belangrijk. Tot slot constateren de onderzoekers dat er op dit moment al veel inzichten zijn verzameld over agressie en geweld tegen hulpverleners. Tegelijkertijd vraagt het echt verbeteren van de aanpak ervan naast kennis ook gerichte actie. De onderzoekers doen dan ook een oproep aan overheid, werkgevers en hulpverleners om verworven kennis beter te benutten in de praktijk.
Meer dan de dader - Samenhangende inzichten over agressie en geweld tegen hulpverleners
Bron: www.wodc.nl
Johanna Kuijt werd in 2015 veroordeeld voor onder meer het verstoren van een gemeenteraadsvergadering. Het gerechtshof legde haar in 2016 een gevangenisstraf van twee weken op. Zij stelde cassatieberoep in. Haar advocaat vroeg de Hoge Raad om de namen van de rechters die haar zaak zouden behandelen. De namen van de drie rechters die de zittingscombinatie vormden, werden verstrekt. Vervolgens vroeg de advocaat of reservisten aan de beraadslagingen over haar zaak zouden deelnemen. De griffie verwees naar het Protocol inzake deelname aan de behandeling en beraadslagingen bij de Hoge Raad waarin staat dat reservisten aan de beraadslagingen van zaken kunnen deelnemen. Zie ook: EHRM verklaart klacht over ‘reservisten’ bij de Hoge Raad ontvankelijk
Wraking
De verzoekster heeft wraking verzocht van de drie aan haar zaak toegewezen rechters en van de overige rechters van de strafkamer van de Hoge Raad. Zij stelde dat zij geen berechting zou krijgen door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld, in strijd met art. 6 lid 1 (recht op een eerlijk proces) EVRM, aangezien een of meer reservisten aan de beraadslagingen zouden kunnen deelnemen. Op 21 december 2018 wees de wrakingskamer van de Hoge Raad het verzoek af. (ECLI:NL:HR:2018:2397). Met betrekking tot de rol van reservisten verwees de wrakingskamer naar art. 75 van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarin staat dat meervoudige kamers zaken behandelen en beslissen in een samenstelling van drie of vijf rechters, en oordeelde dat de overige rechters van de kamer niet verantwoordelijk zijn voor de behandeling en beslissing van de zaak. Ook verwees hij naar art. 1.2 van het Protocol, waarin staat dat reservisten aan de beraadslagingen mogen deelnemen om de rechtseenheid binnen de kamer te waarborgen. Verder wees hij op het belang van consistente rechtspraak op het niveau van de Hoge Raad voor het vertrouwen in het rechtssysteem en voor de rechtszekerheid - beide fundamentele aspecten van de rechtsstaat. Hij handhaafde dat alleen de drie of vijf rechters die zijn benoemd voor de zaak, de zaak behandelen en beslissen. Op 8 januari 2019 heeft de Hoge Raad het hoger beroep van verzoekster op juridische gronden verworpen (ECLI:NL:HR:2019:15).
De hoorzitting is hier terug te kijken.
Bron: www.hudoc.echr.coe.int
Het CPB onderzocht in welke mate Nederlandse huishoudens financieel bestand zijn tegen een mogelijke inkomensdaling door baanverlies of arbeidsongeschiktheid van de hoofdkostwinner. Daarbij is rekening gehouden met bestaande financiële buffers van zelfstandigen en werknemers, het huidige socialezekerheidsstelsel en een mogelijke publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Zonder inkomensschok heeft 93% van alle huishoudens voldoende middelen om hun vaste en noodzakelijke uitgaven twee jaar of langer te blijven betalen. Veel huishoudens kunnen een inkomensschok langere tijd opvangen. Voor werknemers geldt dit bij baanverlies voor 82% en bij arbeidsongeschiktheid voor 91%.
Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Voor zelfstandigen bekeek het CPB twee varianten. Zonder verzekering kan 70% van de zelfstandigen de vaste en noodzakelijke kosten na een inkomensschok door arbeidsongeschiktheid ten minste twee jaar lang blijven betalen. Bij een publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering met een wachttijd van een jaar neemt dit toe naar 75% van de zelfstandigen. Daar staat tegenover dat een aanzienlijk deel (15,4%) van de Nederlandse ondernemers de vaste en noodzakelijke uitgaven slechts enkele maanden blijkt te kunnen blijven betalen na een inkomensschok. Naast zelfstandigen zijn ook jongeren, huurders en alleenverdieners kwetsbare groepen. Zij hebben lagere inkomens, kleinere buffers en besteden een relatief groot deel van hun inkomen aan vaste en noodzakelijke uitgaven. Hierdoor raken hun financiële reserves sneller uitgeput na een schok. Bovendien hebben jongeren vaak minder WW- en WIA-rechten en vermogens opgebouwd.
Stresstest baanverlies en arbeidsongeschiktheid van werknemers en zelfstandigen
Bron: www.cpb.nl
De Hoge Raad gaat in zijn uitspraak in op de motiveringseisen voor de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zowel in de situatie dat er sprake is van een toegewezen vordering van de benadeelde partij als wanneer dat niet het geval is. Uit de motivering zal in ieder geval moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij buiten haar medeweten heeft gedrogeerd door het toedienen van GHB en dat hij, toen zij als gevolg daarvan in een toestand van bewusteloosheid verkeerde, zich vervolgens schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat ten tijde van het feit zestien jaar oud was, en dat dit buitengewoon vernederend en traumatisch voor haar moet zijn geweest. Het hof heeft kennelijk vervolgens geoordeeld dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door dit bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer is toegebracht. Het impliciete oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen als bedoeld in de wet (art. 6:106, aanhef en onder b, BW) vindt de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.
Bron: Post Hoge Raad LinkedIn
De Raad voor Cultuur ontving afgelopen jaren signalen van makers en instellingen dat hun werk steeds vaker onderwerp van scherp debat wordt. Zij ervaren dat de druk op artistieke vrijheid toeneemt, variërend van discussies over programmering tot intimidatie en bedreiging. De raad noemt dat een zorgelijke ontwikkeling die niet uniek is voor de kunsten, maar ook zichtbaar is in andere maatschappelijke domeinen zoals de rechtspraak, de journalistiek en de wetenschap. Hoewel veel waarborgen zijn vastgelegd in wetgeving en internationale verdragen, is ook het handelen van volksvertegenwoordigers en bestuurders van groot belang. De raad benadrukt het belang van terughoudendheid van de overheid om een inhoudelijk oordeel over kunstuitingen te geven, omdat dit de maatschappelijke druk op makers vergroot. De raad stelt onder meer handelingsperspectieven voor politiek, bestuur en overheid voor:
- Verdedig het publieke belang van de kunst en veranker het Thorbecke-adagium. Politiek en overheid dienen actief uit te dragen dat iedereen in Nederland volgens de Grondwet vrij is om elkaar verhalen te vertellen en kennis te nemen van andere perspectieven. Het is echter niet aan de politiek om zich een inhoudelijk oordeel aan te meten over de kwaliteit van artistieke uitingen. Om dit alles steviger te waarborgen, vindt de raad dat het Thorbecke-adagium in de wet verankerd moet worden, bijvoorbeeld in de Wet op het specifiek cultuurbeleid.
- Wees terughoudend met aanvullende subsidie-eisen, los van artistieke of inhoudelijke kwaliteit. Wanneer de politiek toch extra eisen wil opleggen, is het van belang dat zij transparant is over de reden waarom zij die aanvullende eisen stelt.
- Verbreed het kunstbegrip. Een breed kunstbegrip en daarmee verruiming van het spectrum aan kunstuitingen die ondersteuning behoeven, zoals eerder voorgesteld in het besteladvies Toegang tot Cultuur, kan bijdragen aan de emancipatie en diversifiëring van makers en publieksgroepen en aan een groter draagvlak voor kunst.
- Versterk en verbeter het kunstonderwijs op school en koppel het aan burgerschapsvorming. De rol van kunstonderwijs moet breder en fundamenteler zijn dan kinderen alleen te laten kennismaken met kunst en cultuur. Het gegeven dat kunst en cultuur een wezenlijk onderdeel vormen van onze democratische samenleving is een reden om kunstonderwijs stevig te koppelen aan burgerschapsonderwijs.
- Verbeter de bescherming door de overheid tegen maatschappelijke druk. De overheid dient veiligheidsvragen van culturele instellingen serieus te nemen. Het helpt daarbij als de lijnen tussen instellingen en bijvoorbeeld de burgemeester kort zijn. In het verlengde daarvan zou de strafmaat voor het bedreigen van kunstenaars kunnen worden verhoogd. Verder adviseert de raad dat de overheid de digitale platforms zowel nationaal als in Europees verband stevig aanspreekt op hun verantwoordelijkheid jegens de vrijheid van kunst. Tot slot adviseert de raad een beschermingsfonds in te stellen. Dat fonds zou er moeten zijn voor onder andere instellingen, makers, ontwerpers en kunstenaars, maar ook voor medewerkers van kunstinstellingen, zoals bijvoorbeeld curatoren en programmeurs.
Maken (z)onder druk - Artistieke vrijheid als democratisch fundament
Bron: www.raadvoorcultuur.nl
De zaak draait om de rente die bedrijven moeten betalen als ze vennootschapsbelasting later betalen, bijvoorbeeld als ze te laat belastingaangifte hebben gedaan. In 2022 ging die rente omhoog naar 8%, terwijl deze rente bij andere soorten belastingen niet steeg. Vanwege de gevolgen die zijn uitspraak kan hebben voor anderen dan de partijen in deze procedure heeft de Hoge Raad ook andere bedrijven en organisaties de gelegenheid gegeven hun zienswijzen in te brengen. A-G Koopman adviseerde de Hoge Raad op 1 oktober 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1044) om de verhoging naar 8% onverbindend te verklaren.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de regel van het Bbi waarin de hoogte van het belastingrentepercentage is geregeld, binnen de ruimte blijft die de wetgever met de algemeen geformuleerde delegatiebepaling in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen aan de besluitgever heeft geboden. De besluitgever is dan ook binnen de aan hem gedelegeerde regelbevoegdheid gebleven. Verder biedt de delegatiebepaling geen grond om aan te nemen dat de besluitgever het rentepercentage niet hoger mag vaststellen dan het door de Staat geleden rentenadeel. Ook stelt de Hoge Raad voorop dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het Bbi een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als een wet in formele zin en dat de belastingrechter daarom kan en mag toetsen of een bepaling uit het Bbi in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.
Zorgvuldige voorbereiding en motivering
Bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan het beginsel van zorgvuldige besluitvorming en het beginsel van een deugdelijke motivering geldt het volgende, aldus de Hoge Raad. Indien het gaat om een fiscaal voorschrift dat een lastenverzwaring inhoudt, moet de belastingrechter bij de toetsing aan deze beginselen in de eerste plaats onderzoeken of de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. In dit geval moet worden aangenomen dat de belangen van de betrokken vennootschapsbelastingplichtigen kenbaar zijn meegewogen. Bij de totstandkoming van de regeling in het Bbi is namelijk opgemerkt dat het kabinet begrip heeft voor het feit dat de verhoging van de rentepercentages door betrokken belastingplichtigen veelal als lastenverzwaring zal worden beleefd en dat het dan ook goed begrijpt dat het voorstel niet door iedereen als wenselijk wordt ervaren. Niettemin is het kabinet van mening dat verhoging van het belastingrentepercentage gerechtvaardigd is. De rechtbank is dan ook terecht ervan uitgegaan dat de verhoging van de belastingrente zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.
Evenredigheidsbeginsel
De rechtbank heeft het hogere belastingrentepercentage daarom terecht getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt als criterium gehanteerd dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende regel worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van de regel beoordelen. Indien bij de totstandkoming van een regeling politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt, zoals bij de regeling van het verhoogde belastingrentepercentage, moet die toetsing inhoudelijk terughoudend zijn, aldus de Hoge Raad.Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat met de verhoging van het belastingrentepercentage een budgettair doel wordt gediend. De Hoge Raad heeft niet een ander doel daarvoor kunnen identificeren dat gewicht in de schaal kan leggen bij de beoordeling van de evenredigheid van dat hogere percentage specifiek voor de vennootschapsbelasting. Een lastenverzwaring die geheel of overwegend op budgettaire motieven berust, komt in strijd met het evenredigheidsbeginsel als die hogere lasten zonder goede grond slechts bij één groep belastingplichtigen worden gelegd. Die groep wordt dan onevenredig getroffen. Het evenredigheidsbeginsel loopt in zoverre parallel met het gelijkheidsbeginsel. In dit geval moet daarom – met de nodige terughoudendheid – worden onderzocht of de besluitgever zonder goede grond de belastingrente alleen bij belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting heeft verhoogd tot 8%. Hierbij geldt dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen met het oog op de berekening van belastingrente moeten worden beschouwd als gelijke gevallen. De Hoge Raad heeft geen gronden kunnen vinden die het hogere belastingrentepercentage voor alleen de vennootschapsbelasting zouden kunnen rechtvaardigen. Voor de selectieve renteverhoging voor vennootschapsbelastingplichtigen ontbreken dus redelijke rechtvaardigingsgronden, aldus de Hoge Raad. Met de verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting is een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen worden gelegd. Daarom is de desbetreffende bepaling van het Bbi in strijd met het evenredigheidsbeginsel en met het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond.
Massaal bezwaar
Het Ministerie van Financiën meldt dat de teller van het aantal bezwaren inmiddels op 29.500 staat. Eerder berekende Financiën dat een uitspraak in het voordeel van de bezwaarmakers een tegenvaller van zeker € 1,3 miljard voor de schatkist zou betekenen, maar dat bedrag zal door de extra bezwaren hoger uitvallen. De Staatssecretaris van Financiën wees in 2025 alle klachten over de aan als massaal bezwaar.
Bronnen: www.hogeraad.nl en ©ANP