Artikelen van Redactie
Kan psychische mishandeling zelfstandig – dus zonder fysiek aspect of gevolg – strafbaar zijn als mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht? Deze vraag staat centraal in een zaak waarin advocaat-generaal Van Kempen concludeert dat dit onder het huidige recht niet kan.
De zaak
De verdachte wordt verweten dat zij haar kind heeft mishandeld, zowel fysiek als psychisch. Het Openbaar Ministerie heeft haar vervolgd voor mishandeling in de zin van artikel 300 WvSr, meermalen gepleegd. Het hof heeft bewezen verklaard dat zij haar zoon meermalen een klap heeft gegeven en heeft gedreigd hem van een balkon te gooien. Het hof sprak vrij van mishandeling voor zover deze zou hebben bestaan uit de jongen onder een koude douche zetten, hem onder dwang geruime tijd op een krukje zetten zonder eten en drinken, hem geruime tijd alleen in de auto achterlaten zonder eten en drinken en hem kleinerend en denigrerend toespreken. Het hof heeft over deze gedragingen geoordeeld dat er onvoldoende bewijs is dat deze gedragingen een strafbare mishandeling opleveren, in die zin dat bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn of letsel is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld.
Het OM stelde beroep in cassatie in om duidelijkheid te krijgen over de vraag of psychische mishandeling onder de reikwijdte van het artikel dat mishandeling strafbaar stelt (artikel 300 WvSr) kan vallen en de juridische kaders die daarop van toepassing zijn. In andere zaken zijn veroordelingen uitgesproken wegens psychische mishandeling op grond van artikel 300 WvSr. Dit is de eerste zaak die op dit punt aan de HR wordt voorgelegd.
Juridisch kader
Artikel 300 lid 1 WvSr stelt mishandeling strafbaar. Vaste rechtspraak van de HR houdt in dat onder mishandeling wordt verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn of het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam. Artikel 300 lid 4 WvSr bepaalt dat met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.
Conclusie AG
In zijn conclusie van 10 maart gaat de AG uitgebreid in op psychische mishandeling in relatie tot artikel 300 WvSr. Het gaat dan om de vraag of psychische mishandeling zelfstandig - dus zonder fysiek aspect of gevolg - strafbaar kan zijn als mishandeling in de zin van artikel 300 WvSr en zo ja, onder welke voorwaarden.
De AG komt tot de slotsom dat psychische mishandeling, ondanks dat het wat betreft ernst niet onder hoeft te doen voor strafbare vormen van fysieke mishandeling, onder het huidige recht zelfstandig niet strafbaar is op grond van artikel 300 WvSr. Wetshistorisch ligt de focus op lichamelijk letsel. Uit rechtspraak van de HR over mishandeling komt naar voren dat de bescherming van de lichamelijke integriteit de strekking is van de strafbaarstelling van mishandeling. De HR vereist voor de andere varianten van mishandeling steeds een lichamelijke in- of uitwerking op het lichaam. Gelet op de wetsgeschiedenis, het sterk op fysieke gevolgen gerichte systeem van artikel 300 WvSr en de rechtspraak van de HR concludeert de AG dat psychische mishandeling onder het huidige recht ook niet als ‘benadeling van de gezondheid’ kan gelden. Ook daarbij gaat het om de fysieke gezondheid.
Verder meent de AG dat – mede vanwege een aangekondigd wetsvoorstel tot zelfstandige strafbaarstelling van (vormen van) psychisch geweld – een interpretatie van de rechter waarmee psychische mishandeling alsnog onder de bepaling van artikel 300 WvSr wordt gebracht op bezwaren stuit. Volgens de AG gaat de rechter dan de rechterlijke interpretatievrijheid te buiten. Gelet op de stand van het huidige recht adviseert de AG dan ook om de bestanddelen ‘mishandeling’ en ‘benadeling van de gezondheid’ niet op zodanige wijze uit te leggen dat op grond daarvan psychische mishandeling voortaan zelfstandig strafbaar is onder artikel 300 WvSr.
Bron: Hoge Raad
De Algemene Rekenkamer concludeert dat de Nederlandse anti‑witwasaanpak (Wwft) onvoldoende effectief, inefficiënt en mogelijk discriminerend is. Hoewel er jaarlijks naar schatting €15–€20 miljard wordt witgewassen, is de aanpak niet risicogebaseerd en ontbreekt het aan inzicht in de daadwerkelijke resultaten.
Uit het onderzoek blijkt dat sommige groepen burgers en organisaties zwaar belast worden door controles van banken. Zij ervaren ingrijpende onderzoeken, afgewezen of opgezegde rekeningen en extra vragen over transacties. Tegelijkertijd ervaren horecaondernemers, ook een risicosector, dit veel minder.
Daarnaast wordt 61,8% van de gemelde ongebruikelijke transacties gedaan over personen met een buitenlands klinkende achternaam, wat kan wijzen op discriminatie. Verschillen tussen religieuze instellingen in hoe streng zij bevraagd worden, versterken dit beeld.
Als de anti-witwasaanpak aantoonbaar werkt en op risico’s is gebaseerd kan dat een rechtvaardiging zijn om onderscheid tussen groepen burgers en bedrijven te maken. Er is echter geen inzicht in de effectiviteit van de anti-witwasaanpak, waarmee niet is vast te stellen dat dit onderscheid gerechtvaardigd is.
Er is nu te weinig zicht op of controles daadwerkelijk witwassen voorkomen, de kwaliteit van bankmeldingen aan de FIU en de financiële omvang van vermoedelijk witwassen.
De Rekenkamer raadt de ministeries van Financiën en van Justitie en Veiligheid aan om met een plan te komen om zich bij de controles nog meer op mensen en transacties met een hoog risico te richten en daarmee ook discriminatie te voorkomen.
De betrokken ministeries zeggen bezig te zijn de anti-witwasaanpak aan te passen en eind dit jaar met een plan te komen.
Bron: rekenkamer.nl
In mei vorig jaar werd het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol aangepast om de geluidbelasting te beperken met het oog op de belangen van omwonenden van de luchthaven.
Tegen deze aanpassing gingen diverse partijen in beroep. De luchtvaartmaatschappijen vonden de beperking van het aantal vluchten van en naar Schiphol onaanvaardbaar, terwijl de drie omliggende gemeenten, natuurorganisaties en omwonenden juist een verdere beperking wilden vanwege de geluidsoverlast.
Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft de minister zijn besluit tot aanpassing van het Luchthavenverkeerbesluit niet toereikend gemotiveerd. Hij heeft volstaan met het standpunt dat het maximumaantal vluchten per jaar mede bepaalt hoeveel geluid er per jaar uiteindelijk zal mogen worden geproduceerd rond luchthaven Schiphol. Het vastgelegde maximumaantal vluchten heeft volgens de minister daarom als grens voor de geluidbelasting te gelden. Maar die grens kan wisselen, omdat met een maximumaantal vluchten de maximale geluidbelasting niet wordt vastgelegd. Met de redenering dat het maximumaantal vluchten in dit geval kan worden beschouwd als grenswaarde voor de geluidbelasting miskent de minister, volgens de Afdeling bestuursrechtspraak, hoe de wetgever die grenswaarde heeft bedoeld, namelijk een maximum aan de bij elkaar opgetelde geluidsbelasting van individuele vluchten over een periode van een jaar. Niet ieder vliegtuig produceert dezelfde hoeveelheid geluid, zodat een optelsom van alleen vluchten onvoldoende zegt over de totale hoeveelheid geluid dat in een jaar mag worden geproduceerd.
Daarnaast heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak niet inzichtelijk gemaakt dat het aangepaste Luchthavenverkeerbesluit leidt tot een afname van de geluidhinder voor omwonenden van Schiphol, terwijl dat nu juist het doel van het besluit was.
Het gevolg van deze uitspraak is dat het vorige Luchthavenverkeerbesluit uit 2008 blijft gelden, waarin geen totaal maximumaantal vluchten per jaar geldt. In het vernietigde luchthavenverkeersbesluit stond ook dat het maximumaantal vluchten in de nacht van 32.000 naar 27.000 vluchten wordt verlaagd. Geen van de partijen hadden bezwaar tegen dit deel van het besluit. Daarom treft de Afdeling bestuursrechtspraak in de uitspraak de voorlopige voorziening dat 'op de luchthaven Schiphol maximaal 27.000 vliegtuigbewegingen met handelsverkeer per gebruiksjaar plaatsvinden in de periode van 23.00 uur tot 7.00 uur.' Overigens is niet aannemelijk dat dit aantal feitelijk zal worden gehaald. Het kabinet heeft een algehele wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit inmiddels in voorbereiding.
Bron: Raad van State
Het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand ziet grote regionale verschillen, waarbij in een aantal regio’s soms geen advocaten met bepaalde specialisaties meer aanwezig zijn. Het onderzoek door het Kenniscentrum is gedaan in opdracht van de Nederlandse orde van advocaten, het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Raad voor Rechtsbijstand.
Daarnaast bereikt bijna een derde van de sociaal advocaten in de komende tien jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Omdat het aanbod niet gelijkmatig verdeeld is, kan dit regionaal of bij specifieke rechtsgebieden nog in sterkere mate het geval zijn.
De schaalverkleining neemt toe: er zijn steeds minder advocatenkantoren waar meerdere sociaal advocaten werkzaam zijn, terwijl het aantal eenpersoonspraktijken is toegenomen.
Het rapport “Aanbod in beeld” maakt voor de Raad voor de Rechtsbijstand duidelijk dat, als het grondrecht voor rechtzoekenden op een advocaat in de toekomst ook in de toekomst blijft bestaan, er maatregelen genomen moeten worden om meer nieuwe sociaal advocaten aan te trekken in het stelsel en deze ook te behouden.
Er is een aantal maatregelen nodig: zo is de hoogte van de vergoedingen is voor advocaten die in kantoren werken nog niet op orde, terwijl dit noodzakelijk is om de sociaal kantoren die er nog zijn te behouden
bron: Raad voor Rechtsbijstand
In de campagne toont de politie honderd verdachten van bankhelpdeskfraude en nepagenten op schermen langs de weg, op stations, op televisie, sociale media en op de website van de politie. De verdachten worden eerst onherkenbaar getoond in de nieuwe campagne Game Over?! Als zij zich niet melden, gebeurt dat vanaf 23 maart herkenbaar in beeld. Met de actie wil de politie zowel verdachten opsporen als nieuwe daders afschrikken.
Volgens de politie is het massaal verspreiden van de beelden nodig om aandacht te vragen voor het enorme aantal oplichtingen. De fraudeurs doen zich dan voor als politieagenten die bijvoorbeeld bankpassen of sieraden komen ophalen.
Het aantal meldingen van telefonische helpdeskfraude is volgens de politie nog veel groter. Oplichters bellen hun slachtoffers dan op en halen ze over om inloggegevens te delen, bijvoorbeeld om daarna de bankrekening te plunderen.
Het Openbaar Ministerie heeft voor iedere verdachte afzonderlijk toestemming gegeven voor het gebruik van de bewakingsbeelden in de campagne. De politie denkt dat er meer van dit soort campagnes zullen volgen.
Onder verdachten staat het oplichten van mensen bekend als de 'F-game'. Daarom heeft de politie de campagne 'Game Over' genoemd. Game Over?! is een initiatief van het Landelijk Team Opsporingscommunicatie, onderdeel van het Politiedienstencentrum, in samenwerking met het landelijk programma gedigitaliseerde criminaliteit en het Openbaar Ministerie.
Bron: nos.nl
Stichting Bureau Clara Wichmann heeft het College in de collectieve zaak gevraagd om te beoordelen of de Staat vrouwelijke rechters discrimineert met het ‘laatstverdiend salaris’ criterium. De Staat hanteerde dit criterium sinds 1994 bij het inschalen en belonen van rechters. Dit houdt in dat voor de inschaling wordt aangesloten bij het salaris dat iemand verdiende vóór de overstap naar de rechterlijke macht. Bureau Clara Wichmann stelt dat dit inschalings- en bezoldigingsbeleid vrouwen discrimineert, omdat vrouwen gemiddeld een lager laatstverdiend salaris hebben.
Het College beoordeelt in deze zaak de inschalings- en beloningssystematiek over de periode van 1994 tot en met 1 juli 2023, de periode waarin het criterium ‘laatstverdiend salaris’ wordt toegepast.
Het ‘laatstverdiend salaris’ criterium biedt volgens het College onvoldoende ruimte voor de waardering van relevante ervaring en zegt weinig over de waarde van de arbeid in de nieuwe functie. Denk bijvoorbeeld aan een jurist met vijftien jaar werkervaring in de sociale advocatuur en een laag laatstverdiend salaris, en een jurist uit de commerciële advocatuur met zes jaar werkervaring met een hoger laatstverdiend salaris. Het hanteren van dit criterium leidt gemakkelijk tot ongerechtvaardigde beloningsverschillen.
Uit een onderzoeksrapport van Erasmus Q-intelligence (Onderzoek Beloningsverschillen) blijkt dat binnen de groep rechters in opleiding daadwerkelijk beloningsverschillen zijn tussen mannen en vrouwen. In het onderzoeksrapport staat dat, onder de groep rechters die is gestart met de opleiding, een statistisch significant beloningsverschil van gemiddeld 3,5% is gevonden in het voordeel van mannen. Naarmate de leeftijdscategorieën oplopen, wordt het gemiddelde beloningsverschil in het voordeel van de man groter. Daarom oordeelt het College dat er een vermoeden is van indirect onderscheid op grond van geslacht. De Staat is er niet in geslaagd om het vermoeden te ontkrachten.
Indirect onderscheid is verboden, tenzij er een objectieve rechtvaardiging voor bestaat. Daarvoor moet het doel legitiem zijn, en moet het middel dat wordt ingezet passend en noodzakelijk zijn.
Het College oordeelt dat het hanteren van het laatstverdiend salaris een geschikt middel is om gekwalificeerde en geschikte kandidaten aan te trekken. Maar een middel is pas noodzakelijk als het doel niet met andere, minder onderscheid makende middelen kan worden bereikt.
De Staat heeft het gemaakte onderscheid niet gerechtvaardigd en discrimineerde vrouwelijke rechters in opleiding bij de beloning.
Naast de collectieve zaak heeft het College drie individuele zaken afzonderlijk beoordeeld. Deze zaken gaan niet over het beloningssysteem van de Staat, maar over de vraag of in individuele gevallen sprake was van ongelijke beloning tussen een vrouwelijke en mannelijke collega.
Om vast te kunnen stellen dat er sprake is van ongelijke beloning in deze zaken voert het College een maatmanbeoordeling uit. Hierbij kijkt het College naar de beloning van een collega met een ander geslacht die arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde verricht. Als deze persoon anders wordt beloond, moet dit worden uitgelegd aan de hand van objectieve criteria, zoals kennis en ervaring. Als deze criteria het verschil niet kunnen verklaren, is er sprake van discriminatie op grond van geslacht.
In alle drie de gevallen heeft het College vastgesteld dat er maatmannen zijn met een hoger loon zonder goede reden. Dit komt omdat de Staat bij het inschalen van kandidaten rekening heeft gehouden met het laatstverdiende salaris van de kandidaat. Daarnaast is bij sommige maatmannen gebruik gemaakt van een uitzondering op de standaardregels bij het inschalen. Zo ontving in één van de gevallen de mannelijke collega maandelijks bruto €1.914,65 meer dan de vrouwelijke collega voor gelijkwaardig werk, terwijl zij nagenoeg dezelfde werkervaring hadden.
De maatstaf ‘laatstverdiende salaris’ sluit volgens het College onvoldoende aan bij de waardering van relevante werkervaring. Daarom kan dit geen geldige reden zijn voor beloningsverschillen wanneer mensen werk van (nagenoeg) gelijke waarde verrichten. Het College oordeelt dan ook dat de Staat de vrouwelijke rechters in de individuele zaken heeft gediscrimineerd op grond van geslacht door hun lager te belonen dan de maatmannen.
De Staat heeft in juli 2024 een akkoord bereikt over een nieuw inschalings- en beloningsbeleid. Het nieuwe beleid wordt met terugwerkende kracht toegepast vanaf 1 juli 2023. Er wordt binnen de rechtelijke macht dus niet meer gevraagd naar het laatstverdiende loon. Het ligt op de weg van de Staat om te kijken naar de mogelijkheden om de betrokken rechters financieel te compenseren.
Ook organisaties die AI willen inzetten, hebben dringend behoefte aan helderheid over de regels voor AI. Die zijn al van kracht en worden steeds crucialer. De AP waarschuwt daarbij voor grote risico’s op onveilige en discriminerende algoritmes, waartegen nu niet handhavend kan worden opgetreden.
Als coördinerend toezichthouder op algoritmes en AI analyseert de AP de belangrijkste risico’s en effecten hiervan. Vervolgens vertaalt de AP die naar 9 graadmeters in de AI-Impactbarometer. Deze toont een verslechterend beeld. In de vorige rapportage stegen al 2 van de 9 graadmeters naar rood. Nu is dat verdubbeld naar 4.
De AP maakt zich zorgen over het gebrek aan voortgang bij de inrichting van toezicht, de ontwikkeling van standaarden, de registratie van algoritmes door de overheid en het zicht op
incidenten. Het doel van de AI-verordening is helder: betrouwbare AI in Europa bevorderen, met systemen die veilig zijn, grondrechten respecteren en tegelijkertijd innovatie mogelijk maken. De AP waarschuwt dat die doelen door besluiteloosheid niet gehaald worden en dat de invoering van AI-regels in gevaar komt. De AP wil dat het nieuwe kabinet snel werk maakt van de uitvoering van de AI-verordening. Dat betekent: de Nederlandse uitvoeringswet vaststellen, toezichthouders aanwijzen, financiering voor toezicht structureren en duidelijkheid scheppen over de toepassing van de regels. Daarnaast moet Nederland in Europa aandringen op snelle afronding van de discussies over uitstel en vereenvoudiging van de regelgeving, aldus de AP.
Bron: Autoriteit Persoonsgegegevens.
De Eerste Kamer heeft 24 februari ingestemd met een nieuw Wetboek van Strafvordering dat het strafprocesrecht moderniseert. De regering wil hiermee het nieuwe Wetboek van Strafvordering toekomstbestendig, voor burgers en professionals toegankelijk en in de praktijk werkbaar maken.
De modernisering brengt het Wetboek inhoudelijk bij de tijd en maakt het inzichtelijk. Ook maakt het een (verdere) digitalisering van het strafproces mogelijk. Daarnaast bevat het een duidelijke beschrijving van de positie van de belangrijkste procesdeelnemers met hun rechten en bevoegdheden.
Een centraal principe in deze nieuwe wet is de zogeheten beweging naar voren. Het is bijvoorbeeld de bedoeling dat met de zogeheten 'beweging naar voren' strafzaken efficiënter en beter voorbereid bij de zittingsrechter komen. Het doel daarvan is dat de doorlooptijden van strafprocessen korter worden.
Voor de praktijk zal dit betekenen dat het zwaartepunt van de zaak verschuift naar de fase vóórdat de rechter inhoudelijk naar de zaak kijkt. Keuzes over onderzoeksverzoeken, afspraken over de procesvoering en de manier waarop het dossier wordt opgebouwd, krijgen daardoor eerder een doorslaggevende rol.
Daarnaast zorgt het nieuwe wetboek voor een helderder afbakening van de verantwoordelijkheden van politie, het Openbaar Ministerie, de rechter en de verdediging. De bevoegdheden en rechten van deze partijen worden overzichtelijker en consistenter geformuleerd.
Bron: Eerste Kamer