Artikelen van Redactie

Nieuws
Jaarbericht 2025 Nederlandse Procesvertegenwoordiging Hof van Justitie EU

De opzet van het jaarbericht is enigszins veranderd. Voorheen werden in het jaarbericht alle zaken kort samengevat waaraan de Nederlandse regering deelnam en waarin in het jaar van dat jaarbericht uitspraak was gedaan. In het jaarbericht wordt nu – naast een toelichting op hoe de besluitvorming tot deelname aan zaken bij de Europese hoven plaatsvindt – een aantal uitspraken uitgelicht. Dat zijn uitspraken die op het Nederlandse beleid en regelgeving van invloed zijn en als belangwekkend worden aangemerkt en/of bijzondere media-aandacht hebben gekregen. Daarnaast is er een overzicht van alle zaken waarin de Europese hoven in 2025 uitspraak hebben gedaan en waarbij de Nederlandse regering een inbreng heeft gehad. Aan de hand van stoplichtkleuren wordt aangegeven in hoeverre de uitspraak overeenstemt met de Nederlandse inbreng. Daaruit blijkt dat het oordeel van het HvJ in meerderheid overeenkomt met het door de Nederlandse regering ingebrachte standpunt.

15 juli 2026
Nieuws
AP helpt ontwikkelaars en organisaties met nieuwe AVG-richtlijnen voor generatieve AI

Met deze publicaties bouwt de AP voort op de eerder gepresenteerde visie op generatieve AI. Daarin schetst de AP hoe generatieve AI veilig, verantwoord en in lijn met grondrechten kan worden ingezet. De nieuwe documenten vertalen deze uitgangspunten naar de praktijk. De handreiking biedt juridische kaders voor ontwikkelaars, het hulpmiddel geeft invulling aan de handreiking en ondersteunt organisaties bij een zorgvuldige implementatie.

Ontwikkeling van generatieve AI vraagt om duidelijke kaders

Generatieve AI biedt maatschappelijke en economische mogelijkheden. Er ontstaan echter ook risico’s voor grondrechten, zoals de bescherming van persoonsgegevens. Organisaties die generatieve AI ontwikkelen of gebruiken en daarbij persoonsgegevens verwerken, moeten voldoen aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

Met de handreiking en het hulpmiddel wil de AP organisaties ondersteunen om de kansen van generatieve AI te benutten, zonder daarbij de bescherming van persoonsgegevens en andere grondrechten uit het oog te verliezen.

Handreiking: hoe ontwikkel je generatieve AI binnen de AVG?

De handreiking is bedoeld voor organisaties die generatieve AI-modellen ontwikkelen of verantwoordelijk zijn voor de ingebruikname daarvan. Het document geeft een eerste interpretatie van de AVG. Ook beantwoordt het de centrale vraag hoe organisaties generatieve AI-modellen rechtmatig kunnen ontwikkelen en in gebruik nemen.

De handreiking beschrijft onder andere onder welke voorwaarden organisaties persoonsgegevens mogen verwerken, welke grondslagen daarvoor kunnen gelden en welke waarborgen nodig zijn om de rechten van betrokkenen te beschermen. Ook is er aandacht voor onderwerpen als het beheren, opschonen, verrijken en bewaren van data, indirecte dataverzameling en het gebruik van persoonsgegevens bij het trainen van AI-modellen.

De handreiking is gebaseerd op de huidige stand van de techniek en is tot stand gekomen na consultatie van bedrijven, wetenschappers, maatschappelijke organisaties en andere deskundigen. Daarmee sluit de handreiking aan bij de maatschappelijke en technologische ontwikkelingen rond generatieve AI.

Praktisch hulpmiddel voor implementatie

Naast de handreiking publiceert de AP een praktisch hulpmiddel voor organisaties die generatieve AI willen aanschaffen, implementeren en gebruiken.

Het hulpmiddel is een checklist die privacy professionals, projectleiders en andere verantwoordelijken helpt om stap voor stap te beoordelen of hun organisatie generatieve AI wil, kan en mag gebruiken. Het is een praktisch instrument om na te gaan welke AVG-verplichtingen van toepassing zijn en welke technische en organisatorische maatregelen nodig zijn om generatieve AI verantwoord te gebruiken.

De AP adviseert organisaties daarbij eerst te onderzoeken of zij generatieve AI kunnen gebruiken zonder persoonsgegevens te verwerken. Is de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk, dan helpt het hulpmiddel organisaties om vanaf het begin rekening te houden met privacy.

Beide documenten zijn gepubliceerd op de website van de AP:

14 juli 2026
Nieuws
Advies RvS over initiatiefwetsvoorstel om de Spreidingswet in te trekken

Sinds 1 februari 2024 geldt in Nederland de zogenoemde Spreidingswet. Die wet geeft aan gemeenten de taak om locaties te vinden waar asielzoekers kunnen worden opgevangen. De wetgever wil hiermee komen tot een evenwichtige spreiding van asielzoekers over het land, tot meer solidariteit tussen gemeenten, en tot minder gebruik van crisis(nood)opvanglocaties.

Inhoud van het wetsvoorstel

Volgens de initiatiefnemers kunnen gemeenten als gevolg van de Spreidingswet niet meer inspelen op wensen van de bevolking en leidt deze ertoe dat politieke aandacht te zeer uitgaat naar het vinden van opvangplaatsen voor asielzoekers, in plaats van naar het naar hun mening grotere, onderliggende probleem: de grote instroom van asielzoekers in Nederland. De initiatiefnemers stellen daarom voor om de Spreidingswet weer in te trekken.

Het rijk mag gemeenten opdragen aan nationale taken mee te werken

De Afdeling advisering merkt in haar advies op dat het bepaald niet uitzonderlijk is om vanuit het rijk een taak op te leggen aan gemeenten. Dat gebeurt om verschillende redenen op allerlei beleidsterreinen en past binnen het Nederlandse constitutionele bestel. De wetgever heeft met de Spreidingswet voor deze route gekozen, omdat Nederland anders niet zou kunnen voldoen aan de verplichting om asielzoekers op te vangen. Deze verplichting geldt op grond van nationale en internationale regelgeving.

Decentrale overheden en uitvoeringsorganisaties hebben baat bij de Spreidingswet

De Afdeling advisering constateert daarnaast dat de gemeenten, de provincies en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) hebben gepleit tégen afschaffing van de Spreidingswet. Wanneer de Spreidingswet wordt ingetrokken, ontstaat er volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een onbeheersbare situatie waarin voortdurend een beroep moet worden gedaan op noodopvang. Gemeenten vrezen dat dit zal leiden tot een toename van maatschappelijke onrust.

Consistentie van wetgeving is van groot belang voor de uitvoering

De argumenten voor en tegen de Spreidingswet zijn uitgebreid besproken bij de totstandkoming ervan. De wet trad vervolgens in februari 2024 in werking. Dat is nog maar kort geleden. In die korte periode is herhaaldelijk opgeroepen om de Spreidingswet weer in te trekken. Het voortdurend ter discussie stellen van de wet is mede met het oog op de uitvoering ongewenst. Van de wetgever – regering én parlement – mag verwacht worden rust en ruimte te creëren voor de uitvoeringspraktijk om met het nieuwe stelsel te leren werken.

Uitvoering van stelselwijzingen vergen altijd tijd

De tweejaarlijkse ramings- en verdeelcyclus die in de Spreidingswet is opgenomen, is nog maar één keer volledig doorlopen. Een goede uitvoering vereist een wijziging van werkprocessen op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau die niet vanaf dag één kunnen worden gerealiseerd. De Spreidingswet intrekken betekent dat een stelsel ongedaan wordt gemaakt voordat dit effect heeft kunnen sorteren of de effecten daadwerkelijk meetbaar zijn geweest.

Intrekken van de Spreidingswet beperkt de asielinstroom niet

De wijze waarop asielzoekers worden opgevangen, staat los van de asielinstroom. Daarbij geldt dat intrekken van de Spreidingswet negatieve gevolgen kan hebben voor de beschikbare opvangcapaciteit, en de problemen die het gevolg zijn van de instroom dus kan vergroten. Om die reden is de koppeling die de initiatiefnemers leggen tussen spreiding en instroom problematisch. De vraag in hoeverre instroombeperking als noodzakelijk of urgent wordt ervaren, vergt een zelfstandige politieke en bestuurlijke afweging.

Conclusie

De Afdeling advisering heeft ernstige bezwaren tegen het wetsvoorstel. Het advies is dan ook om het wetsvoorstel niet in behandeling te nemen.

Bron: Raad van State

13 juli 2026
Nieuws
Wetsvoorstel weerbare defensie-industrie naar de Raad van State

De nieuwe wet bevat drie maatregelen die de nationale veiligheid en de beschikbaarheid van belangrijke defensiegerelateerde middelen moeten versterken.

Bescherming van strategische bedrijven
Allereerst wordt een defensie-veiligheidstoets ingevoerd. Met deze toets kan beter worden beoordeeld of bedrijven risico lopen door ongewenste buitenlandse invloed. Het doel is om dreigingen zoals spionage, cybercriminaliteit en ongewenste zeggenschap over strategische ondernemingen tegen te gaan. Zo blijven cruciale kennis, technologie en productiecapaciteit beschermd.

Toegang tot internationale defensieprogramma’s
Daarnaast kunnen ondernemingen een geschiktheidsverklaring aanvragen wanneer zij willen deelnemen aan internationale defensieprojecten, bijvoorbeeld binnen de EU of de NAVO. Met deze verklaring tonen bedrijven aan dat zij voldoen aan de vereiste veiligheids- en betrouwbaarheidsnormen. Dit vergroot hun kansen op deelname aan internationale samenwerkingen en draagt bij aan een sterkere Nederlandse defensie-industrie.

Zekerheid over essentiële leveringen
Het derde onderdeel van de wet richt zich op de beschikbaarheid van cruciale goederen en diensten voor de krijgsmacht. In tijden van crisis of verhoogde dreiging kan het noodzakelijk zijn dat bepaalde bedrijven bijdragen aan de levering van strategische producten of voorraden aanhouden. Daarmee wordt de continuïteit van belangrijke defensieactiviteiten beter gewaarborgd en ontstaat meer zekerheid voor zowel Defensie als betrokken bedrijven.

Samenwerking voorop
De overheid blijft inzetten op vrijwillige samenwerking met het bedrijfsleven. Verplichte maatregelen worden alleen toegepast wanneer andere mogelijkheden onvoldoende zijn om de nationale veiligheid en de leveringszekerheid te waarborgen.

9 juli 2026
Nieuws
Advies AG: geen zorgplicht Nederland voor Afghaanse bewakers ambassade

De Afghaanse mannen werkten als bewaker bij de Nederlandse ambassade in Kaboel, voordat de Taliban in augustus 2021 de macht overnamen. De mannen stellen dat zij vanwege deze werkzaamheden gevaar lopen in Afghanistan en dat de Staat hen daarom naar Nederland moet overbrengen. De kantonrechter in de Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat op de Staat een zorgplicht jegens de mannen rust en dat de Staat daarom verplicht is de Afghaanse bewakers naar Nederland over te brengen.

Het hof heeft in hoger beroep de vordering van de Afghaanse bewakers alsnog afgewezen. Volgens het hof heeft de Staat geen zorgplicht jegens de mannen. Zij waren niet in dienst van de Staat, maar bij een lokaal bedrijf. Dit bedrijf verrichtte de bewakingsdiensten in opdracht van de Staat. De verplichtingen van de Staat jegens de mannen moeten volgens het hof daarom worden beoordeeld naar Afghaans recht. Dat recht kent geen zorgplicht jegens het personeel van een opdrachtnemer die meebrengt dat dit personeel zo nodig geëvacueerd moet worden naar een ander land. Die zorgplicht bestaat volgens het hof trouwens ook niet naar Nederlands recht in een geval zoals dit. Volgens het hof doen de Afghaanse bewakers ook tevergeefs een beroep op de bescherming van de mensenrechtenverdragen waarbij Nederland is aangesloten. Om een beroep op die verdragen te kunnen doen, is volgens het hof vereist dat de Staat rechtsmacht over de Afghaanse bewakers had. Dat wil zeggen: dat de Staat controle en gezag over de Afghaanse bewakers kon uitoefenen. Dat was volgens het hof niet het geval.

Cassatieklachten

De Afghaanse mannen bestrijden in hun cassatieberoep dat het Afghaanse recht van toepassing is met betrekking tot de vraag of op de Staat een zorgplicht rust. Volgens hen is Nederlands recht van toepassing. Zij bestrijden het oordeel van het hof dat naar Nederlands recht in dit geval geen zorgplicht voor de Staat bestaat op grond waarvan de Staat hen naar Nederland moet overbrengen. Ook voeren de Afghaanse mannen aan dat de Staat wel controle en gezag over hen kon uitoefenen en daarom wel rechtsmacht over hen had. Volgens hen is de Staat daarom ook op grond van mensenrechtenverdragen verplicht om hen naar Nederland over te brengen.

Conclusie AG

De A-G is van mening dat de cassatieklachten van de Afghaanse mannen ongegrond zijn. Het hof heeft volgens hem terecht beslist dat het Afghaanse recht van toepassing is. Ook vindt de A-G dat het hof terecht heeft beslist dat in dit geval naar Nederlands recht geen zorgplicht van de Staat bestaat die meebrengt dat de mannen naar Nederland moeten worden overgebracht. Het oordeel van het hof dat de Staat geen controle en gezag over de Afghaanse bewakers kon uitoefenen en dus geen rechtsmacht over hen had, is volgens de A-G in overeenstemming met de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

De uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 15 januari 2027

Bron: Hoge Raad 

29 juni 2026