Artikelen van Redactie
De zaak draait om de rente die bedrijven moeten betalen als ze vennootschapsbelasting later betalen, bijvoorbeeld als ze te laat belastingaangifte hebben gedaan. In 2022 ging die rente omhoog naar 8%, terwijl deze rente bij andere soorten belastingen niet steeg. Vanwege de gevolgen die zijn uitspraak kan hebben voor anderen dan de partijen in deze procedure heeft de Hoge Raad ook andere bedrijven en organisaties de gelegenheid gegeven hun zienswijzen in te brengen. A-G Koopman adviseerde de Hoge Raad op 1 oktober 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1044) om de verhoging naar 8% onverbindend te verklaren.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de regel van het Bbi waarin de hoogte van het belastingrentepercentage is geregeld, binnen de ruimte blijft die de wetgever met de algemeen geformuleerde delegatiebepaling in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen aan de besluitgever heeft geboden. De besluitgever is dan ook binnen de aan hem gedelegeerde regelbevoegdheid gebleven. Verder biedt de delegatiebepaling geen grond om aan te nemen dat de besluitgever het rentepercentage niet hoger mag vaststellen dan het door de Staat geleden rentenadeel. Ook stelt de Hoge Raad voorop dat de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het Bbi een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als een wet in formele zin en dat de belastingrechter daarom kan en mag toetsen of een bepaling uit het Bbi in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.
Zorgvuldige voorbereiding en motivering
Bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan het beginsel van zorgvuldige besluitvorming en het beginsel van een deugdelijke motivering geldt het volgende, aldus de Hoge Raad. Indien het gaat om een fiscaal voorschrift dat een lastenverzwaring inhoudt, moet de belastingrechter bij de toetsing aan deze beginselen in de eerste plaats onderzoeken of de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. In dit geval moet worden aangenomen dat de belangen van de betrokken vennootschapsbelastingplichtigen kenbaar zijn meegewogen. Bij de totstandkoming van de regeling in het Bbi is namelijk opgemerkt dat het kabinet begrip heeft voor het feit dat de verhoging van de rentepercentages door betrokken belastingplichtigen veelal als lastenverzwaring zal worden beleefd en dat het dan ook goed begrijpt dat het voorstel niet door iedereen als wenselijk wordt ervaren. Niettemin is het kabinet van mening dat verhoging van het belastingrentepercentage gerechtvaardigd is. De rechtbank is dan ook terecht ervan uitgegaan dat de verhoging van de belastingrente zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.
Evenredigheidsbeginsel
De rechtbank heeft het hogere belastingrentepercentage daarom terecht getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Bij de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt als criterium gehanteerd dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende regel worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van de regel beoordelen. Indien bij de totstandkoming van een regeling politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt, zoals bij de regeling van het verhoogde belastingrentepercentage, moet die toetsing inhoudelijk terughoudend zijn, aldus de Hoge Raad.Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat met de verhoging van het belastingrentepercentage een budgettair doel wordt gediend. De Hoge Raad heeft niet een ander doel daarvoor kunnen identificeren dat gewicht in de schaal kan leggen bij de beoordeling van de evenredigheid van dat hogere percentage specifiek voor de vennootschapsbelasting. Een lastenverzwaring die geheel of overwegend op budgettaire motieven berust, komt in strijd met het evenredigheidsbeginsel als die hogere lasten zonder goede grond slechts bij één groep belastingplichtigen worden gelegd. Die groep wordt dan onevenredig getroffen. Het evenredigheidsbeginsel loopt in zoverre parallel met het gelijkheidsbeginsel. In dit geval moet daarom – met de nodige terughoudendheid – worden onderzocht of de besluitgever zonder goede grond de belastingrente alleen bij belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting heeft verhoogd tot 8%. Hierbij geldt dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen met het oog op de berekening van belastingrente moeten worden beschouwd als gelijke gevallen. De Hoge Raad heeft geen gronden kunnen vinden die het hogere belastingrentepercentage voor alleen de vennootschapsbelasting zouden kunnen rechtvaardigen. Voor de selectieve renteverhoging voor vennootschapsbelastingplichtigen ontbreken dus redelijke rechtvaardigingsgronden, aldus de Hoge Raad. Met de verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting is een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen worden gelegd. Daarom is de desbetreffende bepaling van het Bbi in strijd met het evenredigheidsbeginsel en met het gelijkheidsbeginsel. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond.
Massaal bezwaar
Het Ministerie van Financiën meldt dat de teller van het aantal bezwaren inmiddels op 29.500 staat. Eerder berekende Financiën dat een uitspraak in het voordeel van de bezwaarmakers een tegenvaller van zeker € 1,3 miljard voor de schatkist zou betekenen, maar dat bedrag zal door de extra bezwaren hoger uitvallen. De Staatssecretaris van Financiën wees in 2025 alle klachten over de aan als massaal bezwaar.
Bronnen: www.hogeraad.nl en ©ANP
Uit het onderzoek blijkt verder dat bij de inzet van een enkelband aandacht is voor de persoonlijke omstandigheden van de client, waarbij de reclassering oog heeft voor de maatschappelijke en persoonlijke risico’s. Dat maakt dat de enkelband vaker ingezet kan worden om zo de cellentekorten in de gevangenissen op te vangen, schrijft de Inspectie. In het gevangeniswezen is sprake van een groot probleem vanwege het cellentekort en personeelstekort. Door mensen in voorarrest in de gaten te houden via een enkelband en gedetineerden eerder naar huis te sturen met een enkelband, kan de druk op het gevangeniswezen afnemen. In 2024 waren er ruim 2700 mensen die een enkelband moesten dragen. Een groot deel van hen droeg een enkelband in afwachting van de uitspraak van een rechter of omdat ze onder voorwaarden eerder uit de gevangenis mochten. De Inspectie heeft ook een aantal knelpunten vastgesteld. Adviseurs van de reclassering hebben niet alle cliënten bij wie de enkelband van meerwaarde kan zijn, in beeld. Ook beschikt de reclassering niet altijd over relevante politie-informatie om te adviseren over de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de enkelband. Om te voorkomen dat de kwaliteit van de elektronische monitoring onder druk komt te staan, adviseert de inspectie om deze knelpunten op te pakken.
Vrijheid aan banden - Onderzoek naar de kwaliteit van elektronische monitoring door de reclassering
Bron: www.inspectie-jenv.nl
In de kern komt het erop neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken in de voortoets, dus bij de vraag of significante gevolgen van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op voorhand kunnen worden uitgesloten. Kunnen zulke gevolgen niet uitgesloten worden, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt voor het bestemmingsplan. Intern salderen mag wel in de passende beoordeling, mits aan de voorwaarden wordt voldaan. Dit nieuwe beoordelingskader geldt direct voor alle lopende procedures over bestemmingsplannen.
Intern salderen
Als een bestemmingsplan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, eist het natuurbeschermingsrecht dat in een voortoets eerst wordt onderzocht of die ontwikkeling significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Een ruimtelijke ontwikkeling kan bijvoorbeeld woningbouw zijn, maar ook uitbreiding van andere al bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden in een gebied. Op 18 december 2024 oordeelde de Afdeling al dat in de voortoets alleen mag worden gekeken naar de gevolgen van een project op zichzelf, zónder rekening te houden met wat er in de oude situatie toegestaan was (intern salderen). Dat geldt vanaf nu ook voor een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Intern salderen mag wel in de stap die daarna komt: de passende beoordeling. Daarvoor is inzicht nodig in de gevolgen van wat feitelijk legaal aanwezig was op grond van het vorige bestemmingsplan. Dat wordt de referentiesituatie genoemd. De gevolgen in de referentiesituatie mogen dan worden weggestreept tegen de gevolgen van de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. In lijn met de uitspraak van 18 december 2024 wordt ook in deze uitspraak geoordeeld dat intern salderen alleen mogelijk is als de verwachte voordelen vaststaan, de wijziging of beëindiging van de stikstofveroorzakende activiteit is verzekerd en voldaan wordt aan het additionaliteitsvereiste.
Vergewisplicht
Het additionaliteitsvereiste eist dat de gemeenteraad motiveert dat het salderen met de bestaande situatie (de referentiesituatie) niet nodig is om natuur te behouden, te herstellen of verslechtering te voorkomen. De gemeenteraad heeft echter geen bevoegdheid over, en dus ook geen invloed op, de keuze welke maatregelen noodzakelijk zijn voor beschermde natuurgebieden. Die bevoegdheden liggen bij andere overheden. Dit betekent dat de gemeenteraad aan zijn motiveringsplicht kan voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat die andere overheden de inzet van de referentiesituatie nodig vinden voor beschermde natuurgebieden. Het in deze uitspraak uiteengezette beoordelingskader voor intern salderen in bestemmingsplannen geldt direct.
Schema beoordelingskader intern salderen bij bestemmingsplannen
Bron: www.raadvanstate.nl
Volgens de onderzoekers verliepen de Tweede Kamerverkiezingen weliswaar in essentie vrij en eerlijk, maar vonden ze onder aanzienlijke digitale druk plaats, Voorbeelden daarvan zijn trollenlegers, illegale Generative AI (GenAI) content, heimelijke politieke advertenties, aanbevelende extremistische content, desinformatie over verkiezingsfraude, falende moderatie door platformen en andere dreigingen. Onderzoekers roepen op dat het toezicht vanuit de overheid veel strenger moet worden.
Toezicht
In een op 15 januari 2026 gepubliceerd interview in NRC zegt Pieter van Boheemen, directeur van Post-X Society, dat kunstmatige AI-beelden op grote schaal werden ingezet om politieke kandidaten zwart te maken, onder meer door Tweede Kamerleden van de PVV. Online platforms reageerden niet op meldingen over content die duidelijk in overtreding is met hun eigen beleid. De nationale toezichthouder kan weinig doen, want het toezicht op de grote platforms is belegd bij de Europese Commissie in Brussel. Of die wat met meldingen doet en zo ja wat, is onduidelijk. Volgens de directeur zijn er dus allerlei structurele tekortkomingen en zijn er individuen, politieke partijen en vermoedelijk ook andere landen die gemotiveerd zijn om daar misbruik van te maken.
Dutch parliamentary elections 2025 report
Bronnen: www.postxsociety.org en www.nrc.nl
In zaken van vier asielzoekers heeft het COA eigen bijdragen vastgesteld voor de kosten van de opvang. Dat deed het COA omdat de asielzoekers een vermogen hadden boven de vermogensgrens. Het vermogen van de asielzoekers bestond uit geld dat zij hadden ontvangen van dwangsommen die de minister aan hen heeft betaald, omdat de minister niet op tijd op hun asielaanvragen had beslist. De asielzoekers zijn van mening dat hun vermogen niet boven de vermogensgrens komt, omdat de betaalde dwangsommen immateriële schadevergoedingen zijn. Volgens het COA is een dwangsom geen immateriële schadevergoeding, maar een financiële prikkel voor de minister om sneller op een asielaanvraag te beslissen.
Oordeel Afdeling
De Afdeling is het eens met het standpunt van het COA en oordeelt dat de dwangsommen geen vergoedingen voor immateriële schade zijn. Zij hebben als doel om de minister sneller te laten beslissen op asielaanvragen. Daarom mag het COA de dwangsommen die aan asielzoekers zijn betaald, betrekken bij de berekening of het vermogen uitkomt boven de vermogensgrens. Als dat zo is, dan mag het COA een eigen bijdrage van de asielzoekers verlangen voor hun opvang. Uit de Europese Opvangrichtlijn volgt dat EU-lidstaten een eigen bijdrage mogen vragen voor opvangvoorzieningen en gezondheidszorg, als asielzoekers over voldoende middelen beschikken. Deze bevoegdheid is in de Opvangrichtlijn verder niet geregeld. Het COA is daarom vrij om zelf invulling te geven aan deze bevoegdheid. Het COA sluit hiervoor aan bij het rekenmodel dat is gebaseerd op de zogenoemde interingsnorm uit de Participatiewet, en dat mag zij doen, zo oordeelt de Afdeling.
ECLI:NL:RVS:2026:139
ECLI:NL:RVS:2026:140
ECLI:NL:RVS:2026:141
ECLI:NL:RVS:2026:142
Bron: www.raadvanstate.nl
Door de wet is een aantal gedragingen nu strafbaar geworden. Twee van de nieuwe strafbaarstellingen zijn het stelen en helen van gegevens, waaronder foto’s, afbeeldingen en persoonsgegevens vallen. Ook online handelsfraude, zoals het oplichten van kopers via Marktplaats, heeft nu een eigen wetsartikel. Naast strafbaarstellingen biedt de wet nieuwe manieren om criminaliteit op te sporen en te verstoren. Zo mag de politie onder voorwaarden apparaten van verdachten hacken en kunnen illegale websites ontoegankelijk gemaakt worden. Uit de evaluatie van de wet komt een aantal aandachtspunten naar voren. Hoewel de strafbaarstelling van online handelsfraude volgens de wetgever vooral gericht is op grootschalige vormen van fraude, komt deze grootschaligheid in de door de onderzoekers bestudeerde zaken bijna niet voor. Daarnaast is het wetsartikel rondom online handelsfraude eenvoudiger van aard dan het wetsartikel ‘gewone’ oplichting. Hierdoor zou het in potentie gemakkelijker moeten zijn om verdachten te vervolgen. In de praktijk blijkt dat te weinig menskracht beschikbaar is om het grote aantal verdachten daadwerkelijk te vervolgen.
Bijzondere opsporingsbevoegdheden
In de praktijk is een spanningsveld zichtbaar tussen enerzijds de efficiëntie en effectiviteit van een inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden ontoegankelijkmaking van gegevens (art. 125p Sv) en de hackbevoegdheid (artt. 126nba, 126uba en 126zpa Sv) en anderzijds de rechtsstatelijkheid. Vanwege de ingrijpendheid van deze bevoegdheden is het van belang dat stevige toetsingsvoorwaarden blijven bestaan. Met betrekking tot de ontoegankelijkmaking van gegevens kan gekeken worden of er meer variatie kan komen wat betreft bepaalde voorwaarden. Bijvoorbeeld de plicht voor een rechter-commissaris om een aanbieder te horen voorafgaand aan het afgeven van een machtiging om gegevens ontoegankelijk te maken. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken of hetgeen nu alleen nog in de memorie van toelichting staat beschreven met betrekking tot het achterwege laten van het horen van de aanbieder ook in de wetstekst zelf opgenomen kan worden. Met betrekking tot de hackbevoegdheid heeft de toenmalig Minister van JenV al de keuze gemaakt om bepaalde voorwaarden anders in te richten, namelijk ten aanzien van de keuring van technische hulpmiddelen. Daarbij ging de minister ervan uit dat een zittingsrechter het bewijs, verzameld met de hackbevoegdheid, toetst. Tot nu toe heeft, zo blijkt uit de evaluatie, een zittingsrechter zich zeer sporadisch inhoudelijk gebogen over de inzet van de hackbevoegdheid. Dat betekent dat geen recht wordt gedaan aan een belangrijke rechtsstatelijke waarborg waarvan wel verondersteld wordt dat die in de praktijk aanwezig is. Dat is een belangrijk aandachtspunt.
Evaluatie Wet Computercriminaliteit III - Een empirisch onderzoek naar de toepassing in de praktijk
Bron: www.wodc.nl
In cassatie is onder meer geklaagd over de bewezenverklaring van de schending van het ambtsgeheim. A-G Van Wees adviseerde de Hoge Raad op 4 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1181) de veroordeling in stand te laten.
Oordeel Hoge Raad
De verdachte is vervolgd voor opzettelijke schending van het ambtsgeheim (art. 272 Sr). In de tenlastelegging en de bewezenverklaring komen de woorden ‘enig geheim’ voor. Informatie die ‘enig geheim’ bevat, betreft informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt. Bij de beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de informatie, het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en het moment waarop hij of zij deze informatie aan een derde verstrekte. Dat de betreffende informatie ook bij een andere instantie of op een andere manier dan wel op een later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een ‘geheim’ in de zin van de strafbepaling. De opvatting van de verdediging dat van ‘enig geheim’ slechts sprake kan zijn als de plicht tot geheimhouding volgt uit een wettelijke bepaling, zoals in dit geval de Gemeentewet in samenhang met de (oude) Wet openbaarheid van bestuur is volgens de Hoge Raad onjuist. Uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de strafbepaling en bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Gemeentewet komt naar voren dat een geheimhoudingsverplichting ook kan voortvloeien uit een ambt of beroep. De Hoge Raad is dan ook van oordeel dat de cassatieklacht niet slaagt. Het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte door voorafgaand aan de besloten collegevergadering de ambtelijke e-mail door te sturen, ‘enig geheim’ heeft geschonden, waarvan de verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder op de hoogte was gebracht en dat hij uit hoofde van dat ambt verplicht was te bewaren. Dit oordeel van het hof is ook toereikend gemotiveerd.
Bron: www.hogeraad.nl

Algemeen beeld is dat de AEX-genoteerde vennootschappen goed aan de aangescherpte rapportagebepalingen voldoen, waarbij de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD)-verslaglegging helpt om aan de Code te voldoen. Naleving Code:
- Naleving van de rapportagebepalingen ligt lager dan in monitors over eerdere boekjaren (79%). De daling wordt primair verklaard door de aangescherpte rapportage vereisten in de Code 2022;
- Net als in eerdere monitors zijn grote verschillen in naleving tussen soorten vennootschappen. Naleving is hoger onder AEX-genoteerde vennootschappen (94%), dan onder vennootschappen die niet in een index zijn opgenomen (78%). De scores in de vorige monitor waren 99%, resp. 88%;
- Dit jaar zijn alle Nederlandse vennootschappen met een buitenlandse notering in de monitoring meegenomen (48), waar eerder een kleine steekproef was meegenomen (10-15). Naleving onder deze vennootschappen is beduidend lager (68%), hetgeen deels de daling van het algehele nalevingspercentage verklaart;
- Dit jaar is voor het eerst ook een steekproef van institutionele beleggers gemonitord op naleving van de nieuwe aan hen gerichte bepalingen. De naleving is 71%;
- Net als in eerdere monitors hoort de rapportage bepalingen inzake cultuur tot de minst nageleefde bepalingen (32%);
- Wat betreft het thema diversiteit en inclusie zien de doelstellingen van de vennootschappen vooral op diversiteit en minder op inclusie (30% heeft concrete doelen voor inclusie opgenomen).
Bron: www.mccg.nl
Terwijl Europa inzet op snellere procedures, introduceert Nederland in dit wetsvoorstel drie verplichte wachttijden binnen één aanbestedingsprocedure, vanaf het indienen van een klacht tot en met de uitspraak van de voorzieningenrechter. Deze wachttijden gaan ertoe leiden dat projecten worden vertraagd of zelfs uitgesteld. Omdat de verplichte wachttijden gaan gelden voor alle aanbestedingen binnen één project kunnen er telkens drie wachttijden op alle afzonderlijke aanbestedingstrajecten zijn. Grootschalige woningbouwprojecten hebben al snel te maken met 15 verschillende aanbestedingen, vanaf het de ontwerpfase tot en met de inrichting van de wijk. Dit wetsvoorstel leidt dus tot een carrousel aan wachttijden, waardoor de totale doorlooptijd niet meer te overzien is en de kosten onbeheersbaar. Het bieden van rechtsbescherming in aanbesteden is cruciaal voor het vertrouwen van ondernemers en inwoners in het aanbestedingsproces, maar het wetsvoorstel biedt daarvoor niet de oplossing, aldus de partijen. Ook de Raad van State kwam tot deze conclusie.
Reactie Advies Raad van State op Wetsvoorstel tot wijziging van de Aanbestedingswet 2012 in verband met de versterking van de rechtsbescherming bij aanbesteden
Bron: www.vng.nl