Artikelen van Redactie
Om de kwaliteit van de notariële dienstverlening in de komende jaren te kunnen waarborgen, is het essentieel dat er voldoende goed opgeleide notarissen beschikbaar blijven. Dat vereist dat het beroep aantrekkelijker wordt. Terwijl het aantal notarissen dat een eigen kantoor runt al jaren afneemt, blijkt dat notarissen die in loondienst werken weinig enthousiasme tonen om een onderneming over te nemen. Tegelijkertijd stijgt de behoefte aan notariële ondersteuning, onder meer door ontwikkelingen op de woningmarkt en de vergrijzing. Om zowel huidige beroepsbeoefenaars te behouden als nieuwe professionals aan te trekken, zijn verbeteringen nodig op het gebied van arbeidsvoorwaarden en digitale ondersteuning.
Dit alles komt naar voren uit onderzoek van Pro Facto, uitgevoerd in samenwerking met de Universiteit Utrecht en de Radboud Universiteit in opdracht van het WODC. Het rapport vormt het tweede deel van de reeks Staat van het Notariaat. Waar het eerste deel (2024) zich richtte op de vraagkant van de markt, staat in dit deel juist de aanbodzijde centraal: de beroepsgroep zelf. Hierbij is gekeken naar zowel notaris-ondernemers als toegevoegd notarissen – die dezelfde bevoegdheden hebben maar in loondienst zijn – en kandidaat-notarissen, die nog geen akten zelfstandig mogen passeren.
Hoewel het totale aantal notarissen de afgelopen jaren licht is gegroeid, komt deze groei vooral voor rekening van kandidaat- en toegevoegd notarissen. Het aantal notarissen met een eigen praktijk daalt juist, en onderzoekers verwachten dat deze daling door de vergrijzing en de beperkte instroom verder zal doorzetten. Vooral buiten de Randstad kan dit in de nabije toekomst voor opvolgingsproblemen zorgen.
Ondertussen blijven burgers en bedrijven meer gebruikmaken van notariële diensten. Het aantal te passeren akten stijgt al langere tijd, mede door veranderingen op de woningmarkt, demografische ontwikkelingen en complexere gezinssituaties. Daarbovenop neemt de behoefte aan advies en begeleiding toe. De vraag is dan ook of de beroepsgroep op de langere termijn voldoende capaciteit heeft om deze groei op te vangen.
Huidige beroepsbeoefenaars beoordelen het beroep van notaris gemiddeld met een 6,3. Kandidaat-notarissen blijken kritischer dan toegevoegd notarissen en notaris-ondernemers. Hoewel men tevreden is over de inhoud van het vak en de maatschappelijke relevantie ervan, drukken verschillende factoren de aantrekkelijkheid: hoge werkdruk, aanzienlijke aansprakelijkheids- en tuchtrechtelijke risico’s en een grote hoeveelheid administratieve verplichtingen. De poortwachtersfunctie bij de bestrijding van witwassen en ondermijnende criminaliteit brengt bovendien veel verantwoordelijkheden en onzekerheden met zich mee.
Daarnaast spelen arbeidsvoorwaarden een rol. Zowel financiële als niet-financiële voorwaarden worden regelmatig als onvoldoende ervaren. Veel respondenten noemen een scheve werk-privébalans, beperkte flexibiliteit in werktijden, weinig mogelijkheden om parttime of thuis te werken en een beperkt aantal verlofdagen. Er leeft een wens voor een collectieve arbeidsovereenkomst, maar onder notaris-ondernemers is hiervoor weinig steun.
Om het notariaat toekomstbestendig te houden en voldoende instroom te garanderen, formuleren de onderzoekers verschillende aanbevelingen. De aantrekkelijkheid van het ondernemerschap verdient daarbij extra aandacht. De adviezen aan notariskantoren (N), de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) en het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) luiden als volgt:
-
Verbeter het werkgeverschap en de arbeidsvoorwaarden (N, KNB).
Mogelijke schaalvergroting kan nodig zijn om dit te realiseren. -
Dring de werkdruk terug (N, KNB).
Denk aan digitale hulpmiddelen en extra ondersteunend personeel, wat opnieuw kan leiden tot schaalvergroting. -
Herijk de poortwachtersrol van notarissen (JenV, KNB).
Ga in gesprek met de beroepsgroep over taken, verantwoordelijkheden, middelen en randvoorwaarden. -
Overweeg nieuwe benamingen voor ‘kandidaat-notaris’ en ‘toegevoegd notaris’ (JenV).
De huidige titels dekken de lading onvoldoende. -
Investeer in heldere voorlichting over tuchtrecht en verbeter klachtbehandeling (N, KNB).
Dit helpt om klachten te voorkomen en vermindert onzekerheid over tuchtrechtelijke risico’s. -
Herzie de toegangseisen en toelatingsprocedures (JenV en KNB).
Bron: WODC
Uit onderzoek van de Autoriteit Consument & Markt blijkt dat 61 procent van de grootste Nederlandse webwinkels nog steeds niet digitaal toegankelijk is. Voor mensen met een visuele of andere beperking betekent dit dat zij vaak geen bestelling kunnen plaatsen. De ACM testte hiervoor ongeveer honderd grote webwinkels en de websites van de grootste telecom‑ en energiebedrijven.
Sinds 28 juni 2025 geldt de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn, die moet garanderen dat mensen met een beperking gelijkwaardig kunnen deelnemen aan de digitale economie. De ACM houdt hierop toezicht bij e-handelsdiensten en communicatiediensten. Bedrijven die slecht presteren worden door de ACM aangesproken. Als zij geen verbetering laten zien, kan de toezichthouder handhavend optreden. Bij het toezicht betrekt de ACM nadrukkelijk ervaringsdeskundigen.
De eerste controles laten zien dat veel websites belangrijke drempels bevatten, zoals bestelknoppen die niet met het toetsenbord te bedienen zijn of captcha’s die voor hulpapparatuur niet toegankelijk zijn. Hierdoor komen gebruikers soms zelfs de website niet op. Daarnaast heeft 33 % van de sites ‘serieuze problemen’: bestellen kan wel, maar kost onnodig veel moeite omdat belangrijke informatie niet toegankelijk is.
Op haar website geeft de ACM praktische informatie over welke stappen bedrijven kunnen zetten om hun digitale toegankelijkheid te verbeteren.
Bron: ACM
Om discriminatie te kunnen meten en voorkomen zijn de afgelopen jaren zogenoemde fairness-methodes ontwikkeld. Onderzocht is hoe deze methodes overlappen met de manier waarop discriminatie juridisch wordt vastgesteld en hoe zij ingezet kunnen worden voor het meten en voorkomen van discriminatie in algoritmes.
Kwantitatieve methodes niet voldoende
Het onderzoek concludeert dat fairness-methodes overeenkomsten bevatten met de beoordelingskaders die worden gebruikt om vast te stellen of er juridisch sprake is van discriminatie. Deze kwantitatieve methodes alleen zijn echter niet voldoende om discriminatie aan te tonen. Discriminatie is namelijk geen technisch probleem dat (alleen) met technische aanpassingen opgelost kan worden. Het toetsen en voorkomen van discriminatie in algoritmes vereist multidisciplinaire samenwerking, actieve monitoring en verankering van het toetsen van discriminatie in de werkprocessen.
Helpende hand
Hoewel fairness-methodes op zichzelf dus niet volstaan, kunnen ze wel onderdeel zijn van de beoordeling of er sprake is van discriminatie. Op basis van het onderzoeksrapport reikt het College voor de Rechten van de Mens organisaties handvatten aan om deze methodes toe te passen zodat hun werkprocessen het recht op gelijke behandeling respecteren. Organisaties die fairness-methodes toepassen en hulp kunnen gebruiken bij de inzet hiervan om discriminatie tegen te gaan, kunnen contact opnemen met het College.
Directe discriminatie
Directe discriminatie in de context van algoritmes vindt plaats als een criterium van het algoritme ook een discriminatiegrond is, zoals geslacht of nationaliteit. Dit is dus eenvoudig te voorkomen door criteria die ook discriminatiegronden zijn niet mee te nemen in het algoritme.
Indirecte discriminatie
Of een algoritme indirect onderscheid maakt, is lastiger vast te stellen. Het gaat dan om op het oog neutrale variabelen waarvan het effect kan zijn dat sommige groepen daardoor relatief vaker geselecteerd worden. Als er geen objectieve rechtvaardiging bestaat om zo’n variabele te gebruiken, is sprake van indirecte discriminatie.
Eén van de manieren om indirect onderscheid vast te stellen is statistisch in kaart te brengen of variabelen een ongelijk effect hebben op beschermde groepen, bijvoorbeeld met fairness-methodes. Veelgebruikte methodes die verschillen tussen (beschermde) groepen in kaart brengen zijn group fairness-methodes.
Voorbeelden van dit soort methodes zijn het berekenen van selectieratio’s en misclassificatierisico’s voor verschillende groepen. Selectieratio’s kwantificeren of beschermde groepen vaker of minder vaak geselecteerd worden. Misclassificatieratio’s geven weer wie naar verhouding vaker onterecht wel of niet geselecteerd wordt. wordt. Dat wordt gedaan door te kijken naar valspositieven en valsnegatieven. Wordt er onderscheid gevonden waarvoor geen objectieve rechtvaardiging is dan moet de onderliggende oorzaak worden gevonden.
Risico’s
Grofweg zijn er twee soorten oorzaken die het risico op discriminatie in algoritmes kunnen vergroten: verschillen in voorspelkracht en een statistisch verband tussen een discriminatiegrond en een doelvariabele.
Als een algoritme minder accuraat is voor bepaalde groepen dan heeft het algoritme een lage voorspelkracht voor deze groepen. In 2022 oordeelde het College bijvoorbeeld dat de inzet van antispieksoftware voor het surveilleren van tentamens kan leiden tot indirect onderscheid op grond van ras als de software slechter presteert voor mensen met een donkere huidskleur. De doelvariabele is datgene wat een algoritme probeert te voorspellen. Als er een statistisch verband is tussen de doelvariabele en een discriminatiegrond, dan zal een accuraat algoritme dit verband reproduceren.
Het onderzoek ‘Algoritmes en Discriminatie’ is te vinden op de website van het College.
Het kabinet wil de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding permanent maken. Daarmee heeft de ministerraad op 20 maart jl. ingestemd. De wet geeft de overheid de bevoegdheid om mensen vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen als zij mogelijk een terroristisch gevaar vormen maar het strafrecht geen of nog geen mogelijkheden biedt. Zonder aanpassing vervalt de huidige wet op 1 maart 2027.
De wet biedt de mogelijkheid tot het opleggen van een meldplicht, een gebiedsverbod of een contactverbod aan personen met een terroristisch dreigingsprofiel. Het gaat daarbij om personen die op grond van hun gedragingen in verband kunnen worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Daarnaast kan een uitreisverbod worden opgelegd, waarmee iemand wordt verboden het Schengengebied te verlaten indien het vermoeden bestaat dat deze zich als doel heeft zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie. In de permanente wet zal de maatregel om subsidies en vergunningen in te trekken vervallen, nu deze sinds de invoering nooit is ingezet.
Raad van State negatief
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft zowel over de invoering van de tijdelijke wet, als over de verlenging daarvan kritisch geadviseerd. Reden daarvoor was dat nut en noodzaak van de wet niet overtuigend waren gemotiveerd, terwijl de wet wel kan leiden tot een inperking van grondrechten en het vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie. De Afdeling advisering merkt in haar op 25 februari jl. uitgebrachte advies op dat er nu, net als eerder bij de verlenging, opnieuw een kritisch evaluatierapport ligt. De onderzoekers trekken daarin de algemene conclusie dat de tijdelijke wet geen noodzakelijk instrument is in de bestrijding van terroristische activiteiten. De Afdeling advisering ziet geen reden om af te zien van de eerder naar voren gebrachte vraagtekens bij deze wettelijke maatregelen, temeer niet nu wordt voorgesteld de wet permanent te maken.
Dreigingsbeeld
Sinds de inwerkingtreding van de tijdelijke wet in 2017 is de aard van de terroristische dreiging in Nederland veranderd. Bij de totstandkoming van de wet ging deze dreiging vrijwel geheel uit van het jihadisme. Inmiddels zijn ook andere vormen van dreiging, zoals de dreiging van personen uit rechts-terroristische hoek, opgekomen. Dat roept de vraag op of de in de wet opgenomen bevoegdheden passen bij het huidige dreigingsbeeld. De Afdeling advisering vindt dus dat in de toelichting nader in moet worden gegaan op de wijze waarop de bestuurlijke maatregelen aansluiten bij de veranderende aard van de dreiging.
Bron: rijksoverheid.nl
Met het wetsvoorstel wil de regering een helder kader creëren voor het proces van gereedstelling van de krijgsmacht. Daarbij worden verschillende wettelijke belemmeringen weggenomen die nu nog activiteiten in de fysieke leefomgeving beperken. Ook regelt het voorstel de verwerking van (persoons)gegevens die nodig zijn voor de gereedstelling en bevat het specifieke bepalingen over personeel en inkoop.
Internationale veiligheid
Het wetsvoorstel moet worden gezien tegen de achtergrond van de snel veranderende internationale veiligheidssituatie. Door deze ontwikkelingen is het mogelijk dat Europa, en daarmee ook Nederland, op relatief korte termijn betrokken raakt bij een grootschalig militair conflict. Daarom is een versnelde gereedstelling, groei en versterking van de krijgsmacht noodzakelijk. Dit betekent onder andere dat Defensie op korte termijn vaker en intensiever moet kunnen oefenen binnen Nederland. Denk daarbij aan realistische oefeningen met drones boven militaire terreinen, laagvliegoefeningen met helikopters en nachtvluchten vanaf militaire luchthavens.
De Afdeling advisering begrijpt de noodzaak van het wetsvoorstel en onderschrijft de gekozen aanpak, maar plaatst in haar advies enkele kanttekeningen waarmee de regering rekening zou moeten houden voordat het voorstel aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd.
Deze opmerkingen richten zich onder meer op het versterken van maatschappelijk draagvlak, het bieden van een langetermijnperspectief en het bewaken van de balans tussen publieke waarden en belangen. Om die balans te waarborgen, adviseert de Afdeling om bepaalde onderdelen van de wettekst aan te passen.
De effectiviteit van het wetsvoorstel zal in grote mate afhangen van het draagvlak in de samenleving voor de gereedstelling van de krijgsmacht. Er is behoefte aan een breed gedeeld gevoel van urgentie en collectief bewustzijn om medewerking te krijgen van overheden, maatschappelijke organisaties en burgers. Dit vraagt om een inzet van het gehele kabinet, met actieve betrokkenheid en gedeelde verantwoordelijkheid. De Afdeling adviseert de regering om in de toelichting bij het wetsvoorstel concreet toe te lichten hoe zij dit draagvlak wil versterken.
Bron: Raad van State
In 2025 is het aantal advocaten in Nederland met 1,7% gegroeid tot 19.046, de grootste groei in tien jaar. De groei verschilt regionaal sterk: Noord-Holland groeit het snelst (3%), terwijl Den Haag en Zeeland-West-Brabant nauwelijks toenemen. In totaal kwamen er 323 advocaten bij, waarvan 118 in Amsterdam, dat met 6.788 advocaten veruit het grootste arrondissement blijft.
Hoewel de landelijke groei positief is, is de verdeling scheef. Ten opzichte van 2016 daalde het aantal advocaten in vijf van de elf arrondissementen. Amsterdam heeft bijna 6 advocaten per 1.000 inwoners, terwijl Noord-Nederland en Overijssel het met minder dan een halve advocaat moeten doen.
Het aantal advocaat-stagiairs steeg in 2025 naar 1.139, een groei van 27% ten opzichte van vijf jaar eerder. Van de nieuw beëdigde advocaten is 62% vrouw. De balie bestaat momenteel uit 53% mannen en 47% vrouwen, met de verwachting dat het aandeel vrouwen verder zal stijgen.
Het totaal aantal advocatenkantoren groeit nauwelijks. Driekwart van de kantoren bestaat uit één of twee advocaten, maar juist deze groep krimpt. Daartegenover staat een duidelijke groei van grotere kantoren (33–64 advocaten), vooral in Rotterdam. In Den Haag verdwenen de meeste kantoren (-16).
Ondanks de algemene groei daalt het aantal sociaal advocaten verder. In 2025 waren er 4.369 advocaten met minimaal tien toevoegingen, bijna 10% minder dan zes jaar geleden. Vooral in regio’s als Oost-Groningen, Zuidoost-Drenthe, en Delfzijl is het aanbod kritiek. Dit wordt door de Nederlandse orde van advocaten als zorgwekkend bestempeld.
Sommige specialismen, zoals het asiel- en vluchtelingenrecht, kampen met vergrijzing: 31% van de advocaten is 60-plus, terwijl er vrijwel geen jonge instroom is (slechts één advocaat onder de 30). Dit kan leiden tot toekomstige tekorten.
Bron: Balie in Beeld 2026
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat nationale wetgeving die een burger niet toestaat om zijn of haar gendergegevens officieel te wijzigen, terwijl die persoon gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer binnen de EU, in strijd is met het EU‑recht.
De zaak betrof een Bulgaarse burger die bij geboorte als man was geregistreerd maar in Italië als vrouw leeft en daar een medische transitie is begonnen. Zij vroeg in Bulgarije om haar officiële gegevens (geslacht, naam, identificatienummer) te laten aanpassen, maar dit werd geweigerd. De Bulgaarse wet, zoals uitgelegd door de hoogste civiele rechter, beschouwt 'geslacht' uitsluitend als een biologisch gegeven en staat geen wijziging toe om redenen die verband houden met genderidentiteit. Het publieke belang en de morele of religieuze waarden van de samenleving zouden zwaarder wegen dan de belangen van transgender personen.
De Bulgaarse rechter twijfelde of deze benadering wel verenigbaar is met het EU‑recht en stelde prejudiciële vragen aan het Hof. Het Hof oordeelt dat zulke nationale regels de uitoefening van het recht op vrij verkeer belemmeren: wanneer de genderidentiteit van een persoon niet overeenkomt met de gegevens op officiële documenten, kan dat leiden tot problemen bij identiteitscontroles, grensovergangen en dagelijkse situaties, waardoor de persoon gedwongen wordt steeds opnieuw uitleg te geven of twijfel weg te nemen.
Het Hof benadrukt dat lidstaten weliswaar bevoegd zijn om regels vast te stellen over identiteitsdocumenten, maar dat zij dit in overeenstemming met het EU‑recht moeten doen. Beperkingen op het vrij verkeer zijn alleen toegestaan als ze berusten op objectieve redenen van openbaar belang én voldoen aan het proportionaliteitsbeginsel. Bovendien moeten zij de grondrechten, waaronder het recht op eerbiediging van het privéleven, respecteren. Dat recht omvat ook de bescherming van iemands genderidentiteit. Daarom moeten lidstaten duidelijke, toegankelijke en effectieve procedures bieden voor de juridische erkenning van genderidentiteit. Het Bulgaarse systeem, dat elke wijziging van geslachtsgegevens op basis van genderidentiteit uitsluit, voldoet daar niet aan en vormt een ongerechtvaardigde beperking van het vrij verkeer.
Bron: Info Curia
De Europese Commissie heeft 18 maart een voorstel gepresenteerd voor een ‘EU Inc.’: een nieuwe EU-nv.
Met de invoering van deze vennootschap wil de Europese Unie een antwoord geven op kritiek van bedrijven op de wirwar van regels en rechtsvormen in Europa. Hierdoor vertrekken bedrijven vaak naar de VS, waar deze administratrieve hobbels minder groot zijn.
Om dit in de toekomst te voorkomen, zal het met de EU Inc. mogelijk zijn om binnen de Europese Unie internationaal te ondernemen zonder nieuwe dochterondernemingen te moeten oprichten en er dus een goedkope en praktische rechtsvorm is voor internationeel opererende bedrijven.
De registratie van de EU Inc. kan binnen 48 uur en tegen maximaal 100 euro gebeuren via een apart digitaal platform, zonder tussenkomst van een notaris; nationale autoriteiten krijgen de gegevens via het platform. Naast minder administratieve rompslomp maakt de EU Inc. het mogelijk om aandeelhoudersvergaderingen alleen online te houden.
De voorgestelde EU Inc. is bij een faillissement sneller af te wikkelen. De reikwijdte van de EU Inc. is beperkt tot de opzet en organisatie van het bedrijf. Nationale belastingwetten en arbeidswetgeving veranderen niet. Er zijn waarborgen ingebouwd om misbruik (fraude, witwassen) te voorkomen.