Artikelen van Redactie
De nieuwe wet bevat drie maatregelen die de nationale veiligheid en de beschikbaarheid van belangrijke defensiegerelateerde middelen moeten versterken.
Bescherming van strategische bedrijven
Allereerst wordt een defensie-veiligheidstoets ingevoerd. Met deze toets kan beter worden beoordeeld of bedrijven risico lopen door ongewenste buitenlandse invloed. Het doel is om dreigingen zoals spionage, cybercriminaliteit en ongewenste zeggenschap over strategische ondernemingen tegen te gaan. Zo blijven cruciale kennis, technologie en productiecapaciteit beschermd.
Toegang tot internationale defensieprogramma’s
Daarnaast kunnen ondernemingen een geschiktheidsverklaring aanvragen wanneer zij willen deelnemen aan internationale defensieprojecten, bijvoorbeeld binnen de EU of de NAVO. Met deze verklaring tonen bedrijven aan dat zij voldoen aan de vereiste veiligheids- en betrouwbaarheidsnormen. Dit vergroot hun kansen op deelname aan internationale samenwerkingen en draagt bij aan een sterkere Nederlandse defensie-industrie.
Zekerheid over essentiële leveringen
Het derde onderdeel van de wet richt zich op de beschikbaarheid van cruciale goederen en diensten voor de krijgsmacht. In tijden van crisis of verhoogde dreiging kan het noodzakelijk zijn dat bepaalde bedrijven bijdragen aan de levering van strategische producten of voorraden aanhouden. Daarmee wordt de continuïteit van belangrijke defensieactiviteiten beter gewaarborgd en ontstaat meer zekerheid voor zowel Defensie als betrokken bedrijven.
Samenwerking voorop
De overheid blijft inzetten op vrijwillige samenwerking met het bedrijfsleven. Verplichte maatregelen worden alleen toegepast wanneer andere mogelijkheden onvoldoende zijn om de nationale veiligheid en de leveringszekerheid te waarborgen.
De Afghaanse mannen werkten als bewaker bij de Nederlandse ambassade in Kaboel, voordat de Taliban in augustus 2021 de macht overnamen. De mannen stellen dat zij vanwege deze werkzaamheden gevaar lopen in Afghanistan en dat de Staat hen daarom naar Nederland moet overbrengen. De kantonrechter in de Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat op de Staat een zorgplicht jegens de mannen rust en dat de Staat daarom verplicht is de Afghaanse bewakers naar Nederland over te brengen.
Het hof heeft in hoger beroep de vordering van de Afghaanse bewakers alsnog afgewezen. Volgens het hof heeft de Staat geen zorgplicht jegens de mannen. Zij waren niet in dienst van de Staat, maar bij een lokaal bedrijf. Dit bedrijf verrichtte de bewakingsdiensten in opdracht van de Staat. De verplichtingen van de Staat jegens de mannen moeten volgens het hof daarom worden beoordeeld naar Afghaans recht. Dat recht kent geen zorgplicht jegens het personeel van een opdrachtnemer die meebrengt dat dit personeel zo nodig geëvacueerd moet worden naar een ander land. Die zorgplicht bestaat volgens het hof trouwens ook niet naar Nederlands recht in een geval zoals dit. Volgens het hof doen de Afghaanse bewakers ook tevergeefs een beroep op de bescherming van de mensenrechtenverdragen waarbij Nederland is aangesloten. Om een beroep op die verdragen te kunnen doen, is volgens het hof vereist dat de Staat rechtsmacht over de Afghaanse bewakers had. Dat wil zeggen: dat de Staat controle en gezag over de Afghaanse bewakers kon uitoefenen. Dat was volgens het hof niet het geval.
Cassatieklachten
De Afghaanse mannen bestrijden in hun cassatieberoep dat het Afghaanse recht van toepassing is met betrekking tot de vraag of op de Staat een zorgplicht rust. Volgens hen is Nederlands recht van toepassing. Zij bestrijden het oordeel van het hof dat naar Nederlands recht in dit geval geen zorgplicht voor de Staat bestaat op grond waarvan de Staat hen naar Nederland moet overbrengen. Ook voeren de Afghaanse mannen aan dat de Staat wel controle en gezag over hen kon uitoefenen en daarom wel rechtsmacht over hen had. Volgens hen is de Staat daarom ook op grond van mensenrechtenverdragen verplicht om hen naar Nederland over te brengen.
De A-G is van mening dat de cassatieklachten van de Afghaanse mannen ongegrond zijn. Het hof heeft volgens hem terecht beslist dat het Afghaanse recht van toepassing is. Ook vindt de A-G dat het hof terecht heeft beslist dat in dit geval naar Nederlands recht geen zorgplicht van de Staat bestaat die meebrengt dat de mannen naar Nederland moeten worden overgebracht. Het oordeel van het hof dat de Staat geen controle en gezag over de Afghaanse bewakers kon uitoefenen en dus geen rechtsmacht over hen had, is volgens de A-G in overeenstemming met de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.
De uitspraak van de Hoge Raad is voorlopig bepaald op 15 januari 2027
Bron: Hoge Raad