Zwijgen als bewijs?

In het proefschrift van Tessa van der Rijst staat de volgende vraag centraal: Welke rol speelt het zwijgen van verdachten in de totstandkoming van bewijsbeslissingen van Nederlandse feitenrechters en hoe kan die rol zowel juridisch als logisch worden begrepen en gewaardeerd?

Aan het zwijgen van een verdachte mogen in bepaalde gevallen consequenties worden verbonden. De juridische kaders hieromtrent zijn noodgedwongen algemeen. Dit heeft geleid tot kritische geluiden in de literatuur: in relatie tot het bewijs in een zaak, zou te veel gewicht (kunnen) worden toegekend aan het zwijgen van een verdachte – met het oog op het zwijgrecht, het nemo teneturbeginsel en de onschuldspresumptie.  

In het proefschrift van Tessa van der Rijst staat de volgende vraag centraal: Welke rol speelt het zwijgen van verdachten in de totstandkoming van bewijsbeslissingen van Nederlandse feitenrechters en hoe kan die rol zowel juridisch als logisch worden begrepen en gewaardeerd?

Dit proefschrift heeft als doel verkennend te onderzoeken hoe het zwijgen van verdachten feitelijk wordt gebruikt door Nederlandse strafrechters, en op dat gebruik te reflecteren vanuit zowel juridische kaders als bewijstheoretische inzichten. Het gebruik van zwijgen door Nederlandse feitenrechters in het strafrecht heb ik empirisch onderzocht door systematische feitenrechtspraakanalyse van uitspraken in witwas- (hoofdstuk 2) en diefstalzaken (hoofdstuk 3) en door middel van semigestructureerde interviews met twintig strafrechters door heel Nederland (hoofdstuk 4). De rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad (hoofdstuk 1) vormde hier telkens de juridische kaders voor. Het vijfde hoofdstuk bevat een theoretische reflectie op Van der Rijsts bevindingen vanuit drie bewijstheorieën: de argumentatieve benadering, de verhalenbenadering en Bayesiaans redeneren. Zij vond twee rollen van zwijgen bij de totstandkoming van bewijsbeslissingen van Nederlandse feitenrechters. De eerste rol is zwijgen als het uitblijven van een verklaring voor het belastende bewijs. In een proces op tegenspraak kan een verklaring van een bepaalde kwaliteit ervoor zorgen dat een rechter nog eens kritisch naar het bewijs kijkt. Een verklaring kan daarmee bijdragen aan de kwaliteit van het rechterlijk oordeel en het rechterlijk oordeel veranderen. Deze rol van zwijgen past bij de kritische kant die alle bestudeerde benaderingen van bewijzen in het strafrecht kennen.

De tweede rol van zwijgen die werd gevonden speelt waarschijnlijk een kleinere en subtielere rol. Dit is de rol van zwijgen als ‘indicatie van schuld’, die voortvloeit uit generalisaties zoals ‘wie zwijgt is schuldig’. Zwijgen kan op deze manier soms wellicht enigszins bijdragen aan het behalen van de bewijsmaatstaf van artikel 338 Sv. Deze rol van zwijgen plaatst Van der Rijst dan ook in de constructieve kant van de bestudeerde bewijsbenaderingen. Beide rollen van zwijgen zijn niet per definitie problematisch, maar voor beide is het van belang dat zowel rechters als OM kritisch beoordelen en controleren of is voldaan aan de juridische eisen, zoals motivering en bewijsminima, en dat de juridische kaders ten aanzien van het gewicht dat zwijgen mag hebben, en ten aanzien van de kwaliteit van het bewijs, in acht zijn genomen. De rol van zwijgen mag en kan zowel juridisch als logisch slechts van zeer kleine betekenis zijn, nu zwijgen op zichzelf niets zegt.

Van der Rijst verdedigde haar proefschrift op 30 januari 2026 aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Promotoren: dr. mr. Lonneke Stevens en prof. dr. mr. Barbora Hola. 

Tessa van der Rijst
Zwijgen als bewijs? De rol van het zwijgen van verdachten bij bewijsbeslissingen


WJS Uitgevers 2026, € 49
ISBN 978 94 9345 830 7

Omslagontwerp: Savannah van Kuppenveld
De dissertatie is ook verkrijgbaar via de repository van de universiteit.

Over de auteur(s)