Unravelling the impact of cybercrime

De centrale onderzoeksvraag van dit proefschrift van Jildau Borwell luidt: Wat is de slachtofferimpact van cybercrime, en wat betekent dit voor de rol van de politie? Uit het proefschrift blijkt dat dat slachtoffers van cybercrime minstens zoveel impact ervaren als slachtoffers van traditionele criminaliteit – zoals woninginbraak – waarbij de impact verschilt per type delict en slachtoffer. Op basis van haar bevindingen doet Borwell aanbevelingen aan de politie over de aanpak van cybercrime en de bejegening van slachtoffers. Eén van de keerzijden van digitalisering is de opkomst van cybercrime. De vormen van criminaliteit die hieronder vallen hebben ingrijpende gevolgen voor slachtoffers, die minstens zo groot zijn als de gevolgen van traditionele criminaliteit, zo blijkt uit dit proefschrift. Toch lijken de politie, andere publieke en private organisaties en burgers deze impact vaak te onderschatten. Dit proefschrift laat, vanuit een slachtoffergerichte benadering, zien hoe slachtoffers de impact van cybercrime ervaren, welke behoeften daaruit voorkomen, en wat dit betekent voor de rol van de politie en partnerorganisaties. De ervaringen en percepties van slachtoffers staan centraal: hoe zij de ernst en gevolgen van het delict beleven, welke emoties en praktische problemen daaruit voortvloeien, en welke ondersteuning zij voor zichzelf nodig achten. Door de impact van cybercrime te vergelijken met traditionele criminaliteit, die impact te verklaren, en door onderscheid te maken tussen verschillende typen impact en vormen van slachtofferschap, biedt dit proefschrift vernieuwende en maatschappelijk betekenisvolle inzichten in de slachtofferimpact van cybercrime. Uit enquêtes onder slachtoffers bleek dat slachtoffers van online vermogensdelicten (bankhelpdeskfraude, hacken van bankaccounts) tijdens het delict of de ontdekking daarvan meer stress ervaren dan slachtoffers van traditionele delicten (babbeltrucs en woninginbraak). Ook wordt hun zelfbeeld meer aangetast: er is meer zelfverwijt en schaamte. Dat laatste geldt ook voor slachtoffers van beeld gerelateerd seksueel misbruik (zoals sextortion en wraakporno): zij ervaren meer stress, zelfverwijt en schaamte dan slachtoffers van fysieke aanranding. Slachtoffers van online vermogenscriminaliteit hebben daarnaast, in vergelijking met de traditionele varianten, sterkere emotionele, sociale en praktische behoeften. Bijvoorbeeld erkenning van het delict, toegankelijke hulp en preventieadvies. Opvallend is ook dat online aangevers van cybercrime minder tevreden zijn over het proces dan slachtoffers die in persoon aangifte doen. Gepleit wordt voor een herbezinning op de rol van de politie. Er wordt geadviseerd om cybercrime te behandelen als High Impact Crime, zodat slachtoffers dezelfde erkenning en ondersteuning krijgen als slachtoffers van bijvoorbeeld woninginbraak. Daarbij adviseert ze om verder te kijken dan financiële schade en het opsporingsproces en te zorgen voor maatwerk. Impact en behoeften bleken namelijk te verschillen naar bijvoorbeeld leeftijd, sociaaleconomische status en victim blaming vanuit de omgeving.Ook wordt het belang van zelfbeeldherstel na online slachtofferschap benadrukt. Een neutrale en begripvolle benadering is daarbij essentieel, zodat wordt voorkomen dat de schuld bewust of onbewust bij slachtoffers wordt gelegd. Verder bepleit de auteur voor verbetering van het aangifteproces. De politie benut haar bevindingen al in de nieuwe werkwijze Digitaal ter plaatse, waarbij de politie desgewenst slachtoffers thuis bezoekt voor eerste hulp en ondersteuning. Concluderend blijkt dat de impact van cybercrime minstens zo groot is als die van traditionele criminaliteit. De ondersteuning door politie en andere instanties sluit daar nog niet altijd op aan. Uit de bevindingen volgen zes aanbevelingen die van belang zijn voor beleid en praktijk, in het bijzonder voor de politie en andere organisaties die in contact staan met slachtoffers van cybercrime. Dit vraagt om afstemming tussen de betrokken partijen, waarbij de politie een regie- of aanjaagrol kan vervullen. Borwell doet hiervoor de volgende aanbevelingen:
1. Behandel slachtoffers van cybercrime als slachtoffers van ‘High Impact Crime’;
2. Stem slachtofferondersteuning af op het type cybercrime en de kenmerken ervan;
3. Geef prioriteit aan preventie en ondersteuning voor cybercrimeslachtoffers die extra kwetsbaar lijken voor het ervaren van hoge impact;
4. Besteed aandacht aan de praktische en emotionele behoeften van slachtoffers van financiële cybercrime;
5. Prioriteer zelfbeeldherstel van cybercrimeslachtoffers en voorkom secundaire victimisatie;
6. Evalueer en verbeter aangifteprocessen om beter tegemoet te komen aan de impact en behoeften van cybercrimeslachtoffers.
Het proefschrift biedt inzichten voor meer slachtoffergericht beleid en politiewerk op het gebied van cybercrime. In een tijd waarin technologie verder doordringt tot ons dagelijks leven, moet ook de aandacht voor cybercrimeslachtoffers meebewegen: mensgericht, responsief en afgestemd op de dynamiek van het digitale tijdperk.

Borwell verdedigde haar proefschrift  op 17 oktober 2025 aan de Open Universiteit in Heerlen. Promotor was prof. dr. Wouter Stol, copromotor was Jurjen Jansen.  


Jildau Borwell 
Unravelling the impact of cyber­crime – Understanding victim experiences and implications for police practice

Over de auteur(s)