Toezicht op de OM-strafbeschikking

De OM-strafbeschikking geeft de officier van justitie de bevoegdheid om eenzijdig, zonder tussenkomst van een rechter, de schuld van de verdachte aan een strafbaar feit vast te stellen en een straf op te leggen. Deze vergaande bevoegdheid, die met enige regelmaat aanleiding geeft tot maatschappelijk en wetenschappelijk debat, roept de vraag op of is voorzien in adequaat toezicht op de wijze waarop het OM de strafbeschikking hanteert. In de dissertatie studie van Maarten Knol worden de belangrijkste vormen van toezicht op de OM-strafbeschikking onderzocht: intern toezicht binnen het OM, toezicht door de rechter na verzet of onvolledige tenuitvoerlegging van een strafbeschikking, toezicht door de procureur-generaal bij de Hoge Raad en toezicht door de Nationale ombudsman. In het onderzoek wordt het toezicht op de OM-strafbeschikking vanuit verschillende perspectieven belicht. Eerst wordt bezien hoe het toezicht op andere vormen van buitengerechtelijke afdoening zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld. Daarbij komen vooral de transactie, het voorwaardelijk sepot en de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften aan bod. Vervolgens verschuift de blik naar de strafbeschikking zelf. Met de invoering van de strafbeschikking is een grote verantwoordelijkheid bij de officier van justitie gelegd. Die verantwoordelijkheid onderstreept het belang van adequaat toezicht. Een analyse van het juridisch kader dat de strafbeschikking normeert leert echter dat het voor een toezichthouder niet steeds eenvoudig is om te bepalen of het OM zijn taak naar behoren uitvoert. De strafbeschikking is slechts beperkt wettelijk genormeerd, waarbij die normering enkele onduidelijke normen bevat. Bovendien wordt het OM veel discretionaire vrijheid gelaten bij het opstellen van strafvorderingsbeleid dat de toepassing van de strafbeschikking normeert en bij de beslissing om in individuele gevallen tot uitvaardiging van een strafbeschikking over te gaan. Bij de invulling van die discretionaire ruimte wordt het OM onder andere geconfronteerd met de lastige opdracht rekening te houden met het moeilijk grijpbare concept van de rechterlijke straftoemeting. Kijkt men naar de verschillende vormen van toezicht op de strafbeschikking, dan vallen veel positieve elementen te ontwaren. Zo vullen de verschillende vormen van toezicht elkaar aan. Het OM houdt zelf intern toezicht dat is gericht op kwaliteitsontwikkeling. Dat wordt aangevuld door verschillende vormen van extern toezicht. In individuele zaken bestaat veel ruimte om een strafzaak aan de rechter voor te leggen, waarbij de rechter alle vrijheid heeft om een andere beslissing te nemen dan de officier van justitie die eerder een strafbeschikking uitvaardigde. Die rechterlijke beoordeling van individuele strafzaken wordt aangevuld door onafhankelijk zaaksoverstijgend toezicht, dat vooral door de procureur-generaal bij de Hoge Raad wordt uitgeoefend.

De positieve aspecten laten onverlet dat er ook ruimte is voor verbetering. Een van de belangrijkste aanbevelingen houdt verband met het toezicht door de rechter. De rechter wordt na verzet, en zelfs na onvolledige tenuitvoerlegging van een reeds onherroepelijk geworden strafbeschikking, niet gedwongen om duidelijk te maken hoe zijn beslissing zich verhoudt tot de eerdere beslissing van de officier van justitie om een strafbeschikking uit te vaardigen. Het toezicht op de OM-strafbeschikking wordt aanzienlijk versterkt als de rechter na verzet of onvolledige tenuitvoerlegging van een strafbeschikking wel (mede) een oordeel uitspreekt over die eerder uitgevaardigde strafbeschikking.

Knol promoveerde op 16 november 2025 aan de Rijksuniversiteit Groningen. Promotoren: prof. mr. dr. Alex Harteveld (Rijksuniversiteit Groningen) en prof. mr. dr. Rick Robroek (Universiteit Utrecht).

 
Maarten Knol
Toezicht op de OM-strafbeschikking


WJS Uitgevers 2025, 494 p., € 89  
ISBN 978 94 9345 822 2

Over de auteur(s)