In het proefschrift van Yosri Hafez staat de vraag centraal in hoeverre de normen uit titel 7.16 BW – waarin de franchiseovereenkomst sinds 2021 is geregeld – aansluiten bij het algemene verbintenissenrecht (Boek 3 en 6 BW) en welke wetssystematische onvolkomenheden zich daarbij voordoen. Het onderzoek beoogt inzicht te geven in de juridische werking van de wet en zo bij te dragen aan de ordelijkheid van het rechtssysteem. Het onderzoek brengt drie typen onvolkomenheden in kaart:
i. Onduidelijkheid over de sanctie bij een normschending. Een voorbeeld is artikel 7:913 BW. Uit de wet volgt niet duidelijk wat de gevolgen zijn van schending van een informatieplicht uit dit artikel. Het onderzoek laat zien onder welke omstandigheden sprake is van een normschending en via welke mechanismes daar gevolgen aan kunnen worden verbonden. Vastgesteld wordt dat dit artikel in het dwalingsleerstuk (artikel 6:228 BW) is gepositioneerd, en dat vernietiging van de franchiseovereenkomst op grond van artikel 3:40 BW niet voor de hand ligt. Vernietiging vereist dus dat aan alle vereisten voor dwaling wordt voldaan. De wettekst maakt dit niet duidelijk. Door middel van verschillende interpretatiemethoden wordt die onduidelijkheid weggenomen.
ii. Discrepantie tussen de wettekst en de inhoud van de norm zoals die op basis van (verschillende) interpretatiemethoden kan worden vastgesteld. Een voorbeeld is artikel 7:922 BW. Dit artikel is geformuleerd als een Rome-I-voorrangsregel, maar uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever nooit een voorrangsregel voor ogen heeft gehad. Van een voorrangsregel is dus geen sprake. Daaruit volgt dat in grensoverschrijdende gevallen titel 7.16 BW niet dwingend van toepassing is. De tekst van de wet sluit aldus niet aan bij de op basis van interpretatie vastgestelde inhoud van het artikel.
iii. Bepalingen waarvan de inhoud niet aansluit bij de doelstelling ervan of verder reikt dan de wetgever heeft beoogd. Een voorbeeld is artikel 7:920 lid 1 BW inzake goodwill. Dit is een dwingendrechtelijke bepaling. De wetgever heeft partijen – met het oog op de contractsvrijheid – de mogelijkheid willen geven om zelf een regeling te treffen in de franchiseovereenkomst. Het gevolg hiervan is dat in een overnameovereenkomst op de reeds gemaakte afspraak kan worden teruggekomen. Artikel 7:920 lid 1 BW is daarom niet sluitend, en dat heeft de wetgever niet voorzien.
De slotconclusie luidt dat de onvolkomenheden onder i en ii met interpretatie (grammaticaal, wetshistorisch of wetssystematisch) kunnen worden opgelost. Hoewel de wet op onderdelen duidelijker en overzichtelijker had kunnen worden vormgegeven, is wetswijziging wat Hafez betreft niet nodig omdat interpretatie volstaat. De onvolkomenheden onder iii kunnen echter niet door interpretatie worden weggenomen. Daarvoor is wetswijziging vereist, maar dat vergt een rechtspolitieke afweging. Dit onderzoek gaat niet in op de noodzaak of wenselijkheid van wetgeving, maar legt wel de vinger op de zere plekken.
Hafez verdedigde zijn proefschrift op 30 januari 2026 aan de Open Universiteit in Heerlen. Promotoren waren prof. mr. Jac Rinkes en prof. mr. Edwin van Wechem.
Yosri Hafez
De juridische werking van de Wet franchise. Een onderzoek naar de duiding van de normen in titel 7.16 BW en de inpassing in het algemene verbintenissenrecht
Recht en praktijk, nr. CA31 (diss. Heerlen)
Wolters Kluwer 2025, 288 p., € 72,50
ISBN: 9789013184754
DOI: 10.71583/20260130yh