Cryptocrimes

Deze dissertatie van Laurie Ritzen onderzoekt in hoeverre materiële kaders van de Europese Unie en Nederland toereikend en effectief zijn om voor zogeheten ‘cryptocrimes’ strafrechtelijke aansprakelijkheid vast te kunnen stellen. Onder die noemer worden twee categorieën gedragingen geschaard: enerzijds misbruik rond de uitgifte en handel in crypto-activa, zoals cryptojacking, initial coin offering fraude en marktmisbruik, en anderzijds delicten waarbij crypto-activa als object worden gebruikt om bepaald gedrag te faciliteren, zoals diefstal, afpersing en afdreiging, verduistering, witwassen, terrorismefinanciering, belastingfraude en het omzeilen van economische sancties. De centrale vraag luidt of aanvullende wetgeving op Nederlands en/of Europees niveau noodzakelijk is om cryptocriminaliteit effectief tegen te gaan en, zo ja, hoe die regulering vorm zou moeten krijgen. Ter beantwoording zijn twee normatieve kaders ontwikkeld. Het eerste evaluatieve kader toetst of bestaande bepalingen een adequate en effectieve grondslag bieden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid. Dit gebeurt onder andere aan de hand van criteria afgeleid uit het legaliteitsbeginsel. Het tweede desideratieve kader richt zich op de vraag hoe het recht vorm zou moeten krijgen als leemtes of ineffectiviteit worden vastgesteld. Daarbij speelt het beginsel van crypto en niet-crypto gelijkheid een centrale rol: vergelijkbare gedragingen dienen in beginsel ook juridisch vergelijkbaar te worden behandeld, tenzij relevante verschillen tussen crypto-activa en traditionele objecten een afwijkende benadering rechtvaardigen.

Voor iedere onderzochte vorm van cryptocriminaliteit wordt eerst de archetypische verschijningsvorm in kaart gebracht. Vervolgens wordt geanalyseerd welke Europese en nationale juridische kaders relevant zijn en worden deze getoetst op toereikendheid en effectiviteit. Vanwege de brede insteek bestrijkt het onderzoek zowel het commune en bijzondere strafrecht als het punitieve bestuursrecht. De analyse is nadrukkelijk interdisciplinair en verbindt strafrechtelijke leerstukken met technologische kenmerken van crypto-activa – zoals (pseudo-)anonimiteit, decentralisatie, de onomkeerbaarheid van transacties en het grensoverschrijdende karakter van het systeem. 

Anders dan in het publieke en politieke debat vaak wordt gesuggereerd, toont het onderzoek aan dat het merendeel van de onderzochte vormen van cryptocriminaliteit reeds onder bestaande materiële normen kan worden gebracht. Het gebruik van crypto-activa voor criminele doeleinden blijkt veelal een moderne technologische variant van bestaande criminaliteit. Een zorgvuldige toepassing van bestaande juridische kaders biedt in de meeste gevallen ruimte voor de vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Daarmee relativeert het proefschrift de veronderstelling dat de technologische innovatie van crypto-activa noodzakelijkerwijs nieuwe strafbaarstellingen vereist.

Op enkele punten worden tekortkomingen gesignaleerd. Vanuit het beginsel van crypto en niet-crypto gelijkheid geven deze echter niet altijd aanleiding tot wijzigingen in het wettelijke kader.  Uitsluitend in het preventieve kader ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering wordt een heroverweging noodzakelijk bevonden. Meer specifiek wordt aanbevolen in het Nederlandse kader de afbakening tussen gereguleerde en ongereguleerde actoren in het cryptodomein te heroverwegen en transacties boven een bepaalde waardegrens aan toezicht te onderwerpen, zowel op Europees als Nederlands niveau. 

Het proefschrift is op 7 november 2025 verdedigd. De promotores zijn prof. mr. Tijs Kooijmans en prof. mr. Matthijs Nelemans.  


Laurie Ritzen
Cryptocrimes. To what extent are cryptocrimes addressed by the legal frameworks of the European Union and the Netherlands?


De dissertatie is opgenomen in de Maastricht Law Series (Nr. 4). 
WJS uitgevers 2025, € 79
ISBN 978 94 9345 804 8

Over de auteur(s)