Aansprakelijkheid en  verzekering in de ouder-kindrelatie

De dissertatie van Hilde Verweij-Hoogendijk richt zich op de vraag waarom, wanneer en op welke wijze het bestaan van een ouder-kindrelatie van betekenis is voor toepassing van het aansprakelijkheidsrecht en het verzekeringsrecht.

Het onderzoek richt zich specifiek op de aansprakelijkheid van ouders en verzekeringsdekking voor personenschade van hun kinderen. Ook prenataal veroorzaakte personenschade valt onder het bereik van dit onderzoek. Deel A bevat een verkenning van de betekenis van de ouder-kindrelatie voor het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht. Uit Deel A blijkt dat in het Nederlandse recht sprake is van een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid, maar dat de gronden voor deze verhoogde drempel en de wijze waarop deze moet worden ingevuld onvoldoende doordacht zijn. In het verzekeringsrecht is de aanwezigheid van een ouder-kindrelatie en de mogelijke gevolgen hiervan voor dekking en verhaal beter doordacht. De gedachte die ten grondslag ligt aan de verhaalsbeperkingen van artikel 7:962 lid 3 BW en de belangen die daarbij worden gediend, geven ook aanleiding om in het geval van verhaal op grond van artikel 6:102 BW en artikel 15 WAM verhaalsbeperkingen jegens de ouders op te leggen.

In Deel B wordt een rechtsvergelijkende verdieping geboden met betrekking tot het recht van de Verenigde Staten en Duitsland. Uit de rechtsvergelijking met Duitsland en de Verenigde Staten blijkt in de eerste plaats dat de ouder-kindrelatie aanleiding kan geven voor een eigen toepassing van het aansprakelijkheidsrecht. In de tweede plaats legt het debat over de aan te leggen maatstaf een verscheidenheid aan argumenten en belangen bloot die relevant zijn bij het oordeel over aansprakelijkheid. De conclusie is dat het antwoord op de vraag of een ouder jegens zijn kind aansprakelijk is, afhangt van een drietal gezichtspunten: 1) de aard van de gedraging, 2) de ernst van de gedraging en 3) de daarbij in het concrete geval betrokken belangen. De belangen die in het bijzonder gewicht in de schaal leggen in de ouder-kindrelatie zijn: a) het belang van gezinsautonomie en -harmonie, b) het belang van verantwoordelijkheid voor onaanvaardbaar gedrag en c) het belang van financiële zekerheid. Ten derde blijkt uit de afweging van de gezichtspunten dat er patronen te onderscheiden zijn, afhankelijk van de specifieke gevalstypen, die op hun beurt verschillende aansprakelijkheidsmaatstaven rechtvaardigen.

In Deel C worden voor het Nederlandse recht verschillende gevalstypen onderscheiden en wordt bepaald welke maatstaf passend is voor aansprakelijkheid van ouders jegens hun kinderen. De gevalstypen die zijn onderscheiden en uitgewerkt zijn 1) kindermishandeling en seksueel misbruik, 2) verkeersovertredingen en risicoaansprakelijkheden, 3) overige vormen van gevaarzetting en 4) psychische schade door gedrag ouder(s).  In geval van mishandeling en seksueel misbruik en schade als gevolg van een verkeersovertreding en bij risicoaansprakelijkheden blijkt dat de regels van het aansprakelijkheidsrecht op gebruikelijke wijze moeten worden toegepast. Bij de andere gevalstypen – de overige vormen van gevaarzetting en psychische schade door gedrag van de ouder(s) – is het passend om een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid aan te nemen in de vorm van grove nalatigheid.
De gevalstypen die over het voetlicht zijn gebracht ter zake van prenataal veroorzaakte schade zijn: 1) verkeersovertredingen, 2) schadelijke invulling van het privéleven, 3) medische behandeling en 4) de aansprakelijkheid van de vader. Wat aansprakelijk voor prenataal veroorzaakte schade onderscheidt van de gevalstypen hiervoor, is dat bij de belangenafweging groot gewicht moet worden toegekend aan de autonomie van de moeder en de gevolgen die een inbreuk op deze autonomie hebben voor de gezinsharmonie. Bij de typen gevallen 2) schadelijke invulling van het privéleven en 3) het weigeren van medische behandelingen, is het daarom passend om een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid aan te nemen in de vorm van bewuste roekeloosheid.

In Deel D wordt de centrale onderzoeksvraag beantwoord. Het is opgebouwd volgens de drie elementen van de onderzoeksvraag en beantwoordt concreet de vragen: 1) waarom is het bestaan van een ouder-kindrelatie van betekenis voor toepassing van het aansprakelijkheidsrecht en het verzekeringsrecht? 2) wanneer is het bestaan van een ouder-kindrelatie van betekenis voor toepassing van het aansprakelijkheidsrecht en het verzekeringsrecht? en 3) op welke wijze is het bestaan van een ouder-kindrelatie van betekenis voor toepassing van het aansprakelijkheidsrecht en het verzekeringsrecht? 

Verweij-Hoogendijk verdedigde haar proefschrift op 5 juni 2025 aan de juridische faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdan. Promotoren: prof. mr. Siewert Lindenbergh en prof. mr. Mop van Tiggele-van der Velde.  

Hilde Verweij-Hoogendijk
Aansprakelijkheid en verzekering in de ouder-kindrelatie. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar aansprakelijkheid van ouders en verzekeringsdekking voor personenschade van hun kinderen

Boom juridisch 2025, 390 p., € 72
ISBN 978 94 6212 180 5 

Over de auteur(s)