De Hoge Raad heeft op 10 februari 2026 geoordeeld dat het Wetboek van Strafvordering de inzet van een criminele burgerinfiltrant toestaat. Dat oordeel volgt in zes zaken uit het onderzoek Vidar, rond internationale drugshandel. Wel zijn aan de inzet strenge voorwaarden verbonden.
In de strafzaak Vidar is veel aandacht besteed aan twee moties die de Tweede Kamer heeft aangenomen. Het gaat daarbij om de in 1998 bij de behandeling van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden aangenomen motie Kalsbeek (Kamerstukken II 1998/99, 25403, nr. 33), waarin de Tweede Kamer een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant heeft uitgesproken. Daarnaast gaat het om de in 2014 aangenomen motie Recourt (Kamerstukken II 2013/14, 29279, nr. 192), waarmee de Tweede Kamer uitsprak dat een beperkte inzet van de criminele burgerinfiltrant mogelijk was. In cassatie wordt in verschillende zaken (onder meer) geklaagd over het oordeel van het hof over de inzet en betrouwbaarheid van de criminele burgerinfiltrant. Zo zou voor de inzet een toereikende wettelijke grondslag ontbreken. A-G Sinnige nam op 15 juli 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1233) conclusie in de zaken en achtte de cassatieklachten in vijf zaken en de ontnemingszaak ongegrond en adviseerde de Hoge Raad de cassatieberoepen te verwerpen en de veroordelingen (en de beslissing in de ontnemingszaak) in stand te laten. In een zesde strafzaak adviseerde zij tot vernietiging van de beslissing tot onttrekking aan het verkeer van twee voorwerpen, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad is van oordeel dat de cassatieklachten over de inzet van de ‘criminele burgerinfiltrant’ niet slagen.
Juridisch kader en betekenis moties
De opvatting van de verdediging dat voor de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ een toereikende grondslag ontbreekt, is onjuist. Op grond van de wet (specifiek: art. 126w Wetboek van Strafvordering (Sv)) kan de officier van justitie met ‘een persoon die geen opsporingsambtenaar is’ overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing. De officier van justitie kan toepassing geven aan deze bevoegdheid als het onderzoek dit dringend vordert en als het gaat om de verdenking van een misdrijf waarvoor een bevel voorlopige hechtenis kan worden gegeven, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Toepassing van deze bevoegdheid kan alleen plaatsvinden als niet een bevel kan worden gegeven tot infiltratie door een opsporingsambtenaar. Art. 126w Sv noemt ook enkele voorwaarden waaraan de uitvoering van de bevoegdheid door de burgerinfiltrant moet voldoen. Een van die voorwaarden is dat de persoon aan wie het bevel tot infiltratie wordt gegeven een ander niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop het opzet van die ander al gericht was.
De tekst van art. 126w Sv stelt niet de beperking dat het de officier van justitie niet zou zijn toegestaan om zijn bevoegdheid toe te passen ten aanzien van een ‘criminele burgerinfiltrant’. Uitsluitend van belang is dat het gaat om een persoon (burger) die geen opsporingsambtenaar is.
Wat betreft de twee ingediende moties is volgens de Hoge Raad van belang dat deze de (meerderheids)opvatting van de Tweede Kamer op twee verschillende momenten in de tijd tot uitdrukking brengen over de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden door politie en OM toepassing zou mogen worden gegeven aan de inzet van een burgerinfiltrant. Het samenstel van deze moties brengt volgens de Hoge Raad niet mee dat, wat betreft de toepassing van artikel 126w Sv in die periode, de wettelijke grondslag ontbrak. Wel komt in de parlementaire stukken naar voren dat heel terughoudend moet worden omgegaan met de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ en dat die inzet slechts in zeer uitzonderlijke gevallen en onder strikte waarborgen kan plaatsvinden. Tot die waarborgen horen ook de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
De cassatieklacht die berust op de opvatting dat de rechter bij de beoordeling van de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ niet alleen moet nagaan of is voldaan aan de eisen die door de wet- en regelgeving aan die inzet worden gesteld, maar ook of is voldaan aan (aanvullende) eisen zoals die tot uitdrukking komen in de motie Recourt, slaagt volgens de Hoge Raad ook niet. Deze opvatting vindt geen steun in het recht.
De Hoge Raad benadrukt het belang dat de rechter die een oordeel moet geven over de rechtmatigheid van de inzet van een ‘criminele burgerinfiltrant’ en over diens betrouwbaarheid, inzicht krijgt in het concrete verloop van de uitvoering van de infiltratieactie en in de contacten van de infiltrant met de verdachte(n). Daarom is het belangrijk dat er een goede verslaglegging is van wat er tijdens de infiltratieactie is gebeurd.
De zes strafzaken
Uit de overwegingen van het hof volgt dat het hof heeft onderzocht of bij de inzet van de ‘criminele burgerinfiltrant’ is voldaan aan de voorwaarden die artikel 126w Sv aan die inzet stelt. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit maar ook op de manier waarop de verslaglegging heeft plaatsgevonden. Verder heeft het hof onder meer onderzocht of het College van procureurs-generaal tijdig heeft ingestemd met de inzet, of de minister van justitie en veiligheid tijdig op de hoogte is gesteld en of bij de inzet de betreffende voorwaarden uit een OM-aanwijzing zijn nageleefd.
Het hof heeft naar aanleiding van dit onderzoek geoordeeld dat zich hierbij vormfouten hebben voorgedaan. Het hof heeft uitvoerig gemotiveerd dat en waarom aan de geconstateerde vormverzuimen geen gevolgen hoeven te worden verbonden. Dat heeft het hof volgens de Hoge Raad op juridisch juiste wijze gedaan en ook toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat de rol van de ‘criminele burgerinfiltrant’ beperkt bleef tot een bijrol. Ook is van belang dat het hof in zijn oordeel heeft betrokken dat het infiltratietraject weliswaar niet kortdurend was en de inzet van de ‘criminele burgerinfiltrant’ niet eenmalig, maar dat de verdachten daardoor niet in hun verdediging zijn geschaad. Tot slot is van belang dat het hof in zijn beschouwing heeft betrokken dat met de manier waarop in deze zaak de ‘criminele burgerinfiltrant’ is ingezet, geen afbreuk is gedaan aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing.
ECLI:NL:HR:2026:178
ECLI:NL:HR:2026:187
ECLI:NL:HR:2026:194
ECLI:NL:HR:2026:192
ECLI:NL:HR:2026:191
ECLI:NL:HR:2026:189
ECLI:NL:HR:2026:188
Bron: www.hogeraad.nl