De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), beter bekend als de Wet Mulder, functioneert in de kern goed, maar is de afgelopen decennia op een manier ingezet waarvoor de wet niet bedoeld is. Dat schrijven onderzoekers in de evaluatie van de wet die in 1990 is ingevoerd en sindsdien tientallen keren aangepast, maar was nog nooit als geheel is geëvalueerd. Het onderzoek is uitgevoerd door de DSP-groep en bureau De strafzaak in opdracht van het WODC en op 29 januari 2026 gepubliceerd.

De Wahv introduceerde een vorm van bestuursstrafrecht waarmee lichte verkeersovertredingen op een efficiënte, snellere en effectievere wijze konden worden afgedaan. De belangrijkste doelstellingen van de wet - het verminderen van de werklast voor politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechters, het effectiever innen van sancties en het waarborgen van rechtsbescherming voor de burger - zijn grotendeels behaald. Hoewel de wet goed werkt, is er jarenlang sprake geweest van een te streng inningsbeleid. Dat past niet bij het afdoen van lichte overtredingen met lichte sancties. Inmiddels is dit inningsbeleid aanzienlijk aangepast. Zo kan iedereen die een boete van 75 euro of meer krijgt opgelegd een betalingsregeling treffen. Ook wordt zorgvuldiger omgegaan met dwangmiddelen die zouden moeten aanzetten tot betaling. Zo worden mensen nauwelijks meer vastgezet wanneer zij niet betalen (in gijzeling genomen), zoals in het verleden vaak gebeurde.

Oneigenlijk gebruik Wahv

De Wahv is geïntroduceerd om lichte financiële sancties te innen, maar sinds 1994 zijn tarieven voor verkeersboetes met ruim 220% gestegen. De consumentenprijsindex is in dezelfde periode met ongeveer 70% toegenomen. De sancties zijn zodoende aanzienlijk zwaarder geworden. Het algemene niveau van Wahv-boetes ligt bovendien 30% hoger dan vergelijkbare boetes die door het Openbaar Ministerie worden opgelegd (strafbeschikkingen). Een deel van de toename kan worden verklaard door beleidsmatige verhogingen van verkeersboetes om begrotingsgaten op te vullen. De Minister van JenV heeft de bevoegdheid om de hoogte van boetes vast te stellen om te zorgen voor een effectieve handhaving van verkeersvoorschriften. De bevoegdheid is niet toegekend om ophogingen door te voeren die als hoofddoel hebben extra inkomsten te genereren en daarmee de Rijksbegroting sluitend te maken. Het op deze manier gebruiken van de bevoegdheid is daarom oneigenlijk.

Aanbevelingen

De hoofdaanbevelingen uit het onderzoek gaan over het verlagen van de ophogingen die worden toegepast en het ongedaan maken van de beleidsmatige verhogingen van de verkeersboetes. Hierover is eerder door het kabinet aangegeven dat de benodigde financiële ruimte ontbreekt, omdat er een gat in de begroting zou ontstaan. Dat een gat ontstaat wanneer de beleidsmatige ophogingen ongedaan worden gemaakt, is inherent aan het feit dat deze ophogingen hebben plaatsgevonden om gaten te dichten. De Rijksoverheid heeft echter een instrumentarium beschikbaar dat, in tegenstelling tot het ophogen van de Wahv-boetes, wel bedoeld is om extra inkomsten te genereren wanneer gaten in de begroting moet worden gedicht: rijksbelastingen. Het wordt daarom aanbevolen om met behulp van dit instrumentarium of andere geëigende begrotingsmiddelen een oplossing te zoeken voor het gat dat in de begroting ontstaat. Daarnaast komen er uit het onderzoek een groot aantal juridisch-technische aanbevelingen die aanleiding geven tot een modernisering van de wet. Onder meer wordt voorgesteld om in sterkere mate aan te sluiten bij de regels van het algemene bestuursrecht, aan te sluiten bij de huidige technologische veranderingen en om te onderzoeken wat in Mulderzaken een passende proceskostenvergoeding is wanneer rechtsbijstand is ingeroepen om een boete aan te vechten.

Evaluatie Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Bron: www.wodc.nl

Laatste nieuws