De rechtbank Amsterdam heeft in een uitspraak van 23 april 2024 prejudiciële vragen gesteld in een zaak van een Amsterdamse woningcorporatie tegen een huurder van een parkeerplaats. In de huurovereenkomst staat een beding dat de huurder die zijn verplichtingen niet nakomt alle proceskosten moet betalen. Het is echter vaste rechtspraak dat een partij die ongelijk krijgt alleen in buitengewone omstandigheden de volledige proceskosten moet betalen.

Een Amsterdamse woningcorporatie heeft ontbinding van een huurovereenkomst van een parkeerplaats gevorderd, met ontruiming van het gehuurde. Daarnaast eist de verhuurder dat de huurder een bedrag van € 482,50 betaalt, inclusief buitengerechtelijke kosten. De huurovereenkomst bevat bedingen die de huurprijs jaarlijks verhogen en de huurder verantwoordelijk stellen voor alle buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten. De rechtbank oordeelt dat het beding niet transparant is. Naast het feit dat de werking van het beding niet is beschreven is niet toegelicht wat de huursombenadering is en hoe deze in de individuele huurovereenkomst doorwerkt.

Oneerlijk beding Richtlijn 93/13 EG

In de dagvaarding heeft verhuurder aangevoerd dat het beding niet oneerlijk is, omdat art. 242 Rv de rechter de bevoegdheid geeft proceskosten ambtshalve te matigen, zodat er geen risico is op verstoring van het contractuele evenwicht. Ook in de rechtspraak is voor deze opvatting steun te vinden. De rechtbank Amsterdam overweegt dat het standpunt van verhuurder miskend wordt dat het beding moet worden beoordeeld naar het moment van totstandkoming van de huurovereenkomst. Het beding laat de mogelijkheid open dat de verhuurder op enig moment vóórdat de rechter uitspraak doet aanspraak maakt op volledige proceskosten. Van matiging van die kosten door de rechter kan dan dus geen sprake zijn. Dit is ook een reëel risico, omdat veel huurders ter voorkoming van voortzetting van een gerechtelijke procedure alsnog tot betaling van de vorderingen zullen overgaan, zonder te beseffen dat een deel van de vorderingen is gebaseerd op een oneerlijk beding. Maar ook als de rechter de proceskosten in een uitspraak heeft gematigd kan verhuurder onder verwijzing naar het beding aanspraak maken op volledige proceskosten. Ook dan bestaat een reëel risico dat de huurder betaalt, om van de zaak af te zijn. Gezien het feit dat in de rechtspraak hier verschillend over wordt gedacht en geoordeeld en in aanmerking genomen dat proceskosten in vrijwel alle zaken aan de orde komen, acht de rechter het aangewezen hierover prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad:

  1. Moet een beding tussen een handelaar en een consument waarin is bepaald dat de consument die tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst alle gerechtelijke kosten moet betalen worden aangemerkt als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn 93/13 EG?
  2. Als het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, heeft dit dan tot gevolg dat niet alleen het proceskostenbeding buiten toepassing moet worden gelaten, maar dat in het geheel geen proceskosten meer kunnen worden toegewezen?

ECLI:NL:RBAMS:2024:2214

Bron: www.rechtspraak.nl

Laatste nieuws