Nederland slaagt er nog nauwelijks in om erkende vluchtelingen aan het werk te krijgen in bedrijfssectoren met grote personeelstekorten, zoals de bouw, zorg of techniek. Een op 28 januari 2026 gepubliceerd onderzoek van de Algemene Rekenkamer over de werking van de inburgeringswet laat verbeteringen voor mensen met een verblijfstatus zien, maar dat leidt onvoldoende tot betaald werk op niveau.
Inburgering duurt langer, het bereikte niveau is lager en de tekortsectoren worden nauwelijks bereikt. Bij het uitblijven van urgentie en bijsturing, blijft het inburgeringsbeleid wensdenken. Statushouders kunnen nog steeds niet snel aan de slag en het aanbod van taalcursussen kan verbeteren. De redenen dat deelname aan de samenleving maar langzaam verbetert zijn divers. De trage asielprocedures of het probleem om een vaste woonplaats te vinden spelen een rol. Net als het tekort aan taaldocenten of een gebrek aan kinderopvang. Ook blijkt betaald werk nog steeds moeilijk te combineren met verplichte taallessen. Het onderzoek wijst uit dat vluchtelingen met een verblijfsstatus nu meer begeleiding vanuit gemeenten krijgen dan onder de vorige inburgeringswet. Ook wordt er meer taalonderwijs op het niveau B1 aangeboden. De resultaten tot medio 2025 wijzen echter uit dat het beleid niet voldoende bijdraagt in wat de wet ook noemt, namelijk snel en volwaardig meedoen aan de Nederlandse samenleving.
Doelen wet
De Rekenkamer schrijft in het rapport dat de Minister en Staatssecretaris van SZW nu niet kunnen vaststellen of het inburgeringsbeleid ‘volwaardig meedoen’ stimuleert. Dit komt doordat werkervaring en opleidingsniveau van statushouders niet worden geregistreerd bij aanvang van het inburgeringstraject. Ook ontbreken streefwaarden om te meten of het rijksbeleid de doelen behaalt. Het beleid is ingericht als lerend stelsel, zodat het rijksbeleid snel kan worden aangepast bij knelpunten in de uitvoering. De minister maakt daar onvoldoende gebruik van. Het inburgeringstraject start later door lange asielprocedures, gemiddeld pas na meer dan 2 jaar. Het aantal inburgeraars dat op een laag taalniveau cursussen volgt, en daarmee weinig kans heeft op volwaardig meedoen, is dubbel zo groot als verwacht. Verder is het aanbod van taallessen op B2-niveau nog laag. De instroom in de zogenoemde onderwijsroute is de helft van wat ten doel was gesteld.
Laagbetaald werk
Van de statushouders die 3 jaar geleden zijn gestart met hun inburgeringstraject, heeft 28 % een vorm van betaald werk gehad. Het gaat dan vaak om laagbetaalde banen met flexibele contracten en niet om werk ‘op niveau’ waarbij de opleiding en werkervaring uit het land van herkomst worden benut. Zo werkt de verpleegkundige in de horeca en de universitair docent informatica als flitsbezorger. Om deze mensen volwaardig en duurzaam aan het werk te krijgen is vaak taalverwerving op een hoog niveau en bijscholing nodig. Dat staat op gespannen voet met de eisen van de Participatiewet: zo snel mogelijk uit de bijstand. In vergelijking met sommige andere landen in Europa duurt het in Nederland lang voordat inburgeraars op niveau kunnen werken, bijvoorbeeld in de zorg. Als vluchteling-zorgverleners ook in Nederland korter worden bijgeschoold om bevoegd te zijn, zou de overheid besparen op uitkerings- en opleidingskosten. Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben dat bijvoorbeeld anders geregeld. In 2024 werkten in Duitsland 5.800 gevluchte Syriërs als arts. Een aantal van hen was vanwege de mogelijkheid daar hun beroep uit te kunnen oefenen vanuit Nederland naar Duitsland vertrokken.
Wensdenken
De Rekenkamer noemt het wensdenken als bewindspersonen verwachten dat statushouders tegelijk snel, volwaardig, betaald werken en tegelijkertijd hun verplichte inburgeringsdiploma op zo hoog mogelijk taalniveau halen. Dat probleem kunnen gemeenten, die regie moeten houden op de inburgeringstrajecten en de inburgeringscursussen inkopen, niet oplossen. De bewindspersonen van SZW stellen naar aanleiding van het Rekenkameronderzoek dat ook zij duurzame uitstroom uit de bijstand voorstaan en streefwaarden en registratie willen opzetten. In haar nawoord schrijft de Rekenkamer dat de knelpunten bekend zijn. Nu zijn duidelijke keuzes nodig. Als het doel van inburgering ‘participeren naar vermogen’ is, zoals de wet stelt, beveelt de Rekenkamer aan uit te gaan van het potentieel van asielstatushouders. Zonder dat blijft duurzame uitstroom uit de bijstand onrealistisch en arbeidspotentieel onbenut.
Onbenut potentieel - Gebrek aan resultaten taalverwerving en arbeidsparticipatie bij inburgering
Bron: www.rekenkamer.nl