De Hoge Raad heeft op 10 februari 2026 geoordeeld dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf ook mogelijk is in het geval een tot levenslang veroordeelde (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft met het oog op een eventuele terugkeer in de samenleving. De oplegging van de levenslange gevangenisstraf is in zo’n geval verenigbaar met de eisen die art. 3 (verbod van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing) van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.

Het hof (ECLI:NL:GHSHE:2024:2444) heeft de verdachte veroordeeld voor moord en hem een levenslange gevangenisstraf opgelegd. Tegen deze uitspraak stelde de verdachte beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. A-G Sinnige adviseerde de Hoge Raad op 11 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1233) de veroordeling en de opgelegde levenslange gevangenisstraf in stand te laten.

Oordeel Hoge Raad

De cassatieklacht van de verdachte stelt de vraag aan de orde of de levenslange gevangenisstraf ook in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM stelt als een tot levenslang veroordeelde (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft, met het oog op de voorbereiding op een eventuele terugkeer in de samenleving. Voor de beantwoording van deze vraag is volgens de Hoge Raad allereerst van belang dat, in verband met het aanbieden van passende behandeling en zorg, al in het jaar nadat de levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragskundige rapportage plaatsvindt. Daarnaast voorziet de Nederlandse wetgeving in uiteenlopende mogelijkheden van (psychiatrische) behandeling tijdens de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. Verder is van belang dat iedere tot levenslang veroordeelde de mogelijkheid heeft om de beslissingen over de manier van tenuitvoerlegging te laten toetsen door de (penitentiaire of burgerlijke) rechter. Dit alles brengt volgens de Hoge Raad met zich dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in zo’n geval verenigbaar is met de eisen die art. 3 EVRM stelt. De enkele omstandigheid dat beslissingen over het aanbieden van passende behandeling en zorg pas in de loop van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf worden genomen en dat het bij de oplegging van de straf tot op zekere hoogte onzeker is hoe die behandeling en zorg concreet vorm krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof heeft in deze zaak een levenslange gevangenisstraf opgelegd, gelet op onder meer de buitengewone ernst van het misdrijf en het met de strafoplegging ook na te streven doel om de maatschappij te beveiligen tegen hernieuwd gewelddadig gedrag van deze verdachte. Daarbij heeft het hof onder meer betrokken het eerdere gewelddadige gedrag van de verdachte, het hoge risico op herhaling van soortgelijke delicten en de omstandigheid dat een tbs-maatregel dit risico op herhaling niet afdoende zal doen afnemen. Bij de afweging van het hof om niet de tbs-maatregel op te leggen maar een levenslange gevangenisstraf heeft het hof betrokken dat ook bij de tenuitvoerlegging van die straf aan de veroordeelde de noodzakelijke (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling kunnen worden gegeven, eventueel ook buiten de inrichting waar de veroordeelde verblijft. Het oordeel van het hof dat daarmee het opleggen van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met art. 3 EVRM is volgens de Hoge Raad juridisch juist en ook toereikend gemotiveerd. Ook de andere cassatieklachten, afgezien van een klacht over de duur van de gijzeling bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, slagen niet. Dat geldt ook voor de cassatieklacht van de benadeelde partij. Met de uitspraak van de Hoge Raad zijn de veroordeling en de opgelegde levenslange gevangenisstraf definitief.

ECLI:NL:HR:2026:177

Bron: www.hogeraad.nl

Laatste nieuws