Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zijn bevoegdheid overschreden door met een onbegrijpelijke redenering te oordelen dat het opkoopprogramma van de Europese Centrale Bank een evenredige maatregel van monetair beleid is en daarom verenigbaar met het mandaat van de ECB. De eerdere uitspraak van het EU-Hof is daarom niet bindend in Duitsland. De ECB moet alsnog de evenredigheid van het opkoopprogramma onderbouwen. Dat heeft het Duitse Bundesverfassungsgericht bepaald. De Europese Commissie sluit een inbreukprocedure tegen Duitsland niet uit.

Het gaat om het arrest van het Bundesverfassungsgericht (BVerfG) van 5 mei 2020 (ECLI:DE:BVerfG:2020:rs20200505.2bvr085915).

In de zaak C-493/17 is het EU-Hof door het BVerfG gevraagd te oordelen over de geldigheid van het public sector asset purchase programme (‘PSPP’) van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) onder het Unierecht. Dit programma staat het de nationale centrale banken en de ECB onder voorwaarden toe om staatsobligaties aan te kopen op de secundaire markt. Dit houdt in dat de staatsobligaties niet direct worden aangekocht van de betreffende lidstaat, maar van een marktdeelnemer aan wie de staatsobligaties zijn uitgegeven op de primaire markt. Doel van het PSPP is ertoe bijdragen dat inflatie op de middellange termijn net onder de 2% zal liggen.

In zijn uitspraak kwam het EU-Hof tot de conclusie dat het PSPP binnen de bevoegdheid van de ECB valt en niet in strijd is met het verbod op monetaire financiering.

Het BVerfG volgt het oordeel van het EU-Hof echter niet aangezien het EU-Hof kennelijk buiten zijn rechterlijke mandaat van artikel 19 EU-verdrag is getreden, omdat zijn uitleg van de EU-Verdragen niet begrijpelijk (‘not comprehensible’) is en daarom als objectief arbitrair moet worden gezien. Volgens het BVerfG is de toets door het EU-Hof van het PSPP aan het evenredigheidsbeginsel niet begrijpelijk, en heeft het EU Hof daarmee buiten zijn bevoegdheid (‘ultra vires’) gehandeld. In het licht van het voorgaande is het BVerfG van mening dat de uitspraak van het EU-Hof daarom niet bindend is in Duitsland.

Het BVerfG komt daarop tot een eigen oordeel. Namelijk dat het PSPP (vooralsnog) vanwege het ontbreken van een voldoende evenredigheidstoetsing niet binnen het mandaat van de ECB valt. Door onvoorwaardelijk monetair beleid na te streven, zonder rekening te houden met de economische effecten, heeft de ECB met het PSPP ultra vires gehandeld. Tegelijkertijd stelt het BVerfG dat een finaal oordeel over de verenigbaarheid van het PSPP met het evenredigheidsbeginsel op dit moment nog niet mogelijk is.

In zijn uitspraak geeft het BVerfG de Raad van Bestuur van de ECB drie maanden de tijd om een nieuw besluit te nemen waaruit overtuigend moet blijken dat de monetaire beleidsdoelstellingen die met het PSPP worden nagestreefd evenredig zijn met de economische gevolgen ervan. Als dat niet lukt, mag de Bundesbank daarna niet langer deelnemen aan de uitvoering van het PSPP, en moet de Bundesbank onder het programma aangekochte obligaties op gecoördineerde wijze verkopen.

 

Perscommuniqué EU-Hof van 8 mei 2020:

‘De directie Communicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft talrijke vragen ontvangen over het arrest van het Duitse grondwettelijk hof van 5 mei 2020 over het overheidsprogramma voor activa-aankoop op secundaire markten (public sector purchase programme; hierna: ‘PSPP’) van de Europese Centrale Bank (ECB).

De diensten van de instelling geven nooit commentaar op uitspraken van een nationale rechterlijke instantie.

In het algemeen wordt in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie een prejudicieel arrest van het Hof bindend is voor de nationale rechter bij de beslechting van het hoofdgeding. Opdat een uniforme toepassing van het Unierecht gewaarborgd is, heeft het Hof van Justitie, dat daartoe door de lidstaten is opgericht, als enige de bevoegdheid om vast te stellen dat een handeling van een instelling van de Unie in strijd is met het Unie-recht. Verschillen van inzicht tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten over de geldigheid van Uniehandelingen zouden de eenheid van de rechtsorde van de Unie in gevaar kunnen brengen en afbreuk kunnen doen aan de rechtszekerheid. Net zoals andere autoriteiten van de lidstaten zijn de nationale rechterlijke instanties verplicht om de volle werking van het Unierecht te waarborgen. Enkel zo kan worden gezorgd voor de gelijkheid van de lidstaten in de Unie die zij tot stand hebben gebracht.

De instelling zal verder niet communiceren over dit onderwerp.’

 

Reactie Voorzitter Von der Leyen van de Europese Commissie van 10 mei 2020:

‘De recente uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof heeft twee kwesties van de Europese Unie onder de aandacht gebracht: het Eurosysteem en het Europese rechtssysteem.

Wij nemen goede nota van de duidelijke verklaring van het Europees Hof van Justitie van 8 mei.

In dezelfde geest houdt de Europese Commissie vast aan drie basisprincipes: dat het monetair beleid van de Unie een exclusieve bevoegdheid is; dat het EU-recht voorrang heeft op het nationale recht en dat de uitspraken van het Europees Hof van Justitie bindend zijn voor alle nationale rechtbanken.

Het laatste woord over het EU-recht wordt altijd in Luxemburg gesproken. Nergens anders.

Het is de taak van de Europese Commissie om de goede werking van het eurosysteem en het rechtssysteem van de Unie te waarborgen.

We zijn nu de uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof in detail aan het analyseren. En we zullen kijken naar mogelijke volgende stappen, die de mogelijkheid van een inbreukprocedure kunnen omvatten.

De Europese Unie is een gemeenschap van waarden en recht, die te allen tijde moet worden gehandhaafd en verdedigd. Dat is wat ons bij elkaar houdt. Dat is waar we voor staan.’ 

 

 

Bron: www.ecer.minbuza.nl

Laatste nieuws