Permanent cameratoezicht op de vaste werkplek van werknemers is niet toegestaan. Camera’s mogen alleen worden ingezet als dat strikt noodzakelijk is, bijvoorbeeld voor veiligheid bij incidenten, en niet om werknemers structureel te volgen of te beoordelen. Dat schrijft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) in een bericht van 28 januari 2026 naar aanleiding van een klacht tegen openbaarvervoerbedrijf Arriva over het gebruik van camera’s in hun bussen.
Camera’s in voertuigen kunnen bijdragen aan de veiligheid van reizigers en personeel, bijvoorbeeld bij incidenten rond de ingang of betaalapparatuur. Die inzet kent echter duidelijke grenzen. Cameratoezicht mag niet leiden tot permanente monitoring van werknemers op hun vaste werkplek. De AP wijst alle werkgevers in het openbaar vervoer, maar bijvoorbeeld ook in het goederenvervoer, op de volgende uitgangspunten:
- Cameratoezicht op werknemers mag niet structureel of permanent plaatsvinden op hun vaste werkplek.
- Camerabeelden mogen niet worden gebruikt om werknemers te controleren, beoordelen of volgen zonder dit vooraf duidelijk kenbaar te maken.
- Technische maatregelen zijn nodig om te voorkomen dat werknemers toch permanent in beeld komen.
- Doelen, bewaartermijnen en toegangsrechten moeten duidelijk intern zijn vastgelegd en gecommuniceerd aan werknemers.
Werkgevers zijn verantwoordelijk voor een zorgvuldige afweging tussen veiligheid en privacy. Dat betekent dat cameratoezicht alleen mag worden ingezet waar dat noodzakelijk is, met zo min mogelijk inbreuk op de privacy van werknemers.