Nederlands Juristenblad 21
26 mei 2015
2015/5
De beoordeling van euthanasie en hulp bij zelfdoding bij psychiatrische en demente patiënten
Wat houdt ‘extra behoedzaamheid’ in?
Minister Schippers wil dat een arts die overweegt om in te gaan op het verzoek om hulp bij zelfdoding van een psychiatrisch patiënt altijd een onafhankelijk psychiater moet consulteren. Op grond van het Chabotarrest en de daaraan in de Richtlijn van de NVvP gegeven onderbouwing behoort het tot de extra behoedzaamheid die de toetsingscommissies eisen, om bij psychiatrische patiënten in beginsel altijd een onafhankelijk psychiater te raadplegen. De redenen voor extra behoedzaamheid gelden grotendeels ook bij demente patiënten. Maar de toetsingscommissies laten een gebrek aan uniformiteit in de beoordeling zien. Sommigen laten niet alleen die uitdrukkelijke beoordeling achterwege, maar laten ook afwijkingen van de norm passeren zonder daar in het oordeel aandacht aan te besteden. Daarbij zijn verscheidene gevallen waarin de wilsbekwaamheid van de patiënt niet boven alle twijfel verheven is. De minister heeft dus gelijk: het is van groot belang dat de consultatie-eis niet alleen in de NVvP-richtlijn, maar ook in een Richtlijn voor specialisten ouderengeneeskunde wordt neergelegd, en door de toetsingscommissies wordt opgenomen in de ‘code of practice’ die onlangs is gepubliceerd en waarin slechts ten dele aan de wensen van de minister wordt voldaan.
Levensbeëindiging bij pasgeborenen
Recente ontwikkelingen onder de loep
Het KNMG-standpunt inzake medische beslissingen rond het levenseinde bij pasgeborenen met zeer ernstige afwijkingen geeft zich te weinig rekenschap van relevante juridische aspecten. Daarnaast toont de evaluatie van de Regeling inzake de centrale deskundigencommissie aan dat er onvoldoende adequaat maatschappelijk toezicht op de huidige neonatale levensbeëindigingspraktijk bestaat. Om de impasse in de discussie over toelaatbaar levensbeëindigend handelen in de neonatologie en passend maatschappelijk toezicht daarop te doorbreken, willen de verantwoordelijke bewindslieden meer tegemoet komen aan de normeringswensen vanuit de medische beroepsgroep. Bij het inrichten van de nieuwe Regeling behoren echter ook relevante juridische overwegingen te worden betrokken. Dat dit artsen doorgaans afschrikt is jammer, maar die angst duidt vooral op een gebrek aan inzicht in het maatschappelijk belang dat met het toezicht gemoeid is.
‘Ne bis in idem’ nu ook een beginsel van ongeschreven recht
De administratiefrechtelijke maatregel ‘deelname aan het alcoholslotprogramma’ (hierna: ASP) op te leggen door het CBR heeft inmiddels tot de nodige jurisprudentie geleid. Op 4 maart 2015 verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de regeling waarin het alcoholslotprogramma is opgenomen onverbindend. Een dag eerder oordeelde de strafkamer van de Hoge Raad dat het niet is toegestaan om iemand aan wie deelname aan het ASP is opgelegd ook strafrechtelijk te vervolgen. De motivering die de Hoge Raad aan dit oordeel ten grondslag legt, is een opmerkelijke die mogelijk verstrekkende gevolgen heeft voor de inbedding van het ‘ne bis in idem’- beginsel in ons rechtsbestel.
Een zieke vreemdeling moet in het land van herkomst feitelijke toegang tot medische zorg krijgen
Hoe bepaal je of een zieke vreemdeling terug kan naar zijn land van herkomst zonder dat hij daar het risico loopt op ernstige lichamelijke of psychische schade vanwege het ontbreken van de juiste medische zorg aldaar? In Nederland laat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) zich over die vraag adviseren door het Bureau Medische Advisering (BMA). Het BMA wint via vertrouwensartsen ter plaatse informatie in over de aanwezigheid van noodzakelijke zorg in het land van herkomst. Op basis van het advies van het BMA besluit de IND vervolgens of de zieke vreemdeling terug kan of hier mag blijven.
Eerder verschenen
NJB 20 (2015)
19 mei 2015
NJB 19 (2015)
12 mei 2015
NJB 18 (2015)
7 mei 2015
NJB 17 (2015)
29 april 2015
NJB 16 (2015)
23 april 2015