Aan het einde van een discussieavond over democratie en tegenmacht in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen in de lokale bibliotheek, sloten de sprekers af met een hoopvolle noot: ook met avonden als deze hielden we de democratie levend.
Zoals te verwachten zat de zaal vol met ‘believers’ – het overgrote deel ouder dan ik – die heus hun rol wel wisten in de lokale democratie. Hooguit waren ze wat ontevreden omdat hun eigen ‘tegenmacht’ niet steeds werd gehoord. We hadden het over inspraakavonden en de mogelijkheden die burgerberaden bieden om wél een enigszins representatieve afspiegeling van burgers mee te laten praten.
Representativiteit is niet alleen een probleem aan de kant van het ‘actieve kiesrecht’ – als het gaat om de vraag wie invloed heeft op de volksvertegenwoordiging en de keuzes die zij maakt. Het speelt ook aan de ‘passieve’ kant van dat recht, als het gaat om de vertegenwoordigers zélf. Hoe representatief zijn die en wat verstaan we daar eigenlijk onder?
De Staatscommissie-Remkes noemde in haar rapport (Lage drempels, hoge dijken) uit 2018 de vertegenwoordigende functie ‘zowel in de zin van vertegenwoordigd worden als zich vertegenwoordigd voelen [...] misschien wel de belangrijkste waarde die via het parlementair stelsel tot uitdrukking wordt gebracht’ (p. 34). Daarbij onderscheidde zij drie vormen van representatie: afspiegeling (descriptieve vertegenwoordiging), inhoudelijke en symbolische vertegenwoordiging. Volgens de Staatscommissie verdienen vooral gebreken in de inhoudelijke representatieve onze aandacht: ‘[H]et gaat er immers om dat de belangen, idealen, ideeën, aspiraties en ambities van de Nederlandse burgers (...) adequaat worden vertegenwoordigd en vervolgens, binnen de grenzen van het redelijke uiteraard, worden verwezenlijkt’ (p. 53).
Ten tijde van verkiezingen gaat de aandacht echter vaak uit naar het achterblijvende lidmaatschap in vertegenwoordigende organen van bepaalde groepen, zoals vrouwen. ‘Vrouwen trekken zich terug uit de lokale politiek, en dat is niet uit desinteresse’, kopte een opinie van onderzoeker Runderkamp vorige week in de Volkskrant.1 Sinds de vorige verkiezingen is het aantal vrouwen in gemeenteraden gedaald van 36 naar 32 procent. Dit betekent dat op het lokale niveau, waar het percentage vrouwen al een stuk lager is dan op landelijk niveau,2 heel wat vrouwen tussentijds stoppen, en hun zetels, inderdaad, worden ingenomen door mannen.
Dit heeft mede te maken met (online) agressie en intimidatie, waardoor vrouwen in de politiek harder worden geraakt dan mannen. Het mag geen toeval zijn dat het begin deze maand gelanceerde protocol met partijoverstijgende aanpak ‘Veilig online zichtbaar in de politiek’ een initiatief is van Stichting Stem op een Vrouw.3 Ook is er een zelfversterkend effect volgens Runderkamp: waar vrouwen een minderheid vormen, komen thema’s die hen raken minder snel op de agenda, wat dan weer ‘het gevoel versterkt dat de lokale politiek geen plek voor hen is’. Een meer praktische barrière vormt de inrichting van het raadswerk, dat bijvoorbeeld moeilijk te combineren is met zorgtaken, die nog steeds vooral door vrouwen worden vervuld.
Waarom is het vanuit het oogpunt van representatie precies belangrijk dat er voldoende vrouwen in (lokale) vertegenwoordigende organen zitten? ‘Inhoudelijke’ vertegenwoordiging, als we die begrijpen als ‘doen wat je kiezer wil’, lijkt mij minder nastrevenswaardig dan de Staatscommissie parlementair stelsel deed voorkomen. Ook artikel 50 Grondwet (‘De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk.’) veronderstelt eerder dat politici weliswaar partijpolitieke standpunten meebrengen, maar uiteindelijk handelen en stemmen op de manier die zij het beste achten. Ook afspiegeling of descriptieve vertegenwoordiging is dan niet per se relevant: ook mannen kunnen in beginsel heel wel in het algemeen belang handelen en er daarbij voor zorgen allerhande belangen worden gehoord. Toch zou ik zeggen dat een te beperkte aanwezigheid van vrouwen een – constitutioneel – probleem is. Niet zozeer omdat vrouwen alleen door vrouwen vertegenwoordigd kunnen worden; of omdat zij ‘groepsbelangen’ hebben die anders worden genegeerd, maar eerder vanwege de ervaringen die door een te homogene groep vertegenwoordigers in het politieke debat worden gemist.
Hierom moeten we zeker werk maken van de aanpak van geweld en intimidatie. Maar er zijn ook andere (juridische) knoppen waaraan we kunnen draaien, bijvoorbeeld waar het gaat over het praktische feit dat veel vrouwen simpelweg te weinig tijd hebben voor ‘politiek’. In dit kader is het interessant dat er momenteel een grondwetswijzigingsvoorstel aanhangig is tot wijziging van art. 57a Grondwet (Kamerstukken 36837). Daarin staat nu dat de wet tijdelijke vervanging van een lid van de Staten-Generaal regelt (enkel) wegens zwangerschap, bevalling en ziekte. Dit geldt ook voor leden van onder meer Provinciale Staten en gemeenteraden. Het voorstel wil dit uitbreiden met ‘geboorte, adoptie, pleegzorg, ouderschap en langdurige zorg’, en daarmee tegemoet komen aan de realiteit van mensen met zorgtaken en in bepaalde levensfasen. Ondertussen wordt ook gewerkt aan een wetsvoorstel om de (periode van) vervanging te flexibiliseren en niet meer gepaard te laten gaan met het ‘tijdelijk ontslag’ van de volksvertegenwoordiger, iets wat volgens sommigen een stigmatiserend effect heeft.4
Deze aanpassingen zijn niet slechts relevant voor vrouwen. Ook mannen zullen van nieuwe verlofmogelijkheden gebruik moeten maken wil er van enige cultuurverandering sprake zijn. ‘Politiek is toch geen gewone baan?’ zou als tegenwerping kunnen gelden. Maar misschien is het probleem nu juist dat politiek te veel wegheeft van een ontoegankelijke carrière, die alleen voor je is weggelegd als je je handen grotendeels vrij hebt. Het gevolg, zoals mooi beschreven door Theresa Bücker, is dat mensen zonder politieke opgaven hun eigen handelen ‘entpolitisieren‘ en zichzelf in onze democratische cultuur slechts als toeschouwer zien (Alle Zeit, p. 275). Juist omdát het geen gewone baan is, moeten we óók de verlofmogelijkheden van volksvertegenwoordigers serieus nemen.
Deze bijdrage is gepubliceerd in NJB 2026/530 afl. 10.
Bron afbeelding: Shutterstock
Voetnoten
1 https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-vrouwen-trekken-zich-terug-uit-de-lokale-politiek-en-dat-is-niet-uit-desinteresse~b39e5bc0/
2 In de huidige Tweede Kamer zitten 65 vrouwen (43%), lokaal liggen de cijfers lager: Rapport-Vrouwen-in-de-Politiek-2024.pdf