Op 30 januari jl. hebben D66, VVD en CDA een coalitieakkoord voor een minderheidskabinet gepresenteerd. Met de titel ‘Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland’ wordt afstand genomen van jaren van politieke stilstand. De coalitie zet vol in op economie en defensie. In het eerste Kamerdebat erover is stevig, maar niet onbeschoft gedebatteerd over de sociale zekerheid. Anders gezegd: er werd weer normaal gedaan. Die gunstige eerste indruk doet niet af aan het belang van een rechtsstatelijke beoordeling van het akkoord. Wat zijn de opvallendste voornemens vanuit dat perspectief?
In verband met de wet- en regelgeving wordt herhaaldelijk de wens uitgesproken om de regeldruk te verminderen. Daarvan is volgens het akkoord sprake in verband met ondernemerschap, maar ook binnen de cao’s, in de onderwijs- en cultuursector, de woningmarkt, en in de strafrechtketen. Sinds de toeslagenaffaire weten we dat die regeldruk meebrengt dat ambtenaren ‘scharrelruimte’ missen en burgers de regels slechts kunnen naleven als ze over een hoge graad van ‘doe-vermogen’ beschikken. De diagnose is helder. Het zal echter niet meevallen er iets aan te verbeteren, want als je de regeldruk wilt verminderen dan vergt dat aanvaarding van opener normen en het geven van vertrouwen aan ambtenaren en burgers. Maar ambtenaren en burgers willen zich kunnen verantwoorden aan de hand van ‘heldere regels’ en zien wel wat in Stalins credo: ‘vertrouwen is goed, maar controle is beter’. Ik vind het een goed, maar spannend streven!
Met het oog op de individuele rechtsbescherming is het belangrijkste voornemen om constitutionele toetsing aan de klassieke grondrechten in de Grondwet mogelijk te maken. Op zich niet verrassend, maar interessant is dat er (tot mijn genoegen) geen sprake meer is van invoering van een apart constitutioneel hof. Verder lees ik met vreugde dat geïnvesteerd zal worden in de sociale advocatuur.
Wat de trias politica betreft wordt voorgesteld de benoeming van leden van de Raad voor de Rechtspraak onafhankelijk van de minister te maken en de rechtspraak een aparte begroting te geven. Dat zijn aansprekende institutionele verbeteringen. Niet institutioneel, maar wel van belang voor machtsevenwicht in de rechtsstaat is het voornemen om geselecteerde strafbare feiten zoals (winkel)diefstal en vernieling vaker met een politiestrafbeschikking te laten afdoen. Daarmee wil de coalitie de druk op de strafrechtketen verlichten. Tja, de rechter hoeft niet de enige te zijn die sancties oplegt. Maar is een straffende politie in plaats van het magistratelijke OM echt een verbetering? In het akkoord staat verder dat de behoeften van de politie en het lokale gezag om de openbare orde op straat, in de wijken en online goed te kunnen handhaven leidend zijn. Er wordt echter ook gewezen op de betekenis van – niet tot de nationale politie behorende en anders gefinancierde – bijzondere opsporingsambtenaren. Die boa’s worden onder meer door gemeentes ingezet die vinden dat de Nationale Politie te weinig oog heeft voor lokale belangen. Ook wordt met het oog op online fraude publiek-private samenwerking geïntensiveerd. Misschien is de uitbesteding van politiewerk onvermijdelijk – denk ook aan de rol van de banken bij de antiwitwasmaatregelen – maar daarmee wordt wel de kans aanvaard van uitholling van de waarborgen die de trias politica aan politieoptreden verbindt.
De coalitie hecht aan gelijke behandeling. Er wordt een wettelijke basis gegeven aan de Nationaal Coördinator Discriminatie en Racisme en de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. Etnisch profileren en racistische spreekkoren zullen worden aangepakt. Prima. Maar ik zie ook minder gelukkige voornemens. De Wet Permanentmaking intrekking Nederlanderschap wordt doorgezet. Dat betekent dat degene die zich aansluit bij een terroristische organisatie ‘in het belang van de nationale veiligheid’ het Nederlanderschap verliest als er sprake is van een dubbele nationaliteit. Die wet leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid omdat ze praktisch alleen mensen van Marokkaanse of Turkse komaf treft. De coalitiepartijen hebben op het lastige onderwerp asiel en migratie ervoor gekozen geen echte veranderingen voor te stellen. De asielnoodmaatregelenwet van Faber zal – als die wordt aangenomen – worden uitgevoerd, de spreidingswet blijft voorlopig in stand en gemeenten moeten zelf beslissen over het al dan niet voorrang verlenen aan statushouders bij sociale huur. Fabers strafbaarstelling van illegaal verblijf komt toch wel akelig dicht in de buurt van strafbaarheid van bestaan in plaats van strafbaarheid van doen of nalaten. Die betekent trouwens ook dat iemand in een clubje dat de voortzetting van het niet-rechtmatige verblijf van een illegale familie ondersteunt zich schuldig kan maken aan deelneming aan ‘een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ (artikel 140 Sr). Wel een stap voorwaarts is dat asielzoekers met een goede kans op een verblijfsvergunning na drie maanden in de asielprocedure het recht krijgen om aan het werk te gaan. Dan kunnen ze onder meer worden ingezet op plaatsen waarvoor nu 800.000 arbeidsmigranten hierheen worden gehaald. De coalitie heeft de slechte rechtspositie van die migranten trouwens wel op het netvlies.
Het vijfde en laatste kenmerk van de rechtsstaat betreft respect voor de grondrechten waarvan er drie uitdrukkelijk aan de orde komen. De vrije schoolkeuze wordt ‘een fundament van onze Grondwet’ genoemd. Beperkingen van de demonstratievrijheid worden aangekondigd vanwege enkele uit de hand gelopen gevallen. Of nieuwe bevoegdheden werkelijk noodzakelijk zijn, is echter maar de vraag (vgl. ECLI:NL:RVS:2025:3577). Een voorgenomen beperking van het recht op privacy, namelijk verbetering van gegevensdeling ten behoeve van de justitieketen, lijkt nuttig. Maar de eveneens voorgenomen ‘wettelijke adviesplicht’ bij signalen van huiselijk geweld voor onderwijs- en zorgprofessionals roept de vrees op voor (verdere) ondermijning van de medische geheimhoudingsplicht. Klikplichten horen niet in een rechtsstaat, ook niet voor een goed doel. Niettemin moet gegevensdeling beter, bijvoorbeeld met betrekking tot ‘verwarde personen’ voor wie de GGZ nu geen tijd en geld heeft.
Kortom: sommige voorstellen die de rechtsstaat betreffen verdienen ronduit lof, andere zijn spannend. Maar het is jammer dat de extreemrechtse agenda van minister Faber niet in de prullenbak is verdwenen.
Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/296, afl. 6
Afbeelding: ©istock
