Artikel 13 van de Grondwet waarborgt het briefgeheim, maar wat als de geadresseerde zijn post niet ontvangt? Een goed functionerend postapparaat – inclusief bezorging – is in het licht van artikel 13 Grondwet een onuitgesproken vanzelfsprekendheid (oftewel: een noodzakelijke, zij het onvoldoende voorwaarde). Hoog tijd voor adequate waarborgen.
PostNL blijkt het in artikel 13 Grondwet neergelegde briefgeheim zo strikt op te vatten dat óók de geadresseerde dikwijls verstoken blijft van de mogelijkheid kennis te nemen van de aan hem/haar gerichte post. In mijn geval wil dat zeggen dat er diverse bankafschriften ontbreken, dat ik een aanmaning kreeg voor een rekening die nooit was aangekomen, dat ik de griep- en covidprik alleen te danken heb aan de omstandigheid dat ik er op eigen houtje achterheen ben gegaan en dat ik bijna wekelijks kan fluiten naar De Groene Amsterdammer en … het Nederlands Juristenblad.
Je kunt je afvragen of de postbezorging niet evenzeer binnen het bereik van het in artikel 13 Grondwet neergelegde grondrecht valt. Een verzuim moet dan als inbreuk op een grondwettelijke waarborg worden aangemerkt. PostNL ontwaart er zelf – als particuliere onderneming – hooguit een wanprestatie in ten opzichte van de porto betalende afzender. Klagen staat de gemankeerde ontvanger niettemin vrij; je krijgt dan een uiterst vriendelijke ‘medewerker’ aan de lijn, maar op enig resultaat hoef je (naar mijn – rijke – ervaring heeft geleerd) niet te hopen. Dat postbezorging – in het licht van het grondwettelijk verankerde briefgeheim – iets te maken heeft met een publieke taak, lijkt met de privatisering buiten het gezichtsveld te zijn geraakt. Die publieke taak is erop gericht de afzender en de ontvanger de gelegenheid te bieden per post schriftelijke boodschappen uit te wisselen. Dat wil, met inachtneming van artikel 13 Grondwet, zeggen dat de verzender en de beoogde ontvanger de gelegenheid wordt geboden zo’n boodschap met elkaar te delen, en wel op zodanige wijze dat niemand anders daar kennis van neemt. Door een beoogde ontvanger die gelegenheid te ontnemen, wordt de pijler waar het grondrecht op rust, kortom, onderuit gehaald; dan is er immers niet eens meer iemand met wie de boodschap valt te delen en komt zelfs de mogelijkheid om per post iets uit te wisselen in de lucht te hangen. Wie waarborgt dan bovendien dat er geen ander is die stiekem wél kennisneemt van de verdwenen post?
Het in stand houden van een goed functionerend postapparaat is, met andere woorden, de onuitgesproken publieke taak, die in artikel 13 Grondwet als vanzelfsprekend wordt verondersteld. Ook de overheid gaat daarvan uit: stemkaarten, oproepen voor vaccinaties en zelfs de recente instructies voor een noodsituatie worden ons ‘gewoon’ per post toegestuurd – niet om de afzender te plezieren, maar juist in het belang van de geadresseerden. Dan moet aan het toezicht op behoorlijke bezorging ook op deugdelijke wijze gestalte worden gegeven – zo niet door de geprivatiseerde uitvoerder, dan in ieder geval door onze overheid zélf. Op dit moment is het nog lang niet zover; hoog tijd er iets aan te doen!
Dit artikel is gepubliceerd in NJB 2026/61, afl. 2
Afbeelding: Ochtendpost © Jeroen Henneman