Nieuwe politiek

Hoewel de nadruk op bestaanszekerheid in diverse zojuist gepresenteerde verkiezingsprogramma’s opvalt, lijkt er dit najaar veel te kiezen. Toonaangevende bewindspersonen en kamerleden hebben het toneel verlaten en ruimte gemaakt voor nieuw talent. Veel aandacht gaat nu uit naar de BBB van Caroline van der Plas en het NSC van Pieter Omtzigt. Waar staan zij straks voor?

Caroline van der Plas gaf afgelopen week een inkijkje in de H.J. Schoo-lezing,1 waarin zij een somber beeld schetste van ‘Den Haag’ met zijn witteboordenoverheid die zich heeft verschanst in ‘silo’s vol met juristen, economen en bestuurskundigen’ en die zich verliest in falend maakbaarheidsbeleid. Nederland moet juist een Noaberstaat worden waarin de overheid een betrokken buur is, op wie je kunt rekenen, maar die ook gepaste afstand bewaart tot het persoonlijk erf. Maar er is meer: Nederland zou weer bestuurd moeten worden als een land met ambitie en visie, zoals in 1953 toen we na de watersnoodramp begonnen te bouwen aan de Deltawerken. Een immense opgave die nodig was en ons land veiliger en welvarender heeft gemaakt. Kop d’r veur! Anpakk’n!, was destijds het motto en mag nu kennelijk opnieuw richtsnoer zijn.

Het voorbeeld van 1953 noemde directeur van het Centraal Planbureau Pieter Hasekamp eind juni niet toevallig ook toen hij zijn ongenoegen uitte over de compensatiemaatschappij waarin we, mede door corona, terechtgekomen zijn en waarin we vooral bezig zijn met dempen van pech door geld weg te geven.2 Slecht voor de economie, maar ook verder geen goede zaak, al was het maar omdat het een lobbycratie in de hand werkt. Slecht voor de samenleving dus. Hoe het dan wel moet? Neem de watersnoodramp uit 1953: in plaats van veel te compenseren gingen we vooral investeren, juist om er allemaal beter van te worden.

‘Weg met de compensatiemaatschappij!’ lijkt ook de lijn van Thom de Graaf; hij toont zich in het jongste jaarverslag van de Raad van State in ieder geval bezorgd over de tendens waarbij de overheid bij tegenslag de beurs trekt om gedupeerden tegemoet te komen. Dat is niet vol te houden en legt een te groot beslag op de financiële en personele capaciteit van de overheid. ‘Temper de verwachtingen’ is daarom zijn devies.3 Het is het vaste spoor van de Afdeling Advisering van de Raad van State, zo bleek dit voorjaar nog in haar voorlichting over een coronavergoedingsregeling voor zorgmedewerkers: benadruk als beleids­maker de bijzondere omstandigheden om precedentwerking te voorkomen.4

Daarvoor is het echter al te laat volgens de Amsterdamse hoogleraar bestuursrecht Jacobine van den Brink in haar oratie over ‘De compensatiemaatschappij’,5 waarin zij betoogt dat het calvinistische uitgangspunt ‘ieder draagt zijn eigen schade’ ten grave is gedragen. Naast bestaande vergoedingssystemen als het aansprakelijkheidsrecht plus nadeelcompensatieregelingen, de private verzekeringen en de sociale zekerheid, is er een woud aan structurele en incidentele regelingen gekomen waarin de overheid zogenoemde onverplichte tegemoetkomingen uitdeelt. Hiermee zijn miljarden gemoeid. Het gaat om een breed spectrum van gevallen, waaraan de overheid soms part noch deel had, en om een waaier van motieven: coronasteun, mijnbouwschade, energiecompensatie, toeslagenaffaire, overstromingsschade, studenten in het leenstelsel die geen basisbeurs hadden maar er ook geen meer gaan krijgen, stikstofregelingen voor boeren … Allemaal goed bedoeld en dus prachtig? De bezwaren zijn volgens Van den Brink juist legio: rechtsongelijkheid, rechtsonzekerheid, onduidelijke rechtsbescherming, hoge uitvoeringskosten. Valt de geest nog terug in de fles te krijgen? Volgens Van den Brink niet. Zij acht de tijd juist rijp de onverplichte tegemoetkoming als volwaardig beleidsinstrument te zien. Maar daar past dan wel een fatsoenlijke wettelijke regeling bij.

Zij geeft deze ook handen en voeten tot aan het echt heikele punt aan toe: wettelijk zou niet alleen moeten worden vastgelegd tot welke hoogte maar ook wanneer, in welke gevallen dus, een vergoeding op haar plaats is. Uiteindelijk ziet zij één wet voor zich waarin alle overheids­tegemoetkomingen (dus ook reeds bestaande zoals die bij natuurrampen (op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen) en uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven) worden ondergebracht én één uitvoeringsinstantie die zich met al deze uitkeringen bezighoudt. De basis zoekt zij in het beginsel van de dienende overheid.

Het is wat mij betreft geen wenkend perspectief en ook geen haalbare kaart: ik zie vooral een monsterwet (Omgevingswet 2.0?) voor me én een glazen paleis van barmhartigheid waar ‘Den Haag’ vast wel een zakelijker geveletiket op zou weten te plakken. Een nieuwe ‘silo’ vol juristen in ieder geval: denk alleen al aan de 1500 mensen (!) die zich bekommeren om de afwikkeling van de toeslagenaffaire conform de 13 regelingen (!) die inmiddels in de Wet hersteloperatie toeslagen zijn ondergebracht. Daarmee is niet gezegd, dat geef ik Van den Brink graag toe, dat nadenken over uitgangspunten, gelijke behandeling en verbetering van bestaande structurele vergoedings­mechanismen als aansprakelijkheid & verzekering niet zinvol is.6 Wat we echter vooral nodig hebben is een andere mentaliteit en een rechte rug. Dat vraagt iets van ons als samenleving (bij tegenslag niet meteen naar ‘Den Haag’ kijken en de hand ophouden) maar zeker ook van politici, voor wie ‘nee’ verkopen én werkelijk inzetten op een oplossing voor de toekomst veel moeilijker blijkt dan het openen van een nieuw compensatiegeitenpaadje. Hopelijk valt dit najaar ook op dat vlak echt wat te kiezen.

 

Dit Vooraf wordt gepubliceerd in NJB 2023/2043, afl. 28

 

Afbeelding: Pixabay

 

Voetnoten

1 Kop d’r veur! Nederland als Volkshuis – HJ Schoo-Lezing, te lezen op boerburgerbeweging.nl.

2 EW-lezing 26 juni 2023: Van investeren én verdelen komt de winst, te vinden op cpb.nl.

3 Jaarverslag 2022, raadvanstate.nl/jaarverslag2022.

4 Voorlichtingsverzoek over een onverplichte tegemoetkoming voor zorgmedewerkers met langdurige Post-COVID klachten, Raad van State, raadvanstate.nl, advies W13.22.0198/III/Vo.

5 J. van den Brink, De compensatiemaatschappij, via dare.uva.nl beschikbaar.

6 Zie mijn bijdrage in TVP 2023, p. 1 e.v.

 

Over de auteur(s)
Author picture
Ton Hartlief
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht