Nederland wil het Vluchtelingenverdrag weer eens schenden

De ‘Agenda’ die D66 en CDA als basis voor een regeerakkoord hebben opgesteld, bevat het voorstel om de naturalisatietermijn voor vluchtelingen te verlengen. Net als het even eerder ingediende conceptwetsvoorstel om de algemene termijn voor naturalisatie zelfs te verdubbelen, ook voor vluchtelingen, staat dit haaks op de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en het Europees Nationaliteitsverdrag. Naast juridische bezwaren zijn er ook morele. Beide voorstellen getuigen van een xenofobe inslag.

In de ‘inhoudelijke en ambitieuze’ Agenda die D66 en het CDA hebben opgesteld en op 2 december 2025 aan de Kamer hebben aangeboden staat in het Hoofdstuk Asiel en Migratie een alarmerend zinnetje. Het betreft de naturalisatie van asielgerechtigden, de statushouders. Zij zijn erkend als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarom genieten zij het recht dat in artikel 34 Vluchtelingenverdrag als volgt staat omschreven: 

‘The Contracting States shall as far as possible facilitate the assimilation and naturalization of refugees. They shall in particular make every effort to expedite the naturalization proceedings and to reduce as far as possible the charges and costs of such proceedings.’

Momenteel kunnen statushouders na een termijn van vijf jaar naturaliseren (artikel 8 Rijkswet Nederlanderschap). Maar dat is geen rustig bezit. Hardnekkig vasthoudend aan het uit het kabinetje-Schoof voortspruitende faberachtige idee om maar weer eens een tweetrapsraket van telkens drie jaar tijdelijke verblijfsvergunning in te voeren voor nieuwkomers, ook statushouders, hebben de agendisten bedacht om dan maar de naturalisatietermijn voor vluchtelingen op zes jaar te zetten. De vorige keer, vóór 2000, bleek dat tweestapstelsel een flinke mislukking en is het wijselijk afgeschaft in de nieuwe Vreemdelingenwet van dat jaar. Tja, de demissionaire ministers en nu kennelijk ook de onderhandelaars namens D66 en het CDA zijn nu eenmaal niet gezegend met het verstand van ezels. Die termijn van zes jaar is natuurlijk twee keer drie jaar. 

Alleen omdat dit nieuwe stelsel van twee keer drie jaar volgens de Agenda wordt ingevoerd voordat men een vergunning kan krijgen voor permanent verblijf is in dit plan de naturalisatietermijn voor vluchtelingen met een jaar verlengd, van vijf naar zes jaar. Maakt men zo ‘every effort to expedite naturalization’? Integendeel, de plannenmakers stellen zich geheel afhankelijk van de techniek van het vreemdelingenrecht met zijn beoogde tweestatusstelsel. Waarom is het onmogelijk om minstens de termijn op vijf jaar te houden, ook al druist dat in tegen de logica van een heilloos tweestatusstelsel?

Als klap op de vuurpijl heeft de hyperdemissionaire Staatssecretaris voor Justitie en Veiligheid, weer een Rutte, eind september 2025 een wetsvoorstel in consultatie gebracht om de naturalisatie tot Nederlander verder te bemoeilijken. En wel door de algemene naturalisatietermijn van vijf jaar te verdubbelen tot tien jaar. Pas dan, aldus het voorstel, kan van een behoorlijke binding met Nederland sprake zijn. Overigens zonder enige empirische onderbouwing en dus pure ideologie. Die termijn zal dan ook voor vluchtelingen gaan gelden. Waar het om te doen is, is het omlaagkrikken van het migratiesaldo. Met dit plan gaat Nederland tot het gaatje van het Europees Nationaliteitsverdrag, dat tien jaar als de uiterste grens neerzet. In de ontwerp-memorie van toelichting wordt wel aandacht besteed aan de verenigbaarheid met artikel 34 Vluchtelingenverdrag. Het heet: 

‘De met dit wetsvoorstel beoogde algemene verlenging geldt ook voor vluchtelingen als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Om tegemoet te komen aan artikel 34 van het Vluchtelingenverdrag wordt de naturalisatie vergemakkelijkt doordat voor statushouders, waaronder vluchtelingen, een lager naturalisatietarief geldt dan voor niet-asielgerechtigden. Daarmee is het onderhavige voorstel van wet in lijn met artikel 34 van het Vluchtelingenverdrag.’

Afgezien van het feit dat de verdubbeling van de naturalisatietermijn alleen maar zal leiden tot verhoging van het migratiesaldo – vreemdelingen blijven immers langer vreemdeling – is de toelichting wat betreft statushouders bewonderenswaardig brutaal. Het is duidelijk uit de tekst van artikel 34 Vluchtelingenverdrag dat van de verdragsstaten twee dingen gevorderd worden: het faciliteren van de naturalisatie door versnelling van de procedure, en daarnaast het matigen van de kosten. Het gaat niet aan om te denken dat het verminderen van de naturalisatiegelden van € 798 naar € 587 neerkomt op het voldoen aan de beide verplichtingen uit artikel 34 Vluchtelingenverdrag. Het is zonneklaar dat botweg poneren dat de verdubbeling van de naturalisatietermijn ook geldt voor vluchtelingen in strijd is met de inspanningsverplichting om de naturalisatie te versnellen. Het gaat immers om de versnelling ten opzichte van de algemene regels voor naturalisatie. Plompverloren gelijkstelling van de termijn voor vluchtelingen met die voor de algemene naturalisatie kan in geen enkel opzicht vergemakkelijking en versnelling heten. De MvT is dus ronduit leugenachtig. Men mag het ook lacuneus noemen.

Daar komt bij, dat het mij ook voorkomt dat die vergemakkelijking en versnelling ook een tijdsdimensie inhouden. Is eenmaal een termijn vastgesteld, dan mag die ook niet meer verlengd worden. Er schuilt met andere woorden misschien ook een stand still-beginsel in artikel 34 Vluchtelingenverdrag, ook al staat dat er niet met zoveel woorden in.

Opgemerkt moet worden dat ook het Europees Nationaliteitsverdrag (1998) in artikel 6 lid 4 onder g het faciliteren van de naturalisatie van vluchtelingen, zowel in de zin van het Vluchtelingenverdrag als daarbuiten, voorschrijft. De toelichting bij dit artikel verwijst naar het Vluchtelingenverdrag dat ‘similarly refers to facilitated naturalisation of recognised refugees’. Beide verdragen hebben aldus dezelfde inhoud. De MvT zwijgt over het Nationaliteitsverdrag.

Onderwerpt de Agenda zich aan de logica van het tweestatusstelsel, het in circulatie gebrachte wetsvoorstel tot verlenging tot tien jaar trekt zich daar niets van aan. De staatssecretaris vindt het tweestatusstelsel dus niet dwingend. Na het verlenen van een permanente verblijfsvergunning moet de vluchteling nog vier jaar wachten voor zijn naturalisatie. In beide gevallen komt het neer op verlenging ten opzichte van de huidige situatie, maar van coördinatie is geen sprake.

Wat in beide voorstellen ontbreekt is de gedachte aan een overgangsbepaling, en dat klemt het meest bij de verlenging van de termijn tot tien jaar. Mensen die bijna de vijf jaar voltooid hebben, moeten nu nog een lustrum wachten. Het is redelijk om de nieuwe termijnen alleen te laten gelden voor nieuwe nieuwkomers, na het eventueel inwerking treden van nieuwe wetgeving.

Het is zeer de vraag of nadere onderhandelingen met andere partijen dit onderdeel van de Agenda ongemoeid laten. Het kan nog alle kanten uit, en dat geldt ook voor het in circulatie gebrachte wetsvoorstel om de termijn maar liefst tot tien jaar te verlengen, omdat men pas dan geacht wordt volledig ingeburgerd te zijn. Beide voorstellen kennen verschillende uitgangspunten: terughoudende toelating en verrassende nieuwe inzichten in de voltooiing van het proces van inburgering. Maar zij getuigen beide van een xenofobe inslag. Over het Vluchtelingenverdrag wordt heen gewalst. Ik houd mijn hart vast. 

Dit artikel is gepubliceerd in NJB 2026/4, afl. 1.

Afbeelding: Pixabay

Over de auteur(s)
Ulli Jessurun d’Oliveira
Emeritus hoogleraar migratierecht (UvA) en oud-redacteur NJB