Ons verdienvermogen en onze veiligheid en democratie vragen om realisme. We leven in een multipolaire wereld waarin het internationaal recht niet vanzelfsprekend prevaleert. Dat vraagt om een opstelling als land dat het internationaal recht verdedigt, maar ook de taal van macht leert spreken. Ik zuig dit niet uit mijn duim, maar citeer het coalitieakkoord (Aan de slag, p. 34). Daarin staan ook de volgende zinnen (p. 24 en 26): ‘Het is cruciaal om te investeren in energiezekerheid en betaalbare energie, ook voor de lange termijn en ‘We werken aan het afbouwen van financiële prikkels voor fossiele brandstoffen, en doen dit zoveel mogelijk in Europees verband’.
Maar al is een regeerakkoord (er) nog zo snel, de werkelijkheid achterhaalt hem wel. De inkt was nauwelijks opgedroogd, toen Trump en Netanyahu de lont in het kruitvat staken. Iran werd bij verrassing – Trump kent zijn klassieken (Pearl Harbour) en vertelt daar graag over aan andere leiders (premier Takaichi bijvoorbeeld) – aangevallen, ayatollah Khamenei werd razendsnel om het leven gebracht, de bevolking werd ‘gemobiliseerd’ (dít is jullie kans!) en Hegseth kon met zichtbaar genoegen het ene na het andere militaire succes claimen en en passant een voltreffer met afgrijselijke gevolgen (meisjesschool) toeschrijven aan de Iraniërs zelf.
Waar bij Israël wel duidelijk is waar het op uit is, lijken de doelen bij Trump te bewegen: regime change, de wereld veiliger maken, het definitief beëindigen van het kernwapenprogramma van Iran, het aanpakken van diens capaciteit ballistische raketten te lanceren… Al even volatiel zijn Trumps berichten over een einde aan de strijd: nu eens is de oorlog eigenlijk al voorbij, dan weer gaat de strijd toch nog weken duren; op het ene moment zou Iran uit zijn op een deal en lijkt Trump daarop ook aan te sturen, op het andere moment heeft hij daar ‘gewoon geen zin in’ en spreekt hij van de vernietiging van Iran. Op de achtergrond speelt vast dat hij eerst niet door had dat Iran geen Venezuela is, dat zijn eigen achterban niet onverdeeld enthousiast is over deze operatie en de ‘midterms’ mede daarom geen gelopen race zijn en dat hij Netanyahu niet aan een touwtje heeft. Iran sloeg al wild om zich heen, toen Israël ook nog een cruciaal Iraans gasveld aanviel. Verdere escalatie volgde. De gevolgen van het afsluiten van de Straat van Hormuz en beschadigde gasinstallaties in Qatar voor de wereldeconomie zijn nu al merkbaar en gaan naar verluidt lang aanhouden.
Dat de operatie strijdt met het internationale recht boeit Trump c.s. niet, maar is wel een graat in de keel voor Europese leiders die ook niets moeten hebben van het Iraanse regime. Behalve de Spaanse premier Sánchez spreken zij toch vooral met meel in de mond. ‘Begrip’ is het woord waarmee ons kabinet verder mocht. Daarmee is niet alleen het internationale recht geen dienst bewezen, maar is evenmin de taal van de macht gesproken. ‘No! This is not our war’ op Trumps verzoek om hulp bij het openstellen van de Straat van Hormuz klinkt dan al beter (de prijs daarvoor betalen we later), maar deze oorlog, die wij niet begonnen zijn, raakt ons natuurlijk wel hard. En dus gaan wij straks mijnen vegen in een explosieve omgeving.
Ook op andere vlakken blijkt hoe snel geopolitieke ontwikkelingen ons nopen onze doelstellingen bij te stellen. Bij de betaalbare energierekening dacht de coalitie niet aan het ingrijpen in door oorlog gestegen energieprijzen. Zij ontkomt er niet aan reeds nu – en dan weten we niet eens wat deze oorlog nog gaat brengen – na te denken over heropening van het Noodfonds Energie. Dat we maatregelen moeten treffen die fossiele brandstoffen toch weer subsidiëren en niet toekomen aan het aanpakken van onze afhankelijkheid daarvan, zal Jetten storen.
Het is van alle tijden dat een regering haar plannen moet aanpassen aan een nieuwe werkelijkheid. Dat het kabinet-Jetten de bordjes al snel moet verhangen, is niet bijzonder, maar de veelheid aan gevaarlijke ontwikkelingen en de snelheid waarmee zij gepaard gaan, baart wel zorgen omdat zij ons dwingen nog steeds vooral met de actualiteit van vandaag en de korte termijn bezig te zijn, terwijl de samenleving voor grote uitdagingen staat (vergrijzing, arbeidstekorten, energietransitie, technologische ontwikkelingen, klimaatverandering) die juist vragen om een lange termijn-inrichting die eigenlijk ook bestand is tegen geopolitieke ontwikkelingen.
In dit verband vallen tegenwoordig al snel – het wemelt er ook van in het coalitieakkoord – de termen ‘weerbaar’ en ‘wendbaar’. ‘We’ moeten niet alleen voorbereid zijn op allerhande onheil en tegen een stootje kunnen (als bevolking, als infrastructuur (vitale voorzieningen), als krijgsmacht etcetera), maar ‘we’ moeten ons ook snel kunnen aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen en zo nodig kunnen (om)schakelen. Het klinkt goed, maar is te mooi om waar te zijn. Het kan niet allemaal tegelijk.
Bovendien verhullen ‘wendbaarheid’ en ‘weerbaarheid’ dat er winnaars en verliezers zullen zijn en dat er offers moeten worden gebracht, eventueel door grote groepen. Die zullen bescherming zoeken in het recht. De kans is echter groot dat ook naar de infrastructuur van het recht wordt gekeken om die (utopische) wendbare en weerbare samenleving mogelijk te maken (‘valt iets te doen aan die juridische weerstanden, ze zitten onze weerbaarheidsopgave in de weg?’). Niet voor niets is de WRR net een onderzoek gestart naar de democratisch-rechtsstatelijke implicaties van teweerstelling tegen militaire en hybride dreigingen: hoe de democratische rechtsstaat te verdedigen en beschermen zonder hem tegelijkertijd uit te hollen?1 Daar kan het niet bij blijven. Er staat veel meer op de wendbaarheids- en weerbaarheidsagenda dan het hoofd bieden aan militaire en hybride dreigingen dat onze aandacht verdient. Aan de slag!
Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2026/584, afl. 11.
Afbeelding: shutterstock
Voetnoot
1 WRR, Democratische rechtsstaat in de grijze zone, wrr.nl/adviesprojecten/democratische-rechtsstaat-in-de-grijze-zone.
