‘In de procespraktijk gaat het om het verhaal dat je wilt vertellen’

‘Ik denk dat ik een betere advocaat word door me niet monomaan te focussen op het recht, maar ook fictie te lezen’, zegt Léon Dijkman. Hij werkt in de intellectuele-eigendomsprocespraktijk en doceert octrooirecht aan de Universiteit van Amsterdam. Op latere leeftijd wil hij rechter worden, net als zijn voorbeeld, de Amerikaanse rechter William Alsup. Maar de komende jaren geniet hij nog van zijn successen als advocaat, zoals in de recente Birkenstock-zaak.

Waarom ging je rechten studeren?

‘Toen ik een klein jongetje was wilde ik al graag advocaat worden. Dat was mijn grote droom. Met mijn vader keek ik vaak naar Amerikaanse rechtbankfilms. A few good men, met zijn meesterlijke sleutelscène in de militaire rechtbank, was een vroege inspiratiebron. Dat hele spel van het recht leek me geweldig, vooral het pleiten. Ik had mijn zinnen gezet op de procespraktijk en wilde in toga in de rechtbank. Toen ik tijdens de studie ontdekte dat er in Nederland geen jury’s zijn was ik een beetje teleurgesteld. Maar even goed is de procespraktijk heel spannend.’

Bevalt de advocatuur?

‘De advocatuur is een mooi en belangrijk beroep. De cliënten van ons kantoor hebben doorgaans een nuttige uitvinding gedaan of een elegant ontwerp gemaakt. Zorgen dat hen daarvoor eerlijke bescherming toekomt vind ik een nobel streven. Daarnaast is mijn werk heel technisch want octrooirecht draait om argumenteren op basis van technologie. Van drukperstechnologie tot Covid-19-vaccins, ik mag mij steeds weer in iets nieuws verdiepen. Maar het meeste waardeer ik het spelelement  in dit vak. Hoe kun je de regels op zo’n manier toepassen dat ze op mijn zaak passen? Daardoor ga ik met heel veel plezier naar mijn werk. Ik hecht er dan ook aan om de vaak gehoorde klacht dat de advocatuur niet met een normaal leven te combineren is te nuanceren. Dat is niet mijn ervaring en als je een passie ontwikkelt voor een rechtsgebied is het een groot voorrecht om dat als advocaat vooruit te helpen.’

Waarom koos je voor intellectueel eigendom?

‘Tijdens mijn studie interesseerde ik me voor bijna alle rechtsgebieden. Maar de aspecten van het recht die me het meest aanspraken kwamen allemaal samen in het intellectuele-eigendomsrecht. Het is internationaal georiënteerd, het is continu in ontwikkeling en het is bij uitstek een procespraktijk. Bovendien gaat het over problematiek die sterk tot de verbeelding spreekt. Ik kan aan mensen vertellen dat ik geprocedeerd heb over Birkenstocks. Dat is leuk, want iedereen kent dat.’

Hoe kwam het dat je ook literatuurwetenschap ging studeren?

‘Ik heb altijd veel gelezen en toen ik studeerde kon je zonder extra kosten een tweede studie volgen. Die kans wilde ik niet laten lopen. Literatuur is niet alleen een belangrijke bron van ontspanning, het verruimt ook mijn denken. Wij begrijpen het leven het best met behulp van verhalen. Ik denk dan ook dat het lezen van fictie mij een betere advocaat maakt. Het recht – dat wordt wel eens onderschat – ligt heel dicht bij de humaniora. Arresten van de Hoge Raad zijn ook verhalen. En verhalen, veel meer dan droge feiten, geven een dieper begrip van een situatie en creëren compassie. Begrip en compassie zijn niet alleen in het recht maar in alle menselijke situaties van belang. Hoe werkt een huwelijk tussen twee mensen? Wat is mijn rol als vader? Als ik nadenk over dergelijke vragen lees ik liever een roman dan een zelfhulpboek.’

Behalve advocaat ben je docent. Vanwaar die keuze?

‘Mijn ouders leerden mij dat het belangrijk is om je in te zetten voor de maatschappij en je naaste omgeving. Ik doe dat door les te geven en haal er veel voldoening uit om de dingen die ik geleerd heb door te geven aan een nieuwe generatie juristen. Het leukste vind ik het begeleiden van scripties, omdat je dan één op één met studenten werkt en ik ze dan hopelijk iets kan meegeven dat ze zal helpen in hun toekomstige carrière.’

Wie inspireert jou in je vak?

‘Mijn grootste inspiratiebron is de Amerikaanse rechter William Alsup. Na mijn studie in Californië heb ik een zomer lang voor hem mogen werken. Van hem leerde ik zoveel over hoe zaken worden beslist en met hoeveel oog voor detail een goed jurist werkt. Voordat Alsup rechter werd, was hij 40 jaar lang advocaat bij een groot kantoor. Hij kende ieder trucje, iedere handigheid, en advocaten die in zijn courtroom dachten slim te kunnen zijn werden daar met een fel woord op gewezen. Dat vond ik ontzagwekkend, en die zomer besloot ik dat ik graag een soortgelijk carrièrepad zou volgen.’

Rechter worden?

‘Dit jaar ben ik partner geworden bij ons kantoor en hoewel dat soms het eindpunt lijkt waar je als advocaat naartoe werkt is dit juist een nieuw begin. In mijn huidige werk kan ik nog veel leren. En ik vind mezelf eigenlijk te jong om nu rechter te worden, want ik denk dat het goed is als een rechter veel praktijkervaring heeft - net als William Alsup. Ik voel veel meer voor het Engelse of Amerikaanse model, waarbij een rechter praktijkervaring heeft, dan voor het Duitse of Franse model, waarbij jonge juristen direct vanuit de collegebanken een traject volgen om rechter te worden.’

Wat zijn je grootste zakelijke successen?

‘Van het afgelopen jaar kan ik er twee noemen. De rechtbank Midden-Nederland heeft net vonnis gewezen in de Birkenstock-zaak en oordeelde dat er in principe auteursrecht rust op Birkenstocksandalen, zodat Scapino ze niet klakkeloos mag kopiëren. Dat was bijzonder, want enkele maanden eerder oordeelde het Duitse Bundesgerichtshof nog dat de sandalen geen auteursrechtelijke bescherming toekomt. Daarnaast ben ik trots op de prestaties van ons kantoor voor het zgn. Unified Patent Court (UPC), een nieuwe Europese rechter voor octrooizaken. Was het vroeger zo dat op dit zeer specialistische rechtsgebied in elk land een handjevol advocaten elkaar steeds weer troffen, nu speel je in de Champion’s League en sta je tegenover de allerbesten uit  heel Europa. Ik heb een zaak bepleit over de grensoverschrijdende bevoegdheid van het UPC, meer in het bijzonder over de vraag of het ook kan oordelen over inbreuk in Engeland. Dat was controversieel omdat Engeland geen EU-lidstaat is en niet deelneemt aan het UPC, maar het verbod kwam er toch. Dat was een hoogtepunt voor mij.’

Wat maakt jou een goede advocaat?

‘Dat ik naast het recht ook breed geïnteresseerd ben in andere terreinen, zoals literatuur, film en muziek. Daardoor maak ik niet alleen een juridisch-technische analyse van een zaak, maar heb ik ook oog voor de emotionele en maatschappelijke dimensie. In de procespraktijk gaat het om het verhaal dat je wilt vertellen. Ik denk dat ik daar goed in ben. Verder helpt het als je nieuwsgierig bent en steeds opnieuw geïnteresseerd bent in het oplossen van de juridische puzzel waar een zaak je mee confronteert. Je moet zaken ook met de een zekere lichtheid benaderen en afstand kunnen nemen van de materie: “Keep it light”, leerde ik van Joris van Manen, die mij bij ons kantoor meer dan wie dan ook heeft opgeleid.

Hoe zie je het juridische landschap en jouw plek erin?

‘Met de komst van het UPC is het octrooirecht zoals gezegd zeer competitief geworden. Je procedeert tegen (en concurreert met) advocaten uit het buitenland, het gaat allemaal in het Engels en kennis van verschillende jurisdicties is essentieel. Hoe kom je daar tussen als Nederlandse jurist? Dat is een mooie uitdaging die ik als jonge partner graag op me neem. Voorlopig denk ik dat we het als Nederlandse juristen best goed doen. Wij beschikken over pragmatisme en creativiteit die ik bij collega’s uit andere jurisdicties soms mis.’

Vind je publiceren belangrijk?

‘Eerlijk gezegd vind ik dat er veel te veel gepubliceerd wordt. Voor een lezer uit de praktijk is de literatuur nauwelijks nog bij te houden. Ik zou liever zien dat er de helft minder wordt gepubliceerd maar wel stukken van betere kwaliteit. Daar zet ik zelf op in in de schaarse tijd die ik heb om te publiceren.’

Hoe zie je de rol van de uitgever?

‘Wolters Kluwer is heel royaal richting haar auteurs. Ik voel mij als redactielid gewaardeerd. Maar in een bredere maatschappelijke context kun je wel een paar vraagtekens zetten bij de rol van de wetenschappelijke uitgever. Mijn promotor, Peter Drahos, is zeer kritisch over de manier waarop zij de vrije verspreiding van wetenschappelijke kennis beperken. Ik vraag me zelf ook weleens af of die tijdschriften en boeken allemaal zo duur moeten zijn. Natuurlijk snap ik dat een uitgever zakelijk moet zijn, maar de prijzen die tegenwoordig gerekend worden vind ik excessief, zeker omdat de auteurs de inhoud doorgaans gratis aanleveren.’

Wat is jouw favoriete arrest van de Hoge Raad?

‘Het Meppelse ree-arrest, omdat het de grenzen van het recht laat zien. Kort na zonsondergang moet een automobilist uitwijken omdat er plotseling een ree voor zijn auto springt. Dat leidt tot een frontale botsing en de andere chauffeur wil zijn schade verhalen. De rechtbank en het hof wezen de vordering af, omdat er geen verwijt kon worden gemaakt: iedereen zou schrikken van de ree en als eerste reactie uitwijken. De Hoge Raad casseert en legt de schuld wél bij de uitwijkende automobilist, “hoezeer zijn reactie op de plotselinge kritieke situatie menselijkerwijs ook begrijpelijk moge zijn”. Moraal van het verhaal: ook al kun je er niets aan doen, soms heb je pech in het leven en krijg je daarvan de rekening gepresenteerd. Daar kan het eindeloze jeremiëren van juristen over finesses van wetstoepassing en theorieën van rechtvaardigheid niets aan veranderen.’

 

In de interviewreeks Young Professionals zijn eerder gesprekken met Marize Verhagen, Ali al Khatib, Anna BerleeYael Diamant, Ronald OlivierMaarten RemminkPim Huisman en Niels JakElbert de JongJannemieke OuwerkerkRalpf FrinsKasper JansenJeroen Rheinfeld en Justine van Lochem gepubliceerd.

Tekst: Wilma van Hoeflaken -- Fotografie: Berly Damman

Over de auteur(s)