Het verschoningsrecht geofferd aan ­opsporingsbelangen en pragmatisme

Het consultatievoorstel voor de tweede aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering zet het verschoningsrecht onder druk. In plaats van de huidige rol van de rechter-commissaris wordt voorgesteld om de selectie en filtering van vertrouwelijke communicatie over te dragen aan opsporingsdiensten. Het tast de kern van het verschoningsrecht aan en ondermijnt het vertrouwen dat essentieel is voor de relatie tussen advocaat en cliënt.

Op 7 mei jl. ging de tweede aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering in internetconsultatie.1 Hierin wordt voorgesteld om de verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris bij de filtering van geheimhouderstukken over te hevelen naar het OM en de opsporing.

Dit voorstel is tot stand gekomen na een intensieve lobby. De huidige praktijk, waarbij de filtering op het kabinet van de rechter-commissaris wordt gedaan, zou volgens het OM en de opsporing niet werkbaar zijn en tot grote vertraging in onderzoeken leiden. Rechters-commissarissen bleken in de praktijk te worstelen met hun rol als centrale autoriteit bij de filtering. Velen zouden deze taak liever gisteren dan vandaag van hun bord zien verdwijnen. Doel van de voorgestelde bijstelling is volgens de concept-MvT dat ‘veel minder vaak’ een beroep op de rechter-commissaris zal worden gedaan.

Dit voorstel, dat lijnrecht ingaat tegen de uitgangspunten in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 12 maart 2024,2 is onaanvaardbaar. Het ondermijnt het vertrouwen dat advocaten en rechtzoekenden moeten kunnen stellen in de bescherming van hun verschoningsgerechtigde communicatie. Dat in de concept-MvT is vermeld dat dit voorstel op ‘draagvlak’ binnen de ‘strafrechtketen’ kan rekenen, roept de vraag op of daaronder ook de advocatuur wordt verstaan. Dat is niet goed voorstelbaar: voor advocaten leest deze concept-MvT als een koortsdroom.

Alle betrokkenen in strafrechtelijke onderzoeken zijn gebaat bij een goed functionerend, efficiënt filterproces. Dat vraagt om investeringen in IT, kennis en capaciteit. De Hoge Raad signaleerde in zijn beslissing van 12 maart 2024 dat de verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris bij de filtering van geheimhouderstukken ‘vergt dat aan de gerechten voldoende capaciteit en middelen ter beschikking worden gesteld om de kabinetten rechter-commissaris in staat te stellen de vorderingen die de officier van justitie in dit verband zal doen, te beoordelen en om de vereiste filtering te (doen) verrichten.

In plaats van het verder ontwikkelen van de capaciteit van de gerechten wordt in het conceptwetsvoorstel een ‘bijstelling’ van de omgang met geheimhouderstukken geïntroduceerd. Het voorstel is dat de selectie van geheimhouderstukken niet langer wordt gedaan onder regie van de rechter-commissaris, maar door opsporingsambtenaren. En passant wordt ook voorgesteld geheimhouderstukken zolang een strafzaak loopt te bewaren en opsporingsambtenaren de bevoegdheid te geven met ‘behoedzaam kennisnemen’ na te gaan welke gegevens vermoedelijk onder het verschoningsrecht vallen.

Dit voorstel is fundamenteel onjuist. Het selecteren en filteren van geheimhouderstukken is niet in goede handen bij de opsporing en justitie. Dat deze verantwoordelijkheid bij de rechter-commissaris moet liggen, is logisch voor wie begrijpt dat het verschoningsrecht alleen bestaat bij de gratie van vertrouwen in de geheimhouding van advocaat-cliëntcommunicatie. Dat vertrouwen is er niet wanneer die communicatie op de systemen van de opsporing staat en door opsporingsambtenaren wordt verwerkt, gefilterd en vervolgens jarenlang wordt bewaard.

Dat dit in de praktijk tot ongelukken zal gaan leiden, is evident. De selectie en filtering van geheimhouderstukken beleggen bij opsporingsambtenaren is de kat op het spek binden. Er wordt in feite voorgesteld terug te gaan naar de oude, lang geheimgehouden werkwijze, die uiteindelijk enkel openbaar werd dankzij het Box-schandaal.3 In die zaak zagen we wat het effect daarvan was: opsporingsambtenaren die geheimhouderstukken lezen en als sturingsinformatie gebruiken. Opsporingsambtenaren die hun collega’s toegang geven tot een dataset met verschoningsgerechtigd materiaal ten behoeve van een ander onderzoek. Opsporingsambtenaren die vinden dat wanneer een advocaat in CC staat, het verschoningsrecht per definitie niet van toepassing is en op basis van die overtuiging handelen bij de selectie. Dit alles gebeurde onder verantwoordelijkheid van het OM, buiten het zicht van de rechter en de advocaat.

In de concept-MvT worden technische en praktische problemen besproken die deze bijstelling zouden rechtvaardigen. Deze argumenten overtuigen niet. De genoemde problemen kunnen ook opgelost worden met een goed functionerend kabinet rechter-commissaris.

De concept-MvT benadrukt dat een ‘waterdicht systeem’ voor filtering van geheimhouderstukken een illusie is. Maar ook dat is geen reden om de taak dan maar aan de opsporing over te dragen. Niemand vraagt om een ‘waterdicht systeem’ waarbij gegarandeerd is dat nooit een geheimhouderstuk kan achterblijven in een dataset. Dat kan gebeuren en dat gebeurt in de praktijk helaas ook regelmatig. Maar wat wel mag worden verwacht is dat de basis deugt. En in de basis hoort de verantwoordelijkheid voor filtering bij de rechter te liggen. Het is nog maar twee jaar geleden dat de Hoge Raad dat principiële uitgangspunt uiteen heeft gezet.

Wanneer de filtering van verschoningsgerechtigde gegevens wordt opgedragen aan de opsporing en de gegevens daar worden bewaard, betekent dat het einde van het vertrouwen dat advocaten en rechtzoekenden behoren te kunnen hebben in het geheim blijven van hun communicatie. In het consultatievoorstel is het fundamentele belang van het verschoningsrecht en daarvoor benodigde vertrouwen niet meegewogen. Het verschoningsrecht wordt in het voorstel geofferd aan opsporingsbelangen en pragmatisme. Het is van groot belang dat dit van tafel gaat. 

Dit artikel is gepubliceerd in NJB 2026/1129, afl. 21

Afbeelding: © Shutterstock 

Voetnoten


2 HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375.

3 Zie hierover D.R. Doorenbos, ‘E-mails en verschoningsrecht – kortsluiting bij het OM’, NJblog, njb.nl/blogs/e-mails-en-verschoningsrecht-kortsluiting-bij-het-om/, 18 september 2022.

 

Over de auteur(s)