Een kleine kroniek van de Statenklacht Vlucht MH17 bij het EHRM

Op 25 januari 2023 maakte de Grote Kamer van het EHRM bekend dat de statenklacht die Nederland op 10 juli 2020 tegen Rusland heeft ingediend over de Russische betrokkenheid bij het neerhalen van de vlucht MH17 ontvankelijk is verklaard.1

De Grote Kamer gaat de klacht nu inhoudelijk onderzoeken, maar in een radicaal veranderde context omdat Rusland op 24 februari 2022 Oekraïne binnenviel. Sinds 16 september 2022 is Rusland geen lid meer van de Raad van Europa en als gevolg daarvan ook geen partij meer bij het EVRM. Per diezelfde datum is de zetel van de Russische rechter in het hof opgehouden te bestaan. Desalniettemin heeft het EHRM uitgesproken dat het jurisdictie blijft houden over de klachten die betrekking hebben op schendingen van het EVRM door Rusland op grond van feiten die zich hebben voorgedaan vóór 16 september 2022. Het hof is hierin vastberaden omdat, in de woorden van de president van het EHRM Síofra O’Leary, een Staat die zich terugtrekt uit een internationale organisatie, zijn verantwoordelijkheid als het gaat om mensenrechtenschendingen niet mag ontlopen.2 De terugtrekkende beweging van Rusland uit het toezichtsmechanisme van het EHRM was al veel langere tijd gaande. Rusland liet al jaren op grote schaal na de uitspraken van het EHRM na te leven. Ook in de procedure die is voorafgegaan aan de ontvankelijk-verklaring van de Nederlandse statenklacht heeft Rusland op alle mogelijke manieren dwars gelegen. Oekraïne had in 2014 al een statenklacht ingediend tegen Rusland over respectievelijk stelselmatige schendingen van mensenrechten in de Donbas, waaronder executies en martelingen van burgers. Zoals bekend werd de Donbas sinds 2014 gecontroleerd door pro-Russische separatisten die werden ondersteund door het Russische leger. Een tweede statenklacht werd door Oekraïne ingediend wegens de ontvoering en overbrenging van weeskinderen uit de Donbas naar Rusland, volgens de separatisten ‘ter bescherming’ tegen de Oekraïense vijand. De twee Oekraïense statenklachten werden samengevoegd en verwezen naar de Grote Kamer. Op 5 oktober 2018 zou een zitting bij de Grote Kamer plaatsvinden om zowel op de ontvankelijkheid als de inhoud van deze klachten in te gaan. Rusland verzette zich tegen een inhoudelijke beoordeling, waarop besloten werd eerst een beslissing over de ontvankelijkheid te nemen. Daarover is tot juni 2020 gedelibereerd. Intussen had de Russische rechter bij het EHRM zich op 1 januari 2019 teruggetrokken uit de Grote Kamer. Hij werd vervangen door een ad hoc-rechter. Nadat Nederland op 10 juli 2020 een statenklacht tegen Rusland had ingediend, besloot de Grote Kamer ook deze klacht samen te voegen met de twee Oekraïense klachten. De hoorzitting van de Grote Kamer zou plaatsvinden op 24 november 2021. Om de voortgang te torpederen, althans daar heeft het alle schijn van, diende Rusland op 22 juli 2021 ook een statenklacht in tegen Oekraïne waarin Oekraïne van gelijksoortige schending van mensenrechten werd beschuldigd jegens de bevolking van de Donbas en verzocht deze klacht te voegen bij de andere klachten. Dat verzoek werd door het EHRM afgewezen omdat hierdoor te veel vertraging zou ontstaan. Uiteindelijk heeft de zitting waarop alle betrokkenen zijn gehoord op 26 januari 2022 plaatsgevonden. Op die zitting heeft ook de Stichting Vliegramp MH17, die namens de slachtoffers ook zelf klachten tegen Rusland had ingediend, het woord kunnen voeren omdat de vertegenwoordigers van Nederland met instemming van de Voorzitter van de Grote Kamer een deel van hun spreektijd aan de stichting hadden afgestaan.

In de 230 pagina’s dikke ontvankelijkheidsbeslissing wordt een groot aantal knopen doorgehakt. De belangrijkste ontvankelijkheidsvraag die speelde was, of Rusland (extra-territoriale) rechtsmacht in de Donbas had. Volgens de Grote Kamer had Rusland zonder twijfel vanaf mei 2014 effectief de controle, en dus ook rechtsmacht, in de Donbas door zijn militaire, politieke en economische ondersteuning aan de separatisten. Dat geldt ook voor het neerhalen van de vlucht MH17. Verder hebben Oekraïne en Nederland volgens de Grote Kamer voldoende prima-facie bewijs aangedragen van de schending van een grote variatie aan mensenrechten door Rusland. De bij de ontvankelijkheidsbeslissing op 25 januari 2023 gevoegde Annex van 811 pagina’s bevat een indrukwekkend aantal rapporten, onderzoeken (waaronder al het bewijs verzameld in de strafzaak over het neerhalen van de vlucht MH17) en een groot aantal individuele getuigenverklaringen. Ontvankelijk zijn onder andere verklaard de klachten over het ontbreken van enig effectief rechtsmiddel, het doden van burgers, inclusief het neerhalen van Vlucht MH17, martelingen van burgers en Oekraïense soldaten in krijgsgevangenschap, seksueel geweld en verkrachtingen, dwangarbeid, ontvoeringen, onrechtmatige arrestaties en (langdurige) illegale detentie, gerichte acties tegen onafhankelijke journalisten en nieuwszenders, vernietiging van bezittingen en illegale onteigeningen.

De ontvankelijkheidsbeslissing is baanbrekend. Van belang is niet alleen dat het EHRM zal trachten de objectieve waarheid vast te stellen in de informatieoorlog die woedt tussen Rusland en de rest van de wereld over de ware aard van de Russische agressie in Oekraïne. Dat is van grote waarde voor de geschiedschrijving. Maar bij gegrond verklaarde klachten kan op grond van art. 41 EVRM ook schadevergoeding worden toegekend aan de slachtoffers. Zo heeft het EHRM in een vergelijkbare statenklacht van Georgië tegen Rusland, Rusland veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding aan Georgië van € 10.000.000 ten behoeve van de Georgische slachtoffers en daar bovenop schadevergoedingen tussen de € 10.000 en € 15.000 voor individuele klagers.3 Er is wel een groot verschil: toen was Rusland nog partij van het EHRM. Het zal nog een principiële beslissing vergen of schadevergoeding ook kan worden opgelegd, nadat Rusland uit de Conventie is gestapt. De ontvankelijkheidsbeslissing wijst wel in die richting. De toekomst zal het leren.

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2023/523, afl. 8

 

Afbeelding: Pixabay

 

Noten

1 EHRM Grote Kamer 30 november 2022, nrs. 8019/16, 43800/14 en 28525/20, ontvankelijkheidsbeslissing (Oekraïne en Nederland/Rusland).

2 Foreword Annual Report of the European Court of Human Rights 2022.

3 EHRM Grote Kamer, 31 januari 2019, nr. 13255/07 (Georgië/Rusland).

Over de auteur(s)
Author picture
Taru Spronken
A-G bij de Hoge Raad