De zaak Keskin: het EHRM in dialoog met de Hoge Raad

Een nationaal rechtsstelsel reageert op supra­nationale rechtspraak als een lichaam op een orgaantransplantatie: de eerste reflex is die van afstoting en vervolgens wordt het vreemde orgaan zo goed en zo kwaad als mogelijk in het lichaam geassimileerd. Deze beeldspraak kwam bij mij op toen op 19 januari 2021 het EHRM – niet voor het eerst1 – het recht op een eerlijk proces geschonden achtte wegens de onmogelijkheid voor de verdediging om belastende getuigen te ondervragen: de zaak Keskin tegen Nederland.2

In de nationale strafprocedure was het verzoek van Keskin de getuigen te horen die hem bij de politie hadden belast afgewezen omdat hij onvoldoende had onderbouwd waarom die getuigen nog een keer door de rechter gehoord zouden moeten worden. Het door hem hiertegen ingestelde cassatieberoep werd op de voet van 80a RO niet ontvankelijk verklaard. Opmerkelijk, gelet op het latere oordeel van het EHRM. Maar volgens de destijds geldende vaste rechtspraak van de Hoge Raad was de klacht van Keskin dat in zijn strafzaak art. 6 EVRM was geschonden, evident kansloos. Zonder adequate motivering waarom het van belang is een getuige nader te ondervragen kan de rechter immers de relevantie van het verzoek niet beoordelen. Dit uitgangspunt werd nog eens bevestigd in een tweetal overzichtsarresten van de Hoge Raad op 4 juli 20173 waarin de vraag centraal stond hoe de eisen die worden gesteld aan de onderbouwing van een verzoek tot het horen van getuigen zich verhouden tot art. 6 EVRM en de rechtspraak van het EHRM. Volgens de Hoge Raad verzet de Straatsburgse jurisprudentie zich er niet tegen van de verdediging te verlangen dat zij motiveert waarom het van belang is voor de uitkomst van de strafzaak om een getuige te horen. Wat bijzonder is in de Keskin-zaak is dat het EHRM expliciet op deze overzichtsarresten in gaat en er geen misverstand over laat bestaan dat daarin ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen de oproeping van getuigen à décharge (defence witnesses) en à charge (prosecution witnesses). Ten aanzien van de laatste categorie wordt volgens het EHRM, verwijzend naar zijn eigen rechtspraak, het belang van ondervraging door de verdediging vóórondersteld. Daar is dus geen nadere onderbouwing voor nodig. Aan art. 6 lid 3d EVRM ligt immers het uitgangspunt ten grondslag dat verdachten in beginsel het recht hebben getuigen die hen belasten in enig stadium van de procedure te ondervragen om hun betrouwbaarheid te testen.

De Keskin-zaak heeft onmiddellijk voor nogal wat beroering gezorgd bij de rechtbanken en de hoven die dagelijks met getuigenverzoeken te maken krijgen en gewend zijn op het kompas van de Hoge Raad te varen. Voor alle duidelijkheid: de Hoge Raad verbiedt de feitenrechter niet om getuigen te horen, maar geeft hem veel ruimte verzoeken hiertoe af te wijzen. Die ruimte wordt nu door Keskin beperkt. Naast alle praktische vragen hoe post-Keskin op getuigenverzoeken moet worden beslist, dringt zich ook de vraag op waarom de Nederlandse strafrechtspraktijk deze Straatsburgse reactie kennelijk niet heeft zien aankomen. Hoe kan het dat de interpretatie van de rechtspraak van het EHRM op dit terrein nationaal zo anders uitvalt dan in Straatsburg? Volgens mij komt dat door een samenstel van factoren die allemaal zijn terug te voeren op het DNA van onze strafrechtspleging. In de eerste plaats heeft het onmiddellijkheidsbeginsel in het Nederlandse strafproces nooit een grote rol gespeeld. Hoewel in het Wetboek van strafvordering is bepaald dat getuigen op de zitting worden gehoord, is deze bepaling van begin af aan een dode letter geweest vanwege het de auditu-arrest op grond waarvan processen-verbaal van de politie waarin getuigenverklaringen zijn opgenomen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Dat heeft ervoor gezorgd dat het horen van getuigen op de zitting alleen bij uitzondering gebeurt. De berechting vindt plaats op grond van bewijs dat door de politie is verzameld en in processen-verbaal is vastgelegd, waarbij de presumptie geldt dat die informatie juist is. Er moeten dus aanwijzingen zijn dat er iets niet klopt wil de rechter bereid zijn een getuige nader aan de tand te (laten) voelen. Die terughoudendheid maakt het mogelijk dat in Nederland, vergeleken met het buitenland, strafzaken enorm efficiënt kunnen worden afgedaan als we kijken naar de gemiddelde zittingstijd die met een zaak gemoeid is. Er zijn natuurlijk wel mega-processen die meer tijd in beslag nemen, maar de doorsnee-strafzaak wordt in een uur of wat afgedaan. Die ‘productie’ kan niet gehaald worden als er veel getuigen moeten worden gehoord. Dat is ook de reden dat er drempels, zoals de motiveringsplicht, voor de verdediging zijn opgeworpen om een getuige op zitting te krijgen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen getuigen à charge en getuigen à décharge. Deze diepgewortelde praktijk staat haaks op de Straatsburgse benadering waarin het recht op het horen van getuigen à charge voorop staat. Weliswaar zijn ook daarop uitzonderingen mogelijk maar de benadering is die van ‘horen tenzij’ terwijl in Nederland ‘niet horen, tenzij’ het uitgangspunt is. En dat botst.

Het EHRM is in de Keskin-uitspraak nadrukkelijk de dialoog aangegaan en de bal ligt nu bij Nederland. Het lijkt welhaast onvermijdelijk dat de toetsingscriteria voor het horen van getuigen zullen worden aangepast. De wijze waarop dat moet gebeuren blijft een uitdaging. Daarbij speelt mee dat de Straatsburgse waarborgen gelden in het geval de getuigenverklaring voor het bewijs wordt gebruikt. Maar de beslissing om een getuige te horen moet tijdens de behandeling van de strafzaak worden genomen en het is niet op voorhand duidelijk hoe de bewijsconstructie uiteindelijk uit zal vallen en welke getuigenverklaring daarin een rol speelt. We zullen gaan zien hoe deze orgaantransplantatie zal uitpakken.

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2021/494, afl. 7.

 

Afbeelding: flickr.com | jmettraux

 

  1. Zie bijv. de zaken Kostovski, Van Mechelen en Vidgen.
  2. EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16.
  3. ECLI:NL:HR:2017:1015 en ECLI:NL:HR:2017:1219.
Over de auteur(s)
Taru Spronken
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht