Aansprakelijkheidsrecht in de polder

Het zijn twee hoofdpijndossiers: de afwikkeling van Groningse aardbevingsschade en de afhandeling van beroepsziektenclaims. Op beide fronten is nu sprake van beweging, maar dan wel ‘op zijn Hollands’.

Hoewel het dossier Groningen in de zomer van 2019 nog een ‘boost’ kreeg met de antwoorden van de Hoge Raad op een reeks prejudiciële vragen met betrekking tot aansprakelijkheid (bij welk ‘bewijs’ ontkomt NAM aan aansprakelijkheid?) en schadevergoeding (is de vergoeding hoger wanneer NAM ex art. 6:162 BW wordt aangesproken?; kan eiser een bijzondere kwetsbaarheid worden tegengeworpen?; wanneer is er recht op vergoeding van waardevermindering en van immateriële schade?) (ECLI:NL:HR:2019:1278) werd het politiek opportuun geacht de Staat de schade-afwikkeling ter hand te laten nemen en NAM (die via een heffing alsnog de rekening krijgt) ‘op afstand te plaatsen’.


De Tijdelijke wet Groningen, op 4 februari jl. hamerstuk in de Senaat, voorziet daartoe in een nieuwe route die voert langs het Instituut Mijnbouwschade Groningen. Beslissingen van het IMG over schadevergoeding zijn weliswaar gebaseerd op het civiele aansprakelijkheidsrecht, maar vatbaar voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter (Rb. Noord-Nederland en Afdeling bestuursrechtspraak RvS). Deze route is echter niet exclusief: het staat getroffenen nog altijd vrij om NAM civielrechtelijk aan te spreken en in dat verband de burgerlijke rechter in te schakelen. Het is een bijzondere oplossing voor een buitengewoon dossier: twee routes waarin het civiele recht steeds beslissend is, maar waarin bij de ene rechtsbescherming wordt geboden door de bestuursrechter en bij de andere door de civiele rechter.


Te verwachten valt dat de Rb. Noord-Nederland, als civiele of als bestuursrechter, stuit op vragen van civiel aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht (wat houdt dat in het algemeen eigenlijk in en/of geeft de Groningse (massaschade)context aanleiding voor een bijzonder regime?) die zij liefst prejudicieel beantwoord zou zien. Met de TwG kunnen nu vragen aan de hoogste rechter in iedere kolom worden gesteld. Behalve de Hoge Raad kan ook de Afdeling dus geroepen worden tot het beantwoorden van vragen die kennelijk geen evident antwoord kennen en aldus bijdragen aan een rechtsontwikkeling die in haar betekenis niet steeds beperkt is tot aardbevingszaken. Het ligt meer voor de hand dat, ook in de bestuursrechtelijke kolom, prejudiciële vragen over civiel recht aan de Hoge Raad worden voorgelegd.


Een daartoe strekkend amendement Van der Lee/Sienot werd door minister Wiebes ontraden en is niet in stemming gebracht. Een motie van dezelfde Kamerleden waarin de regering verzocht wordt in overleg te treden met Hoge Raad en Raad van State over het scheppen van de mogelijkheid civielrechtelijke vragen te stellen aan de Hoge Raad en daarna verslag uit te brengen aan de Kamer voordat zij het wetsvoorstel ‘Versterking’ bespreekt, is wél aangenomen. Dat wordt dus polderen. Hete hangijzers genoeg: de verantwoordelijkheid van de Hoge Raad voor het civiele recht die in het geding is bij beslissingen over aardbevingsschade maar daartoe niet beperkt, respect voor de Afdeling als hoogste (bestuurs)rechter en de noodzaak uiteenlopende rechtspraak te voorkomen (waarvoor de enkele mogelijkheid in beide kolommen vragen te stellen aan de Hoge Raad niet volstaat).


Ook de afwikkeling van beroepsziektenclaims is, opnieuw, actueel. Werkelijke vooruitgang wordt maar niet geboekt. Terwijl slachtoffers van arbeidsongevallen veel baat hebben bij een claim tegen de werkgever ex art. 7:658 BW, is die weg voor slachtoffers van een beroepsziekte bezaaid met voetangels en klemmen (ontbreken blootstellingsgegevens, causaliteitsproblemen (beroepsziekten zijn vaak multicausaal)). Een procedure in het aansprakelijkheidsrecht is niet alleen duur en belastend, maar brengt vaak ook geen succes. Velen zien daarom af van een claim. Minister van SZW Asscher bleef in 2016 binnen het aansprakelijkheidsrecht, maar zette zijn geld op een beoordelingsinstantie en rechtsbescherming in de bestuursrechtelijke kolom (Kamerstukken II 2015/16, 25883, nr. 262). Zover kwam het niet, maar verbeterd is de situatie niet.


Nieuw momentum kwam toen SZW De Letselschaderaad eind 2018 verzocht een Gedragscode Afhandeling Beroepsziekteclaims te ontwikkelen en vorige zomer in de nasleep van de Tilburgse chroom 6-affaire de Commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling Beroepsziekten werd ingesteld. Omdat de problemen nu eenmaal op het systeem van het aansprakelijkheidsrecht zijn terug te voeren, zou zij de oplossing het beste buiten dat stelsel zoeken. Al vaker is directe verzekering bepleit (o.m. SER-advies, Stelsel voor gezond en veilig werken, 2012): de werkgever is dan verplicht een verzekering ten behoeve van zijn werknemers af te sluiten. Omdat dekking niet gekoppeld is aan werkgeversaansprakelijkheid, maar aan schade bij de werknemer, worden de typische aansprakelijkheidsrechtelijke problemen ontweken. De beperkte opdracht van de Commissie Heerts (beperk u tot ziekten door gevaarlijke stoffen en laat de sociale zekerheid ongemoeid) staat zo’n stelselwijziging echter in de weg.


Zolang we het met het aansprakelijkheidsrecht moeten doen, is iedere vooruitgang daar welkom. De opdracht aan De Letselschaderaad heeft een in samenspraak met ‘het veld’ opgesteld consultatiedocument opgeleverd (Goede Praktijken Beroepsziektezaken) dat beoogt ‘binnen’ het aansprakelijkheidsrecht de handelwijzen van bij afwikkeling betrokken professionals beter op elkaar af te stemmen. Rode draad is dat de afhandeling van beroepsziekteclaims verbetert wanneer partijen samenwerken: ‘samen optrekken’ in een gedeeld belang bij helderheid, voortvarendheid en beperking van financiële en emotionele lasten. Omdat vooral in de eerste fase van de claimbehandeling winst te behalen is, wordt voorzien in een stappenplan dat de afhandeling kan verkorten en minder belastend kan maken. Het typeert de Nederlandse letselschadeafwikkelingscultuur:1 ‘samen optrekken’ in een systeem dat door een toernooi-model wordt gekenmerkt.


Het ‘wereldberoemde’ poldermodel beroert dus ook het aansprakelijkheidsrecht. Bij de aardbevingsschade moet het kou uit de lucht nemen bij samenloopvragen die de TwG meebrengt, bij de afwikkeling van beroepsziektenclaims problemen van aansprakelijkheidsrecht verzachten. Voor een werkelijke oplossing moet soms echter, ook in het polderlandschap, uit een ander vaatje worden getapt.

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2020/569, afl. 9.

 

  1. Vgl. Engelhard & Lindenbergh, TVP 2016, p. 88.
Over de auteurs
Ton Hartlief
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht