112-verschoningsrecht

Het professionele verschoningsrecht blijft een rechtsbeginsel dat van tijd tot tijd stof doet opwaaien. Dat komt mede omdat verschoningsgerechtigden, vooral als het gaat om een ernstig delict, zich voor een ingewikkeld (moreel) dilemma zien gesteld. Wat moet vóórgaan: de waarheidsvinding of het beroepsgeheim? Als er levens op het spel staan mag de geheimhoudingsplicht doorbroken worden. Maar wat te doen in situaties waar het onheil al is geschied?

Juridisch is de verankering van de geheimhoudingsplicht en het daarmee corresponderende verschoningsrecht voor de arts, advocaat of notaris stevig. Voor hen is vertrouwelijkheid een essentiële voorwaarde voor de beroepsuitoefening. Door het verschoningsrecht kunnen zij niet gedwongen worden informatie die hen in dat kader is toevertrouwd prijs te geven, omdat anders mensen ervan weerhouden worden deze hulpverleners in te schakelen. Dat laatste wordt als zo’n zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang gezien, dat daarvoor de waarheidsvinding moet wijken. Als uitgangspunt geldt dat het de verschonings-gerechtigde is die bepaalt of hij informatie prijs geeft, zelfs al is hij door degene die zich tot hem heeft gewend uit zijn geheimhoudingsplicht ontslagen. Als verschoningsgerechtigden gemakkelijk uitzonderingen maken op hun geheimhoudingsplicht, dan heeft dat een ‘chilling effect’. Dat grenzen vloeibaar worden op het moment dat zich een nijpende situatie voordoet, blijkt uit de zaak die onlangs weer in het nieuws kwam over de 15-jarige Megan. Zij werd 19 augustus vorig jaar thuis door messteken om het leven gebracht. Haar 16-jarige vriendje staat daarvoor terecht bij de Rechtbank Breda. Omdat hij minderjarig is wordt de zaak achter gesloten deuren behandeld. Toch sijpelde de volgende informatie door naar de pers. De verdachte had na de steekpartij 112 gebeld en 19 minuten met de Alarmcentrale of beter gezegd de daaronder vallende centralist van de meldkamer voor de ambulancezorg gesproken. Het OM, de rechtbank en de verdediging wilden de opname van dit gesprek beluisteren, omdat dat van belang kon zijn voor de beoordeling van de zaak. Maar de Alarmcentrale stelde zich op het standpunt dat dit gesprek onder het medisch beroepsgeheim van de centralist valt en weigerde de opname vrij te geven. Dit leidde tot commotie bij de ouders van Megan. Hun advocaat stelde zich, als we de berichtgeving moeten geloven, op het standpunt dat de opname vanwege het zwaarwegende belang voor de ouders moest worden vrijgegeven.1 Wat ook wel vragen opriep was, dat kennelijk ook de verdachte wilde dat de opname zou worden prijsgegeven. Waarom hield de Alarmcentrale dan toch voet bij stuk? Twee weken geleden liet de Alarmcentrale weten de opnames van het meldkamergesprek aan het OM te zullen vrijgeven omdat ‘het hier een uitzonderlijke situatie betreft’. In de media werd nog gemeld dat de zaak nu bij de Hoge Raad lag, maar dat dit beroep zou worden ingetrokken.

Het is niet de eerste keer dat het medische verschoningsrecht in het kader van een 112-melding ter discussie staat. Procedureel loopt dat in een strafzaak als volgt. De officier van justitie kan op grond van artikel 126nf Sv in het belang van het onderzoek bepaalde gegevens vorderen bij degene die over die gegevens beschikt (in casu de Alarmcentrale) als het gaat om de opsporing van een ernstig misdrijf. Professioneel verschoningsgerechtigden (zoals advocaten en artsen) zijn niet verplicht aan een dergelijke vordering te voldoen en ook degenen die een hiervan afgeleid verschoningsrecht hebben (secretariaat advocatenkantoor of ziekenhuis) kunnen hun medewerking weigeren.2 Als degene tegen wie de vordering gericht is zich beroept op het verschoningsrecht, dan kan deze ingevolge artikel 552a Sv de rechtbank vragen te bepalen dat de officier van justitie geen beslag mag leggen op de gevorderde gegevens. Tegen een beslissing van de rechtbank staat vervolgens cassatieberoep open. Wat de rechtbank in de zaak van Megan heeft beslist is niet bekend. Maar kennelijk was er al cassatieberoep ingediend.

Maar nu naar de inhoud: kan een centralist van een alarmcentrale zich op het (medische) verschoningsrecht beroepen? En doet het ertoe dat (ook) degene die de melding aan de centralist heeft gedaan wil dat de opname aan justitie wordt verstrekt?

De eerste vraag is door de Hoge Raad al op 30 juni 2017 beantwoord.3 Die beslissing komt er kort gezegd op neer dat 112-meldingen en de communicatie tussen de melder en de centralist van de meldkamer voor ambulancezorg onder het medisch beroepsgeheim vallen en zowel de betrokken centralist (een verpleegkundige) als ook de regionale ambulancezorg zich dus op het (afgeleide) verschoningsrecht kunnen beroepen. Dus in de zaak van Megan had de Alarmcentrale sterke kaarten. Waarom er volgens de Alarmcentrale hier sprake was van een uitzonderlijke situatie heb ik nergens kunnen lezen. Was het de ernst van de zaak? De emotionele oproep van de ouders van Megan? Of de omstandigheid dat ook de verdachte (de melder) wilde dat de opname in de strafzaak zou worden ingebracht, omdat deze mogelijk ontlastende informatie bevat? We weten het niet en dat is uit oogpunt van het algemeen belang bij de bescherming van de geheimhoudingsplicht en het daaraan gekoppelde verschoningsrecht jammer. De zaak is in de media breed uitgemeten en wat daarvan blijft hangen is dat je moet uitkijken wat je in een noodsituatie aan de Alarmcentrale meldt. Dat kan zo maar eens tegen je worden gebruikt. Van de andere kant is daarmee ook een interessante vraag onderbelicht gebleven, namelijk hoe zwaar het moet wegen dat de verschoningsgerechtigde is ontslagen uit zijn geheimhoudingsplicht. Heeft degene die vertrouwelijke informatie verstrekt niet ook het recht om te bepalen dat de verschoningsgerechtigde die informatie (in zijn belang) prijs moet geven?4

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2020/1639, afl. 26.

 

  1. Zie bijvoorbeeld BN De Stem, 12 juni 2020 en AD, 15 juni 2020 een zoekopdracht met de woorden Megan en 112 levert talloze hits op.
  2. Zie recent in civiele context HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600 (SNS REAAL).
  3. HR 30 juni 2017, NJ 2018/92.
  4. Het uitgangspunt dat in de meeste common law-landen geldt.
Over de auteur(s)
Taru Spronken
A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht