Wetsvoorstel (17-02-2026) met Regels over de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen (Wet internationale sanctiemaatregelen)
—De Sanctiewet 1977 is momenteel de schakel tussen internationale verplichtingen en afspraken en nationale uitvoering en is in het afgelopen decennium slechts beperkt gewijzigd terwijl de omvang en complexiteit van internationale sanctiemaatregelen sterk is toegenomen. Specifiek gesignaleerde problemen met de Sanctiewet 1977 betreffen onder andere ontbrekende of onvoldoende grondslagen om gegevens uit te wisselen, het ontbreken van de mogelijkheid om sanctieschendingen bestuursrechtelijk te handhaven, een niet-toereikend systeem voor beheer en bewind, en behoefte bij marktpartijen aan inzicht in mogelijke relaties met gesanctioneerde personen en entiteiten. Hiernaast kennen sanctiemaatregelen verschillende meldingsplichten. Het adresseren van deze aandachtspunten zou een omvangrijke wijziging van de Sanctiewet 1977 vergen, waardoor het in de rede ligt om een geheel nieuwe wet vast te stellen. Het wetsvoorstel moderniseert het Nederlandse sanctiestelsel dan ook op verschillende vlakken:
- modernisering van de grondslagen om regels te stellen ter uitvoering van internationale sanctiemaatregelen;
- introductie van bestuursrechtelijke handhaving van schendingen van sanctiemaatregelen in aanvulling op het strafrecht;
- introductie van een bijzondere handhavingsbevoegdheid bij ernstige niet-naleving of ontduiking van sanctiemaatregelen;
- mogelijk maken van beheer en bewind van (langdurig) bevroren
- tegoeden en economische middelen; creëren van een grondslag om in verschillende openbare registers een koppeling te maken met sancties;
- verbeteren van de mogelijkheden die bevoegde autoriteiten, zoals toezichthouders en handhavingsinstanties, hebben om gegevens uit te wisselen; inrichten van een centraal meldpunt sancties; en
- aanpassingen aan het toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding van dat toezicht naar juridische beroepsgroepen.
Grondslagen
De Sanctiewet 1977 kent vier internationale grondslagen op basis waarvan in Nederland uitvoeringsregels kunnen worden gesteld, namelijk internationale sanctiemaatregelen uit (1) verdragen; (2) bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties; (3) aanbevelingen van volkenrechtelijke organisaties, en (4) internationale afspraken.
Internationale sanctiemaatregelen die voortvloeien uit (1) of (2) zijn juridisch bindend. Daar kan uitvoering aan worden gegeven bij amvb of bij ministeriële regeling, als de te stellen regels alleen strekken ter uitvoering van de verplichtingen in kwestie. Sanctiemaatregelen voortvloeiend uit (3) en (4) hebben weliswaar een politiek bindend karakter, maar geen juridisch bindend karakter. Uitvoeringsregels ter voldoening daarvan kunnen daarom in beginsel alleen bij amvb worden gesteld.
Het wetsvoorstel houdt vast aan deze vier grondslagen, maar voorziet daarbij wel in een nadere inkadering daarvan. Zo wordt bepaald dat bij de uitvoering van juridisch bindende internationale sanctiemaatregelen, voor ministeriële regelingen kan worden gekozen als er sprake is van spoed of als de internationale sanctiemaatregelen beperkt ruimte laten voor beleidsinhoudelijke keuzes. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een verduidelijking en versterking van de waarborgen die gelden voor de uitvoering van internationale sanctiemaatregelen op basis van (3) en (4).
Bestuursrechtelijke handhaving
Sanctiemaatregelen worden momenteel alleen strafrechtelijk gehandhaafd. Het wetsvoorstel introduceert bestuursrechtelijke handhaving voor een deel van de sanctiemaatregelen. Dit betreft dus een toevoeging naast de bestaande strafrechtelijke handhaving. Er wordt dus een gedeeltelijk duaal handhavingsstelsel voorgesteld. Reden daarvoor is dat het strafrecht niet in alle gevallen voldoende proportioneel inzetbaar is gebleken bij schendingen waarbij de ernst en omvang gering is, of waar het handhavingsdoel vooral herstellend is. Daartoe wordt de mogelijkheid geïntroduceerd om een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen. Dit doet recht aan het karakter van het strafrecht als ultimum remedium. De bestuursorganen die bestuursrechtelijk handhavend kunnen optreden zijn de Douane (wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven op de naleving van specifieke normen op het gebied van onder andere de inkoop, verkoop, invoer, uitvoer of doorvoer, direct of indirect, van goederen en diensten in strijd met geldende EU-sanctieverordeningen), het Bureau Toetsing Investeringen (BTI) bij het Ministerie van EZ (wordt bevoegd om bestuursrechtelijk te handhaven betreffende specifieke normen ten aanzien van de eigendom van of zeggenschap over (niet-beursgenoteerde) ondernemingen gevestigd in Nederland), het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en de deken, bedoeld in artikel 45a, lid 1 Advocatenwet. De deken en het BFT zullen toezicht gaan houden op de bedrijfsvoeringsvoorschriften die gelden voor advocaten, respectievelijk notarissen en accountants. Omdat bij een duaal sanctiestelsel de bestuurlijke boete niet hoger mag zijn dan de maximale strafrechtelijke boete, is ervoor gekozen om de bestuursrechtelijke boetemaxima gelijk te stellen aan de strafrechtelijke boetemaxima. Het wetsvoorstel voorziet daarnaast in ook in een specifieke bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheid voor de Minister van EZ in overeenstemming met de minister die het mede aangaat. Deze bevoegdheid heeft tot doel om ernstige niet-naleving of ontduiking direct te beëindigen of te voorkomen, en heeft daarom meerwaarde naast een eventuele strafrechtelijke of andere punitieve maatregel. Beheer (langdurig) bevroren economische middelen
Er wordt een regeling voorgesteld voor de continuïteit en afwikkeling van door sancties getroffen ondernemingen ingeval van negatieve maatschappelijke neveneffecten. Naar gelang de omstandigheden van het geval is het doel de continuïteit of in ultimo de ordelijke afwikkeling van de onderneming. Daarbij zullen de maatregelen altijd gericht zijn op het zoveel mogelijk beperken van negatieve maatschappelijke effecten, zoals verlies van werkgelegenheid en ontwrichting van economische processen in Nederland en de EU. Ook worden mogelijkheden gecreëerd voor de overheid om het beheer en bewind van bepaalde registergoederen, zoals onroerende zaken, luchtvaartuigen en schepen, over te nemen.
Aantekeningen in registers
Het wetsvoorstel regelt in de eerste plaats de bevoegdheid voor de beheerders van een aantal openbare registers om een aantekening aan te brengen bij de geregistreerde gegevens in het register (bijvoorbeeld bij een rechtspersoon of een registergoed) waaruit blijkt dat er een relatie is tussen een gesanctioneerde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam en het voorwerp van de registratie. Deze bevoegdheid wordt door middel van wijzigingsbepalingen in de relevante sectorwetgeving opgenomen die deze registers instellen en regelen. Het betreft o.a. het Handelsregister (waaronder het UBO-register), het UBO-register trusts, en de kadastrale registraties.
Er is afgezien van de mogelijkheid om een aantekenbevoegdheid voor de Basisregistratie Personen (BRP) te regelen.
Verbeterde gegevensuitwisseling
In Europese sanctieverordeningen worden over het algemeen bepalingen over gegevensuitwisseling opgenomen. Wat er nationaalrechtelijk nog noodzakelijk en mogelijk is, verschilt per situatie. De noodzakelijke gegevensuitwisselingsgrondslagen zullen worden opgenomen in een amvb of, als een onmiddellijke voorziening is vereist, in een ministeriële regeling die vervolgens binnen acht maanden moet worden vervangen door een amvb.
Centraal meldpunt sancties
Op dit moment is sprake van een versnipperd meldpuntlandschap. Om ervoor te zorgen dat melders makkelijker aan hun meldingsplicht kunnen voldoen en dat de gemelde informatie beter wordt gebruikt, wordt voorzien in een centraal meldpunt sancties door het bestuursorgaan, dat in een sanctiebesluit of sanctieregeling wordt aangewezen om meldingen in ontvangst te nemen. In eerste instantie zal dat de Minister van Buitenlandse Zaken zijn. Het centraal meldpunt moet er voor zorgen dat op de juiste wijze opvolging wordt gegeven aan meldingen, op het gebied van verificatie en informatiehuishouding. Op een centrale plek kan er een completer beeld ontstaan van bevroren tegoeden en economische middelen, kunnen analyses worden gemaakt en patronen worden herkend en waar nodig, gesignaleerd voor handhaving.
Toezicht op de bedrijfsvoering en uitbreiding naar juridische beroepsgroepen
Sinds 2002 voorziet de Sanctiewet 1977 in bestuursrechtelijk sanctiewettoezicht op de bedrijfsvoering voor bepaalde financiële instellingen. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om notarissen, kandidaatnotarissen en toegevoegd-notarissen, (register) accountants en belastingadviseurs en advocaten onder de reikwijdte van het toezicht op de bedrijfsvoering te brengen. De nadere bedrijfsvoeringsregels zijn erop gericht dat (juridische) beroepsgroepen hun bedrijfsvoering dusdanig inrichten dat zij in staat zijn zich te houden aan de geldende sanctiemaatregelen.
Naast het regelen van het toezicht op juridische beroepsgroepen wordt een aantal noodzakelijke wijzigingen ten aanzien van het bestaande bedrijfsvoeringstoezicht aangebracht. Er wordt een nieuw artikel ingevoegd om de huidige praktijk van het houden van risicogebaseerd toezicht te verankeren, naar analogie van de Wwft. Verder wordt het bestaande toezicht versterkt doordat handhavingsmaatregelen kunnen worden gepubliceerd.