Wetsvoorstel (28-01-2026) tot Wijziging van de Archiefwet 1995 ter verruiming van de mogelijkheden om archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten en die persoonsgegevens bevatten, ter raadpleging en gebruik beschikbaar te stellen
—Dit wetsvoorstel verruimt de mogelijkheden om toegang te geven tot overheidsarchieven die persoonsgegevens bevatten. Met het begrip ‘persoonsgegevens’ wordt gedoeld op informatie die herleidbaar is naar nog levende personen. Het wetsvoorstel regelt specifiek:
- een verruiming van de mogelijkheden om bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens ter raadpleging of gebruik beschikbaar te stellen; en
- een grondslag die het mogelijk maakt dat archiefbescheiden die deel uitmaken van een archief dat betrekking heeft op oorlog of oorlogsmisdaden, politiek gedrag onder voormalige totalitaire regimes, genocide of misdaden tegen de menselijkheid, onder voorwaarden via internet beschikbaar worden gesteld, ook als deze archiefbescheiden mogelijk nog (bijzondere of strafrechtelijke) persoonsgegevens bevatten.
Aanleiding
De concrete aanleiding voor dit wetsvoorstel is een onderzoek van de Autoriteit persoonsgegevens naar de voorgenomen beschikbaarstelling van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging via internet door het Nationaal Archief. In dit onderzoek concludeerde de AP dat de Archiefwet 1995 geen grondslag biedt voor het (via internet) beschikbaar stellen van archiefbescheiden die persoonsgegevens bevatten in de zin van de AVG. De conclusie van de AP geldt in het bijzonder voor bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Bij bijzondere categorieën van persoonsgegevens gaat het om de categorieën persoonsgegevens die worden genoemd in artikel 9, lid 1 AVG. Dit zijn persoonsgegevens die zo privacygevoelig zijn dat het grote(re) impact op iemand kan hebben als deze gegevens worden verwerkt. Bijzondere persoonsgegevens zijn bijvoorbeeld gegevens over iemands etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze overtuigingen, seksuele leven of gezondheid. Bij persoonsgegevens van strafrechtelijke aard gaat het kortgezegd om persoonsgegevens over een strafrechtelijke verdenking of veroordeling van de betrokkene. Het feit dat een adequate wettelijke grondslag ontbreekt, betekent dat archiefbescheiden die dergelijke persoonsgegevens bevatten, of waarvan niet kan worden uitgesloten dat ze die bevatten, zelfs na het verstrijken of opheffen van de aan de openbaarheid gestelde beperkingen, in beginsel niet voor eenieder ter raadpleging of gebruik beschikbaar kunnen worden gesteld.
Met dit wetsvoorstel worden de knelpunten die de AP heeft gesignaleerd, weggenomen. Inhoud wetsvoorstel Hoewel de aanleiding van het wetsvoorstel het CABR is, heeft het wetsvoorstel een bredere reikwijdte. Ten eerste is de voorgestelde verruiming van de mogelijkheden om bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens ter raadpleging of gebruik beschikbaar te stellen, in principe van toepassing voor alle archiefbescheiden die naar een archiefbewaarplaats in de zin van de Archiefwet 1995 zijn overgebracht.
Ten tweede kan de voorgestelde grondslag voor publicatie via internet van archiefbescheiden, niet uitsluitend voor het CABR worden toegepast, maar mogelijk ook voor andere archiefbescheiden die deel uitmaken van een archief dat betrekking heeft op oorlog of oorlogsmisdaden, politiek gedrag onder voormalige totalitaire regimes, genocide of misdaden tegen de menselijkheid. Het belang van toegankelijkheid van archieven wordt expliciet onderkend in overweging 158 AVG, waarin staat dat lidstaten kunnen bepalen dat persoonsgegevens verder mogen worden verwerkt voor archiveringsdoeleinden. Hierbij wordt als voorbeeld genoemd het verstrekken van informatie over politiek gedrag onder voormalige totalitaire regimes, over genocide, misdaden tegen de menselijkheid, met name de Holocaust, of over oorlogsmisdaden. Met dit wetsvoorstel wordt mede uitvoering gegeven aan deze overweging.
Keerzijde is dat een inbreuk wordt gemaakt op het grond- en mensenrechtelijk beschermde belang van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens. Het doel van dit wetsvoorstel is ook om – door een gepaste inkadering van de voornoemde verruimingen – tussen deze twee belangen een nieuwe balans te creëren waarmee recht wordt gedaan aan beide fundamentele belangen.
Verzoeker met persoonlijk belang
Het wetsvoorstel verruimt de uitzonderingen op het verwerkingsverbod die in artikel 2a Archiefwet 1995 zijn opgenomen. Daarbij wordt concreet mogelijk gemaakt dat ook bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens kunnen worden verwerkt voor het ter raadpleging en gebruik beschikbaar stellen van overgebrachte archiefbescheiden aan een verzoeker die een persoonlijk belang heeft bij de raadpleging of het gebruik van de archiefbescheiden. Voor het ter raadpleging en gebruik beschikbaar stellen van overgebrachte archiefbescheiden aan een verzoeker met een persoonlijk belang kunnen alleen bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens worden verwerkt, indien het persoonlijke belang van de verzoeker zwaarder weegt dan de belangen die tot bescherming van persoonsgegevens nopen. De zorgdrager of beheerder moet dus een belangenafweging maken. In de MvT worden aspecten genoemd die daarbij een rol kunnen spelen. In het wetsvoorstel zijn grondslagen opgenomen op basis waarvan bij algemene maatregel van bestuur nadere regels zullen worden gesteld over de te maken belangenafweging. De Raad van State adviseerde dit op wetsniveau te doen. Ter beschikkingstelling via internet
Het via internet beschikbaar stellen van archiefbescheiden die (bijzondere of strafrechtelijke) persoonsgegevens bevatten, is een ingrijpende bevoegdheid die inbreuk kan maken op de persoonlijke levenssfeer van de personen, wiens gegevens in de archiefbescheiden voorkomen. Om te verzekeren dat de wijze waarop deze bevoegdheid wordt toegepast evenredig en voorspelbaar is, is de bevoegdheid in het wetsvoorstel scherp ingekaderd. Zo kan de bevoegdheid alleen worden toegepast voor archiefbescheiden die deel uitmaken van een archief dat betrekking heeft op oorlog of oorlogsmisdaden, politiek gedrag onder voormalige totalitaire regimes, genocide of misdaden tegen de menselijkheid. De regering heeft hierbij – in lijn met het advies van de Raad van State – aansluiting gezocht bij de categorieën archieven die als voorbeelden in overweging 158 van de AVG worden genoemd. De Minister van OCW kan archiefbescheiden alleen aanwijzen, indien het via internet toegankelijk maken van de archiefbescheiden een zwaarwegend algemeen belang dient. Daarbij moet de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op dat zwaarwegend algemeen belang. In het wetsvoorstel zijn criteria opgenomen die nadere invulling geven aan de te maken belangenafweging. Indien archiefbescheiden door de Minister van OCW zijn aangewezen, is het vervolgens de beheerder van de archiefbewaarplaats, die tot de daadwerkelijke publicatie via internet kan overgaan.
In dit wetsvoorstel wordt de beheerder daarbij verplicht passende maatregelen te nemen die de verspreiding van (bijzondere en strafrechtelijke) persoonsgegevens tegengaan. Ten eerste moet de beheerder maatregelen nemen om zoveel mogelijk te voorkomen dat de desbetreffende archiefbescheiden ongeoorloofd worden geïndexeerd, dat ongeoorloofde tekst- en datamining plaatsvindt als bedoeld in artikel 25a, lid 3 van de Auteurswet, of dat de archiefbescheiden anderszins ongeoorloofd in grote aantallen worden gekopieerd. De tweede maatregel betreft de verplichting voor de beheerder om een mogelijkheid te bieden voor betrokkenen om melding te doen van het voorkomen van zijn of haar persoonsgegevens in het archief. De derde maatregel is dat de beheerder burgers die het archief raadplegen waarschuwt voor het feit dat zij mogelijk persoonsgegevens te zien kunnen krijgen en dat men in voorkomend geval de wet- en regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens moet naleven.