Wetsvoorstel (01-03-2024) tot wijziging van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en van de Wet goed verhuurderschap (verlenging, wijziging en handhaving van de maximering en verkorting van de verjaringstermijn voor huurverhogingen)

—Dit wetsvoorstel voorziet in de verlenging van de maximering van de jaarlijkse huurprijsverhogingen voor geliberaliseerde huurovereenkomsten voor woonruimte. De aanleiding hiervoor is dat op grond van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten die maximering eindigt op 1 mei 2024. Uit de evaluatie van de Wet maximering huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten is gebleken dat verlenging van die maximering van de huurprijsverhogingen gewenst is. Ook bleek uit de evaluatie dat het wenselijk is om de handhaving van de maximering van de jaarlijkse huurprijsverhoging te verbeteren. Ook voorziet het wetsvoorstel in verlenging van de maximering van de (eenmalige) huurverhoging na woningverbetering, waaronder verduurzaming.

Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel erin dat de maximering van de jaarlijkse huurprijsverhogingen op huurovereenkomsten voor ligplaatsen voor woonboten weer van toepassing is. Bij de wijziging van de berekeningswijze van de maximale huurprijsverhogingen per 1 januari 2023 is per abuis de toepasselijkheid van die maximering op huurovereenkomsten voor ligplaatsen geschrapt. Dat wordt nu hersteld.

Tot slot wordt voorgesteld om de verjaringstermijn van jaarlijkse huurprijsverhogingen voor alle huurovereenkomsten die betrekking hebben op woonruimte te beperken tot één jaar. Op grond van artikel 3:308 van het Burgerlijk Wetboek kunnen verhuurders tot vijf jaar na de huurverhogingsdatum de (niet geïnde) huurverhoging nog opeisen. Dat leidt in de praktijk tot onwenselijke situaties. Dit wetsvoorstel beoogt ook daarvoor een oplossing te bieden.

Kamerstukken