Wetsvoorstel (17-02-2026) tot Wijziging van de Mijnbouwwet en enkele andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1787 over de vermindering van methaan­emissies in de energiesector (Uitvoeringswet methaanverordening)

—De verordening is in werking getreden op 4 augustus 2024 en wordt in fases uitgevoerd in Nederland door middel van wet- en regelgeving of feitelijk handelen. De verordening is van toepassing op het grondgebied van Nederland en binnen de EU. De verordening is ook van toepassing op methaanemissies die buiten de EU plaatsvinden bij de winning van ruwe olie, aardgas en steenkool die in de EU in de handel worden gebracht. Methaan is een krachtig broeikasgas, geschat wordt dat het voor een derde deel verantwoordelijk is voor de huidige opwarming van de aarde. De verordening ziet toe op het inzichtelijk maken van methaanemissies in de energiesector door middel van monitoring en rapportage van methaanemissies. De emissiereducties moeten behaald worden door de in de verordening voorgeschreven verplichtingen na te komen bij waargenomen lekkages en het beperken van afblazen en affakkelen van methaan. Daarnaast biedt de verordening de grondslag voor de Commissie om een maximale methaanintensiteitswaarde vast te stellen die dient te gaan gelden voor ruwe olie, aardgas en steenkool die in de EU in de handel worden gebracht. Dit moet leiden tot emissiereducties van methaan ook buiten de EU. De verordening richt zich op de fossiele energiesector. Dit is hiermee de eerste sector waarvoor specifiek Europees beleid wordt gevoerd op het reduceren van methaanemissies. In de afgelopen jaren is in Nederland al een forse afname van de methaanemissies in de energiesector gerealiseerd door middel van het afsluiten van convenanten met de energiesector en door het vastleggen van voorschriften in de vergunningen. De Minister van Klimaat en Groene Groei is verantwoordelijk voor de uitvoering van de verordening. Het wetsvoorstel beperkt zich tot het aanwijzen van toezichthoudende instanties, het toekennen van handhavingsbevoegdheden en het oplossen van tegenstrijdigheden tussen bestaande wetgeving en de methaanverordening. Voor de uitvoering worden meerdere bevoegde instanties aangewezen, namelijk de minister, Staatstoezicht op de mijnen (SodM), gedeputeerde staten en de Nederlandse emissieautoriteit (NEa). In geval deze instanties ook worden aangewezen als toezichthouder legt dit wetsvoorstel de benodigde bevoegdheden voor de genoemde toezichthouders wettelijk vast.

De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de voorgestelde bestuursrechtelijke bevoegdheid tot inbeslagname van economisch voordeel dat door het niet-naleven van bepaalde rapportage- en- monitoringsverplichtingen is verkregen, een voor het Nederlandse (bestuurs)recht nieuwe rechtsfiguur is en vraagt zich af hoe dat bestuurlijk bevel tot inbeslagname moet worden gekwalificeerd in het licht van artikel 6 EVRM en de (procedurele) waarborgen die daarbij in acht moeten worden genomen. In de memorie van toelichting is daarop toegevoegd dat het bestuurlijk bevel tot inbeslagname een sanctie is die wordt geïntroduceerd door de verordening en over de uitleg waarvan het HvJ EU gaat en kan worden aangemerkt als een herstelsanctie. Niet uitgesloten is echter dat de sanctie onder omstandigheden kan kwalificeren als een criminal charge. Daarom is het wetsvoorstel waar het gaat om de bevoegdheid tot toepassing van deze sanctie zekerheidshalve aangevuld met het van overeenkomstige toepassing verklaren van (procedurele) waarborgen die de Awb al kent voor de bestuurlijke boete. Daarnaast staat tegen deze sanctie voor zover die wordt gebaseerd op de Wet milieubeheer beroep in twee instanties mogelijk.

Ook wordt op verzoek van de Afdeling in de MvT ingegaan op de verhouding van deze sanctie tot het eigendomsrecht zoals beschermd door het EU-Handvest en het EP EVRM. Toegelicht is dat uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat confiscatiemaatregelen die betrekking hebben op de opbrengst van een strafbaar feit of een illegale activiteit in het algemeen onder de regeling van het gebruik van goederen vallen bedoeld in de tweede alinea van artikel 1 EP EVRM, ook al wordt een persoon door de aard van die maatregelen van zijn eigendom beroofd. Inbeslagname wordt aldus de MvT dus in het algemeen door het EHRM beschouwd als regulering van het gebruik van eigendom en niet als ontneming van eigendom. In brief nr. 5 meldt de minister dat de methaanverordening reeds in werking is getreden en dat het voorliggend wetsvoorstel zuivere implementatie betreft en nodig is voor een juiste uitvoering. Met de brief wordt het belang benadrukt van een snelle behandeling van het wetsvoorstel door de Kamer en wordt de Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de verordening.

Kamerstukken