Voorstel van Rijkswet (16-03-2016) tot Regeling van grondslagen voor zelfstandige algemene maatregelen van rijksbestuur die hun gelding dienen te behouden (Rijkswet delegatiegrondslagen artikel 38, tweede lid, Statuut voor het Koninkrijk)
—Dit wetsvoorstel creëert wettelijke grondslagen voor een aantal zelfstandige algemene maatregelen van rijksbestuur – ofwel: algemene maatregelen van rijksbestuur die niet op een wettelijke grondslag berusten – die hun gelding dienen te behouden na de wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden die de mogelijkheden inperkt voor het uitvaardigen van een algemene maatregel van rijksbestuur (AMvRB) zonder wettelijke grondslag. Dit is een voorstel van technische aard en bevat geen nieuw beleid. Het dient er enkel toe om ook na de wijziging van het Statuut een aantal consensus-AMvRB’s in hun huidige vorm in stand te houden.
Op 1 januari 2024 is de Rijkswet tot wijziging van de artikelen 14 en 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in werking getreden (Stb. 2023, 407). Hierdoor wordt de mogelijkheid om een AMvRB zonder wettelijke grondslag uit te vaardigen sterk beperkt. Met deze Statuutswijziging is beoogd het parlement een grotere invloed te geven op de totstandkoming van AMvRB’s. Inhoudelijk strekt deze wijziging ertoe dat, een uitzondering daargelaten, het vaststellen van een AMvRB enkel nog mogelijk is indien de wetgever hiervoor expliciet toestemming heeft gegeven. Wel regelt de Statuutwijziging dat in buitengewone gevallen van dringende aard een AMvRB kan worden uitgevaardigd die niet op een rijkswet berust. Een dergelijke AMvRB heeft een werkingsduur van ten hoogste twee jaar. Na twee jaar vervalt een dergelijke AMvRB van rechtswege. Reeds bestaande AMvRB’s, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Statuutswijziging niet berusten op een wettelijke grondslag, blijven volgens de overgangsbepalingen uit de statuutswijziging van kracht voor de duur van ten hoogste vier jaren na de inwerkingtreding van de Statuutswijziging. Daarna komen zij van rechswege te vervallen. Om te voorkomen dat er AMvRB’s vervallen waarvan dat niet wenselijk wordt geacht, is er een inventarisatie gemaakt welke (artikelen van) AMvRB’s thans nog gelden. Het gaat om de volgende AMvRB’s:
- Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten;
- Rijksbesluit rechtsopvolging burgerlijke rechten en verplichtingen Nederlandse Antillen;
- Rijksbesluit overname geldleningen Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten;
- Besluit Rode Kruis 1988;
- Besluit vrijwilligersmedaille openbare orde en veiligheid;
- Rijksbesluit financiering parket van de procureur-generaal;
- Rijksbesluit opvolging SVB Nederlandse Antillen;
- Schepenbesluit 2004;
- Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
- Besluit kentekenen Nederlands oorlogsvaartuig.
Van al deze AMvRB’s is het om uiteenlopende redenen onwenselijk als zij hun gelding verliezen. Zij zijn te verdelen in twee categorieën: ‘gewone’ AMvRB’s en consensus-AMvRB’s.
Het onderhavige voorstel voor een consensusrijkswet strekt enkel tot het creëren van een wettelijke grondslag voor de zeven consensus-AMvRB’s en de consensus-bepalingen uit het Schepenbesluit 2004. Voor het creëren van een wettelijke grondslag voor de twee ‘gewone’ AMvRB’s (de nrs. 9 en 10) volgen nog aparte voorstellen van rijkswet.
Kamerstukken
R2218