Wetsvoorstel (18-02-2026) tot wijziging van de Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid
—De nieuwe Richtlijn (EU) 2024/2853 inzake productaansprakelijkheid vormt het fundament voor het wetsvoorstel waarmee Nederland zijn nationale rechtelijke regeling moderniseert. De richtlijn vervangt de verouderde richtlijn uit 1985, die niet langer geschikt was voor een samenleving waarin digitale technologie, software, AI‑systemen en online distributieketens centraal staan. Door de snelle technologische ontwikkelingen ontstonden hiaten en onzekerheden in de toepassing van de oude regels. De nieuwe richtlijn heeft daarom als doel de consumentenbescherming te versterken, de rechtszekerheid voor bedrijven te vergroten en een gelijk speelveld binnen de Europese interne markt te waarborgen. Daarnaast zorgt zij voor meer samenhang tussen aansprakelijkheidsrecht en productveiligheidswetgeving.
Het wetsvoorstel dat de richtlijn in Nederland omzet, introduceert ingrijpende wijzigingen in Boek 6 en 7 BW en de Overgangswet nieuw BW.
Productbegrip
Een van de belangrijkste veranderingen is de aanzienlijke uitbreiding van het productbegrip. Waar voorheen alleen fysieke producten vielen onder het aansprakelijkheidsregime, omvat het nieuwe kader nu ook software, firmware, AI‑systemen, digitale fabricagedossiers (zoals 3D‑printfiles), elektriciteit en grondstoffen zoals gas en water. Ook digitale diensten die noodzakelijk zijn voor het functioneren van een product – zogenaamde bijbehorende diensten – worden als onderdeel van het product beschouwd. Daarmee sluit het recht beter aan op moderne producten die vaak afhankelijk zijn van software‑updates, cloudfuncties of sensorgebaseerde diensten.
Schade
Het schadebegrip wordt eveneens gemoderniseerd. Naast lichamelijk en geestelijk letsel en zaakschade ontstaat nu ook het recht op vergoeding van vernietiging of corruptie van privé‑digitale gegevens, zoals foto’s of documenten. Een belangrijke verandering hierbij is dat de eerdere franchise van € 500 voor zaakschade wordt afgeschaft, waardoor ook kleine schades onder de regeling vallen en benadeelden voortaan aanspraak kunnen maken op volledige compensatie. Omdat moderne distributieketens internationaal complex zijn, breidt de richtlijn de kring van aansprakelijke marktdeelnemers fors uit. Naast fabrikanten kunnen ook importeurs, gemachtigden, fulfilmentdienstverleners, distributeurs en – onder voorwaarden – onlineplatforms aansprakelijk worden gesteld voor schade door een gebrekkig product. Dit voorkomt dat consumenten geen aanspreekpunt hebben wanneer een fabrikant buiten de EU is gevestigd. Bovendien kunnen personen of bedrijven die een product ingrijpend wijzigen, zoals sommige revisie‑ of refurbishbedrijven, eveneens als fabrikant worden aangemerkt wanneer hun wijziging nieuwe veiligheidsrisico’s creëert. Gewone reparateurs blijven buiten de aansprakelijkheid zolang hun ingrepen niet leiden tot een ingrijpende wijziging van het product.
Bewijspositie benadeelde
De richtlijn besteedt veel aandacht aan het versterken van de bewijspositie van de benadeelde. Vaak beschikt alleen de fabrikant over informatie over de constructie, werking en analyse van het product, waardoor het voor consumenten moeilijk is om te bewijzen dat een product gebrekkig is. Om die ongelijkheid te verminderen, introduceert de richtlijn een recht op toegang tot relevant bewijsmateriaal, mits dit noodzakelijk en evenredig is en met bescherming van vertrouwelijke informatie. Daarnaast gelden weerlegbare bewijsvermoedens wanneer een product kennelijk disfunctioneert, wanneer het niet voldoet aan wettelijke veiligheidsvoorschriften of wanneer de fabrikant geen informatie verstrekt. In technisch complexe zaken – bijvoorbeeld bij AI‑systemen of medische hulpmiddelen – kan de rechter zelfs vermoedens toepassen wanneer de benadeelde onevenredige bewijsproblemen ondervindt. Dit alles zorgt voor een verlichte, maar geen omgekeerde bewijslast.
Verjaring en verval
Ook de verjarings‑ en vervaltermijnen worden geactualiseerd. De verjaringstermijn blijft drie jaar vanaf het moment waarop de benadeelde kennis krijgt van de schade, het gebrek en de aansprakelijke partij. De vervaltermijn blijft in beginsel tien jaar, maar wordt verlengd naar vijfentwintig jaar wanneer sprake is van latent lichamelijk letsel dat pas veel later aan het licht komt, bijvoorbeeld bij bepaalde medische producten. Hierdoor wordt recht gedaan aan situaties waarin schade pas na lange tijd zichtbaar wordt.
Implementatie
Nederland neemt uitsluitend bepalingen over die rechtstreeks uit de richtlijn voortvloeien en voegt geen nationale aanvullingen toe. Daardoor zijn suggesties uit de consultatiefase – zoals het aanpassen van de kanalisatiebepaling in consumentenkoop, het invoeren van strengere regels tegen dropshipping of extra bescherming bij refurbished producten – niet overgenomen, omdat de richtlijn volledige harmonisatie voorschrijft. Het wetsvoorstel brengt daarom alleen wijzigingen aan die strikt noodzakelijk zijn om de Europese regels correct toe te passen.
De nieuwe regeling geldt uitsluitend voor producten die vanaf 9 december 2026 op de markt worden gebracht of in gebruik worden gesteld. Voor producten die eerder in omloop zijn gebracht, blijft de oude regeling van toepassing. Tot slot verplicht de richtlijn lidstaten om relevante rechterlijke uitspraken openbaar te publiceren om zo een consistente en transparante Europese rechtspraktijk te bevorderen. Daarmee vormt de richtlijn een belangrijke stap richting een toekomstbestendig stelsel van productaansprakelijkheid dat recht doet aan zowel de digitale economie als de circulaire samenleving.