Wetsvoorstel (24-03-2026) tot Wijziging van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering)
—Dit wetsvoorstel is de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering bestaat uit acht inhoudelijke boeken. In de eerste vaststellingswet is de inhoud van de nieuwe Boeken 1 tot en met 6 opgenomen en is ruimte voor de nieuwe Boeken 7 en 8 gereserveerd (Stb. 2026, 56). De tweede vaststellingswet omvat de inhoud van de nieuwe Boeken 7 en 8 (Stb. 2026. 57). Deze eerste aanvullingswet strekt ertoe noodzakelijke wijzigingen en aanvullingen aan te brengen in de teksten van de twee vaststellingswetten. Daarmee gaan ook enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafrecht en van de Gratiewet gepaard.
In deze eerste aanvullingswet is een achttal relatief grotere onderwerpen opgenomen:
1. Regeling van procesafspraken
Hiermee wordt invulling gegeven aan het voornemen om een wettelijke regeling te treffen voor het maken van procesafspraken in strafzaken. Procesafspraken zijn afspraken tussen de officier van justitie en de verdachte over het verloop van de strafprocedure of de wijze van afdoening van een strafzaak. Het komt steeds vaker voor dat in een strafzaak hierover afspraken worden gemaakt. Een wettelijke regeling ontbreekt evenwel tot op heden. Naar aanleiding van de veronderstelling van de Afdeling advisering dat hiermee concessies worden gedaan aan de waarheidsvinding en de rechtsbescherming om tot een snelle en efficiënte afdoening te komen, wordt door het kabinet opgemerkt dat de aanpassing van de regeling van buitengerechtelijke afdoening en de introductie van een regeling van procesafspraken een bredere doelstelling hebben dan alleen het bijdragen aan de stroomlijning van procedures en het terugdringen van doorlooptijden. Zo wordt daarmee ook een logisch ingedeelde en inzichtelijke regeling nagestreefd waarin per afdoeningsvorm de toepassingsvoorwaarden en de procespositie van de verschillende actoren duidelijk worden vastgelegd.
2. Regeling van strafvorderlijke gegevensverwerking
Hiermee wordt een aantal bepalingen uit het huidige Wetboek van Strafvordering die zien op gegevensverwerking alsnog omgezet naar het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Ook wordt met dit onderdeel een belangrijk begin gemaakt met de nadere regeling van de strafvorderlijke gegevensverwerking en met de codificatie van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU over gegevensbescherming. De Afdeling advisering benadrukt het grote belang dat is gemoeid met een integrale doordenking van de strafvorderlijke gegevensbescherming die zich niet alleen zou moeten richten op individuele bevoegdheden en gegevens, maar juist moet zien op het hele scala van opsporingsbevoegdheden, de gegevens die daarmee worden verzameld en de wijze waarop die gegevens vervolgens worden gebruikt door het hele strafproces. Kritisch zou moeten worden bezien of de noodzaak bestaat tot het verzamelen van grote hoeveelheden gegevens en wanneer die gegevens weer kunnen en moeten worden vernietigd. De Afdeling wijst erop dat het nodig is om verschillende mogelijkheden te doordenken voor aanpassing van het stelsel om te komen tot een constitutioneel verantwoorde en uitvoerbare regeling. Aan dit advies van de Afdeling is opvolging gegeven door in de paragraaf over de strafvorderlijke gegevensverwerking in het algemeen deel van de memorie van toelichting in te gaan op de redenen voor de stapsgewijze aanpak van de nadere regeling van de strafvorderlijke gegevensverwerking. Deze nadere regeling is geen onderdeel van het wetgevingsprogramma voor het nieuwe wetboek. Zij moet haar vorm krijgen in samenhang met de herziening van de Wet politiegegevens en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, van welke herziening de regering heeft moeten afzien maar die onverminderd noodzakelijk is. Het ligt in de rede dat deze herziening opnieuw wordt overwogen, waarbij nadrukkelijk rekening moet worden gehouden met de tijdige en verantwoorde invoering van het nieuwe wetboek.
3. Aanpassing regeling van bevoegdheden met betrekking tot het lichaam
Hiermee worden verschillende wijzigingen aangebracht in de in Boek 2, Hoofdstuk 6, opgenomen bepalingen die zien op bevoegdheden met betrekking tot het lichaam. Deze wijzigingen laten zich grofweg in drie categorieën verdelen. Allereerst worden verschillende wijzigingen voorgesteld die tot doel hebben om deze bepalingen flexibeler te maken en zo een beter evenwicht te bereiken tussen rechtszekerheid en toekomstbestendigheid. In de tweede plaats wordt een regeling geïntroduceerd voor het verrichten van lichaamsonderzoek bij bewusteloze personen. En ten derde worden enkele wijzigingen van technische of verduidelijkende aard aangebracht.
4. Aanpassing regeling van de buitengerechtelijke afdoening
De wijzigingen betreffen de strafbeschikking, de transactie en de ontnemingsschikking. Over deze onderwerpen is in 2021 een conceptwetsvoorstel in consultatie gegeven tot wijziging van de regeling van de buitengerechtelijke afdoening in het huidige Wetboek van Strafvordering in verband met de evaluatie van de Wet OM-afdoening. In de eerste vaststellingswet is de huidige regeling van het uitvaardigen van strafbeschikkingen inhoudelijk ongewijzigd overgenomen en alleen aangepast aan de wetstechnische uitgangspunten van het nieuwe wetboek. Daarnaast is Boek 3, Titel 4.2, in de eerste vaststellingswet gereserveerd voor de regeling van de transactie. Die titel is bestemd voor de bevoegdheid van de officier van justitie om in bepaalde gevallen een zaak met een transactie af te doen, alsmede voor de rechterlijke toetsing van hoge transacties, langs de lijnen van het eerder genoemde conceptwetsvoorstel. Zoals aangekondigd in de achtste voortgangsrapportage over dit wetgevingsprogramma wordt deze titel via deze eerste aanvullingswet ingevuld. In deze aanvullingswet is eveneens langs de lijnen van het genoemde conceptwetsvoorstel een regeling opgenomen die mogelijk maakt dat straffen in een strafbeschikking ook voorwaardelijk kunnen worden opgelegd (voorwaardelijke strafbeschikking) met een omzettingsprocedure voor het geval de voorwaarden worden overtreden of – bij onvoorwaardelijk in de strafbeschikking opgelegde straffen – de straf niet of niet volledig wordt uitgevoerd. Alles bij elkaar is het resultaat dat de inhoud van het eerdere conceptwetsvoorstel via deze eerste aanvullingswet in aangepaste vorm wordt overgeheveld naar het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
5. Aanpassing deskundigenregeling
Hiermee wordt de deskundigenregeling in Boek 1, Hoofdstuk 7, en Boek 2, Hoofstuk 4, en Titel 10.4, gewijzigd. In de eerste vaststellingswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is consequent het uitgangspunt doorgevoerd dat de officier van justitie alleen deskundigen kan benoemen die in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen zijn geregistreerd en dat alleen de rechter-commissaris niet-geregistreerde deskundigen kan benoemen. De politie en het openbaar ministerie hebben erop gewezen dat dit wat betreft het DNA-onderzoek niet aansluit bij het huidige wetboek en in de uitvoeringspraktijk grote gevolgen kan hebben. Dat is de aanleiding geweest om de deskundigenregeling in het kader van dit wetsvoorstel nogmaals tegen het licht te houden. Daarbij is gebleken is dat de deskundigenregeling niet alleen op dit punt maar ook op verschillende andere punten kan worden verbeterd. Een van die punten betreft een verduidelijking van de typen onderzoek die in de wettelijke regeling niet als deskundigenonderzoek worden aangemerkt.
6. Regeling van strafvordering op zee en in de lucht
De in dit wetsvoorstel opgenomen regeling van Boek 6, Hoofdstuk 3, vervangt, samen met het ingevoegde artikel 1.1.4a en de wijzigingen in de artikelen 1.2.26, 1.3.11 en 1.3.12, de huidige regeling in het Vierde Boek, Titel VIb Strafvordering buiten het gebied van een rechtbank (huidige artikelen 539a tot en met 539w). De bepalingen in dit hoofdstuk betreffen in essentie de regeling van de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden aan boord van vaartuigen op zee – waaronder de territoriale zee, de zeehavens en de binnenwateren die daar naartoe leiden – en aan boord van luchtvaartuigen. Zij voorzien in een regeling voor strafvorderlijk optreden door opsporingsambtenaren (aan en buiten boord) en door de commandant van een Nederlands oorlogsschip, de kapitein van een Nederlands (zeevissers-)schip en de gezagvoerder van een Nederlands luchtvaartuig (aan boord). De sterk verouderde artikelen uit het huidige wetboek zijn gemoderniseerd en gestroomlijnd met de gewone regels voor strafvordering. Voor deze regeling was in de eerste vaststellingswet al een plaats in Boek 6 (Bijzondere regelingen) gereserveerd (namelijk Hoofdstuk 3) dat met dit onderdeel van het wetsvoorstel inhoudelijk wordt ingevuld.
7. Aanpassing regeling (bijzondere) voorwaarden en het toezicht daarop
Hiermee worden diverse regelingen met betrekking tot (bijzondere) voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan gewijzigd. Hiermee wordt gedoeld op (toezicht op de naleving van) voorwaarden in brede zin, dus de (bijzondere) voorwaarden of vrijheidsbeperkende maatregelen die kunnen worden gesteld of van rechtswege gelden in de verschillende fasen van het strafproces. De regelingen waarbij (bijzondere) voorwaarden een rol kunnen spelen, hebben in het huidige wetboek min of meer verschillende kaders en formuleringen. Dit komt de duidelijkheid en uitvoerbaarheid van de regeling niet ten goede. Beoogd wordt om in de hierboven genoemde regelingen van voorwaarden en het toezicht daarop meer eenheid aan te brengen. Dit onderdeel van de eerste aanvullingswet wijzigt daarom naast artikelen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, ook enkele artikelen in het Wetboek van Strafrecht en de Gratiewet.
8. Aanpassing regeling van het vernietigen van gegevens
De vernietiging van ontoegankelijk gemaakte gegevens is in het huidige recht geregeld in het Wetboek van Strafvordering. In dit wetsvoorstel is deze keuze heroverwogen en wordt het vernietigen van ontoegankelijk gemaakte gegevens als strafrechtelijke maatregel in het Wetboek van Strafrecht opgenomen. Dit voorstel brengt geen inhoudelijke verandering in de voorwaarden voor vernietiging van ontoegankelijk gemaakte gegevens. De vormgeving van de vernietiging van ontoegankelijk gemaakte gegevens als een strafrechtelijke maatregel heeft ook als beoogd en wenselijk gevolg dat de strafvorderlijke regels die betrekking hebben op de onttrekking aan het verkeer van voorwerpen en de vernietiging van gegevens (vooral de regels over het beklag dat belanghebbenden daarover kunnen doen) in het nieuwe Wetboek van Strafvordering in samenhang kunnen worden vereenvoudigd. Inhoudelijk nieuw is dat vernietiging van ontoegankelijk gemaakte gegevens ook mogelijk wordt bij het uitvaardigen van een strafbeschikking. Het is niet goed te rechtvaardigen waarom de onttrekking aan het verkeer van voorwerpen wel bij strafbeschikking mogelijk is, maar het vernietigen van gegevens niet.
Kleinere onderwerpen
Naast deze acht relatief grotere onderwerpen bevat deze eerste aanvullingswet ook een viertal kleinere:
1. Aanpassing strafvorderlijk legaliteitsbeginsel in verband met de doorwerking van het internationaal recht
Dit betreft het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel. In lijn met de gedachte om in het nieuwe wetboek de verhouding tussen verdragen en EU-regelgeving en het nationale wetboek te optimaliseren wordt voorgesteld om in artikel 1.1.1 de verhouding tussen de nationale wet en internationale en EU-regelgeving beter tot uitdrukking te brengen door een verwijzing naar hoger recht op te nemen.
2. Aanpassing regeling over het bewaren van sporendragers
Sporendragers dienen in bepaalde gevallen langer bewaard te blijven omdat zij soms van doorslaggevende betekenis kunnen zijn, ook nadat een strafzaak onherroepelijk is afgedaan of een vervolging is gestaakt. In het belang van de waarheidsvinding is erin voorzien dat het beslag op sporendragers wordt voortgezet zodat deze sporendragers beschikbaar blijven voor later strafrechtelijk (forensisch) onderzoek.
3. Regeling van heimelijke bevoegdheid tot het inloggen met rechtmatig verkregen gegevens op een elders aanwezig geautomatiseerd werk
Het betreft de nieuwe heimelijke bevoegdheid van de officier van justitie voor het inloggen met rechtmatig verkregen gegevens. Het creëert een specifieke wettelijke grondslag voor een opsporingsmethode die nu al in de rechtspraktijk toepassing vindt op grond van andere – daarop minder toegesneden – bepalingen in het huidige Wetboek van Strafvordering.
4. Regeling van het verstrekken van niet-strafbare gegevens na inbeslagneming
Een beslagene kan er een groot belang bij hebben om weer de beschikking te hebben over (een deel van) de gegevens die zich op in beslag genomen voorwerpen bevinden. Duidelijk wordt gemaakt dat verzocht mag worden om de verstrekking van gegevens die zijn opgeslagen in, dan wel aanwezig zijn op een inbeslaggenomen gegevensdrager of een inbeslaggenomen geautomatiseerd werk.
Bij brief nr. 5 in dit dossier een wordt een geconsolideerde versie toegestuurd waarin de wijzigingsvoorstellen uit deze eerste aanvullingswet in het groen weergegeven in de zwart gekleurde teksten van de reeds gepubliceerde vaststellingswetten van het nieuwe wetboek (Stb. 2026, 56 en Stb. 2026, 57).