Wetsvoorstel (10-12-2025) tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgevers
—Dit wetsvoorstel beoogt een wijziging van Boek 7 BW om de compensatieregeling voor transitievergoedingen bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid te beperken tot kleine werkgevers. De regeling werd in 2020 ingevoerd om werkgevers te compenseren voor de kosten van een transitievergoeding na twee jaar loondoorbetaling bij ziekte. Het kabinet wil deze compensatiemogelijkheid nu beperken omdat middelgrote en grote werkgevers geacht worden financieel draagkrachtig genoeg te zijn om deze kosten zelf te dragen. Voor kleine werkgevers blijft compensatie noodzakelijk, aangezien deze groep doorgaans minder financiële middelen heeft. De maatregel draagt bij aan houdbare overheidsfinanciën en levert een structurele besparing van circa € 380 miljoen op. De definitie van een kleine werkgever sluit aan bij de Wet financiering sociale verzekeringen. Een kleine werkgever heeft een loonsom van maximaal 25 keer het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per jaar, wat neerkomt op ongeveer € 990.000. Startende werkgevers worden in de eerste twee jaar automatisch als klein aangemerkt. Het peilmoment voor de beoordeling is de dag na het verstrijken van het opzegverbod van twee jaar ziekte. Deze definitie wordt ook toegepast bij compensatie bij bedrijfsbeëindiging om eenduidigheid en uitvoerbaarheid te waarborgen. Het wetsvoorstel erkent dat het risico op slapende dienstverbanden kan toenemen, omdat middelgrote en grote werkgevers geen compensatie meer ontvangen en mogelijk het dienstverband niet beëindigen om kosten te vermijden. Werknemers behouden wel recht op een transitievergoeding, maar de praktijk kan ertoe leiden dat zij deze niet ontvangen. De Hoge Raad heeft in het Xella-arrest (ECLI:NL:HR:2022:1575) bepaald dat werkgevers in beginsel moeten meewerken aan beëindiging van slapende dienstverbanden, maar deze norm kan door de wetswijziging onder druk komen te staan. De gevolgen voor de arbeidsmarkt zijn naar verwachting beperkt, al kunnen vaste contracten relatief duurder worden. Mogelijke waterbedeffecten naar schijnzelfstandigheid worden beperkt door handhaving. Voor werkgevers ontstaan eenmalige kennisnamekosten van circa € 2,7 miljoen, terwijl de administratieve lasten minimaal zijn. UWV blijft de uitvoeringsinstantie en acht de regeling uitvoerbaar per 1 juli 2026. Er is overgangsrecht voorzien om lopende gevallen onder het oude recht te laten vallen. Fraude wordt bestraft met terugvordering en aangifte. De rechtspraak verwacht een lichte toename in werklast door meer procedures over transitievergoedingen.