Wetsvoorstel (20-03-2026) met Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen)
—Als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, wordt een verplichte verzekering tegen het risico op inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen geïntroduceerd. Dit is wenselijk, omdat zo wordt gewaarborgd dat zelfstandigen ook in een adequaat inkomen worden voorzien als er daadwerkelijk sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor zelfstandigen voor wie de private markt op dit moment niet toegankelijk is. Daarnaast worden werkenden zo gelijker behandeld: waar voor werknemers de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geldt, geldt voor zelfstandigen deze verzekeringsplicht. Dat zorgt voor een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen. Daardoor wordt de aard van het werk meer leidend voor de vorm waarin dit werk wordt gedaan, in plaats van institutionele verschillen. Het gelijker speelveld wordt met deze verplichtstelling ook tussen zelfstandigen onderling bewerkstelligd. Ten slotte is deze verplichtstelling van belang omdat hiermee voor een groot gedeelte wordt voorkomen dat arbeidsongeschikte zelfstandigen een beroep doen op de algemeen beschikbare bijstand. Daarmee wordt afwentelen van risico’s en kosten op de samenleving verminderd.
Invulling en uitvoering
De invulling en uitvoering van deze verzekering is duaal. Van rechtswege is de zelfstandige publiek verzekerd. Indien de zelfstandige een andere verzekeringsbehoefte heeft, kan onder de in dit wetsvoorstel gestelde minimale voorwaarden de verzekeringsplicht privaat worden ingevuld.
De verzekering kent niet alleen een inkomensondersteunend karakter. Tevens wordt beoogd om zelfstandigen te ondersteunen in het hervatten van het (eigen) werk, door het bieden van re-integratieondersteuning, voorzieningen en het – in de uitkeringsfase – opleggen van reintegratieverplichtingen. De randvoorwaarde is op punten anders vormgegeven dan in de Wet WIA (waar het als beleidsdoelstelling is vormgegeven), omdat onder andere de verhouding (voormalig) werkgever – werknemer niet bij de zelfstandige aanwezig is.
Het beoogde duale stelsel zorgt er voor dat geborgd is dat alle zelfstandigen verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheidsrisico’s maar biedt keuzemogelijkheden aan zelfstandigen. Zelfstandigen hebben de keuze of zij gebruik maken van de publieke verzekering, of dat zij kiezen voor een private verzekering. Voor de private verzekering geldt daarbij geen acceptatieplicht, voor de publieke verzekering wel.
Kring van verzekerden
Dit voorstel kent als beoogde kring van verzekerden alle natuurlijke personen die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt en die als ondernemer winst uit onderneming genieten in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001. Dat betekent dat deze personen verzekerd zijn voor de publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering, zonder dat zij daarvoor zelf actie ondernemen. Als zij gebruik willen maken van de opt-out, zullen zij zelf actief een keuze moeten maken voor een private verzekering. Ook de ondernemer wiens belastbare winst uit onderneming negatief of nihil is, is verzekerd. Zijn premiegrondslag is echter nihil. Daarmee hoeft de zelfstandige ook geen premie te betalen.
Er zijn uitzonderingen op de verzekeringsplicht voor o.a. meewerkend partners, resultaatgenieters, DGA’s en gemoedsbezwaarden.
Premie
De maximale premiegrondslag is – gelijk aan de maximale uitkeringsgrondslag – 142,86% van het wettelijk minimumloon. Als het bedrag dat de zelfstandige aan winst uit onderneming heeft, minder is dan dat bedrag, betaalt diegene een lager bedrag aan premie. Als de zelfstandige een hoger bedrag aan winst uit onderneming heeft dan dat bedrag, betaalt diegene premie over het maximum van 142,86% van het wettelijk minimumloon.
Ziekmelding en uitkering
De verzekerde zelfstandige kan aanspraak maken op een uitkering wanneer diegene arbeidsongeschikt is en de wachttijd van 104 weken heeft doorlopen. Dat betekent dat de zelfstandige de eerste twee ziektejaren zelf financieel moet overbruggen. Indien de verzekerde wegens ziekte de eigen arbeid niet (volledig) meer kan verrichten, moet diegene dit melden bij UWV. De verzekerde zal door UWV worden verzocht om medische) informatie aan te leveren. Het arbeidsongeschiktheidscriterium in dit wetsvoorstel wijkt af van het criterium dat in andere arbeidsongeschiktheidswetten wordt gehanteerd, in het bijzonder de Wet WIA. In de Wet WIA geldt een relatief arbeidsongeschiktheidscriterium: iemands procentuele verlies aan verdiencapaciteit is leidend. De mate van bescherming die dit wetsvoorstel biedt is globaal maximaal het wettelijk minimumloon. De koppeling tussen het oude inkomen en de hoogte van de uitkering is hierdoor – vergeleken met de Wet WIA – beperkt.
Advies Afdeling advisering
De Afdeling advisering van de Raad van State voorziet uitvoeringsproblemen. De beoogde doelen van inkomenszekerheid en een gelijker speelveld voor alle werkenden worden bovendien slechts ten dele bereikt. De combinatie van een relatief lage uitkering, namelijk maximaal het wettelijk minimumloon, en een wachttijd van twee jaar maakt dat de BAZ maar in beperkte mate leidt tot een adequate inkomensvoorziening voor zelfstandigen. De wachttijd zorgt bovendien voor een complexe samenloop met andere algemene voorzieningen.