Wet van 10-12-2025, Stb. 2026, 10

Wet van 10 december 2025, houdende regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte)

—De warmtevoorziening van de gebouwde omgeving is met 37% het grootste aandeel in het totale nationale energieverbruik. Gegeven het doel van klimaatneutraliteit in 2050, vormt dit een grote maatschappelijke uitdaging. Het vergt aanpassing van ruim 7,5 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen, veelal matig geïsoleerd en vrijwel allemaal nog verwarmd met behulp van aardgas. De wet kent de volgende doelen:

  • Vergroten van publieke sturing op (realisatie en exploitatie van collectieve warmte, daar waar dat de gewenste verduurzamingsstrategie is voor de gebouwde omgeving.
  • Ontwikkelen van collectieve warmte die geen broeikasgassen meer uitstoot in 2050.
  • Aanscherping van de consumentenbescherming en betere borging van de leveringszekerheid van collectieve warmte.
  • Introduceren van transparante en kostengebaseerde tariefregulering voor de gebonden verbruikers van collectieve warmte.

Deze belangen kunnen met elkaar op gespannen voet staan. Zo kan bijvoorbeeld een hoge ambitie voor een betrouwbare warmtevoorziening ten koste gaan van de betaalbaarheid. Het inzetten van andere, duurzamere warmtebronnen kan mogelijk een risico betekenen voor de leveringszekerheid, terwijl te veel nadruk op lage tarieven wellicht de aantrekkelijkheid van investeren in duurzame warmtesystemen doet afnemen. Met deze wet is getracht hierin een goede balans aan te brengen. Zo komen op te richten warmtebedrijven voor meer dan 50% in handen van overheden, zoals gemeenten of provincies. Op deze manier hebben zij de eindverantwoordelijkheid bij het bepalen van het beleid van het warmtebedrijf en de warmtenetten. De Minister moet instemmen met een wijziging in de doorslaggevende zeggenschap in een aangewezen warmtebedrijf. Colleges van B&W stellen warmtekavels vast die kunnen worden toegewezen aan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeenschap. Wanneer de aandelen in een warmtebedrijf berusten bij één of meer rechtspersonen of bij een rechtspersoon die een volledige dochtermaatschappij is van één of meer rechtspersonen dienen de aandelen voor meer dan 50% gehouden te worden door een openbaar lichaam. Er zijn waarborgen ingebouwd om de private minderheidsaandeelhouder te beschermen. Het ligt voor de hand ligt dat nieuwe publieke warmtebedrijven op regionale of provinciale schaal zullen ontstaan. Door het aanwijzen van warmtebedrijven met een efficiënte schaal kunnen kosten worden beperkt. Ook kan een regionaal warmtebedrijf vanuit gemeentegrensoverschrijdend perspectief naar de transitieopgave kijken en in samenwerking met de betrokken gemeenten komen tot keuzes die leiden tot een transitie tegen de laagste nationale kosten. Om te stimuleren dat er (op termijn) hoofdzakelijk regionale warmtebedrijven tot stand komen kan een staatsdeelneming alleen participeren in een regionaal warmtebedrijf dan wel een warmtebedrijf dat daar binnen een redelijke termijn naar toe groeit. Op dit moment is al een flink aantal gemeenten bezig met de op­­richting van een eigen warmtebedrijf, omdat zij bijvoorbeeld koploper zijn binnen hun regio. Eventuele deelname van een nationale deelneming in een lokaal warmtebedrijf is wel mogelijk mits deze binnen een redelijke termijn uitgroeit naar een regionaal warmtebedrijf. Het tarief van energie via warmte wordt gebaseerd op wat de aanleg en het onderhoud van een collectief warmte­systeem kost. Consumenten zijn hiermee niet meer afhankelijk van de fluctuerende gasprijs en ook wordt de betrouwbaarheid van het warmtesysteem verhoogd. Een specifiek gevolg van de op kosten gebaseerde tariefregulering is dat er verschillen in maximale tarieven kunnen ontstaan tussen warmtekavels. De minister krijgt daarom de bevoegdheid om bij de overgang naar de tariefregulering voor aangewezen warmtebedrijven en voor kleine collectieve warmtesystemen jaarlijks bij besluit tarieflimieten vast stellen als lokaal hoge efficiënte kosten leiden tot onaanvaardbaar hoge maximumleveringstarieven voor een groep kleinverbruikers ten opzichte van het gemiddelde van alle maximumleveringstarieven van alle kleinverbruikers. De wet kent specifieke regels voor kleine collectieve warmtesystemen, verhuurders, verenigingen van eigenaars en warmtetransportbeheerders.

Inwerkingtreding

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Kamerstukken