Wet van 25-02-2026, Stb. 2026, 57
Wet tot vaststelling van Boek 1, Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering)
—De eerste vaststellingswet Wetboek van Strafvordering (Stb. 2026, 56, Kamerstukken 36327) bevat de Boeken 1 tot en met 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Daarin zijn Boek 1, Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering gereserveerd. Deze onderdelen hebben betrekking op de tenuitvoerlegging (Boek 1, Hoofdstuk 10, en Boek 7) en op de internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking (Boek 8). Deze onderdelen van het nieuwe wetboek werden gereserveerd, omdat de daarin op te nemen regelingen recent zijn gemoderniseerd en ondergebracht in het huidige wetboek (huidig Boek 5 en Boek 6).
Met onderhavige wet worden deze regelingen omgezet naar de structuur en terminologie van het nieuwe wetboek. De wijzigingen in onderhavige wet zijn daarom voornamelijk technisch van aard. Omdat daarmee de resterende inhoud van het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt vastgesteld, wordt deze wet aangeduid als de tweede vaststellingswet.
Aanvullings- en invoeringswetgeving
Naast de eerste en tweede vaststellingswet bevat het wetgevingsproject van het nieuwe Wetboek van Strafvordering ook aanvullings- en invoeringswetgeving. Met een aanvullingswet kunnen de eerste en tweede vaststellingswet zo nodig worden gewijzigd of aangevuld. Zo is de eerste aanvullingswet van het nieuwe wetboek, met daarin diverse aanvullingen en verbeteringen in de vaststellingswetten, in mei 2024 in consultatie gegeven en heeft de Raad van State daar op 28 mei 2025 een advies over uitgebracht met kenmerk W16.25.00126/II. Een tweede aanvullingswet is voorzien. De invoeringswet van het nieuwe wetboek volgt later en corrigeert alle andere regelgeving in verband met het nieuwe wetboek. Daarbij gaat het onder andere om het corrigeren van verwijzingen naar het Wetboek van Strafvordering. Ook zal de invoeringswet het overgangsrecht bevatten.
Tenuitvoerlegging
Boek 1, Hoofdstuk 10 en Boek 7
In het huidige Wetboek van Strafvordering zijn de bepalingen over de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen opgenomen in Boek 6 (Tenuitvoerlegging) als gevolg van de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82; Kamerstukken 34086).
De bepalingen over de tenuitvoerlegging worden nu opgenomen in Boek 1, Hoofdstuk 10 en in Boek 7. In Hoofdstuk 10, Boek 1 staan de algemene uitgangspunten voor de tenuitvoerlegging die in het huidige wetboek zijn opgenomen in het eerste hoofdstuk van Boek 6. Deze en andere algemene uitgangspunten horen in Boek 1 omdat hier algemene bepalingen zijn opgenomen over de strafvordering in brede zin. De tenuitvoerlegging is een onderdeel daarvan. In Boek 7 worden vervolgens per straf of maatregel regels gegeven over de wijze van tenuitvoerlegging. Ook zijn in Boek 7 regels opgenomen over onder andere het houden van toezicht en over de rechtsbescherming in de fase van de tenuitvoerlegging.
De belangrijkste inhoudelijke wijzigingen zijn de volgende:
- verduidelijking van de taken en verantwoordelijkheden van de minister en van het openbaar ministerie in de tenuitvoerlegging;
- vormgeving van de rechterlijke procedures in de fase van de tenuitvoerlegging als raadkamerprocedures;
- de mogelijkheid van toezicht door een andere instelling of persoon dan de reclassering indien de aard van een voorwaarde of aanwijzing daartoe aanleiding geeft;
- nuancering van de hoorplicht bij rechterlijke procedures inzake terbeschikkingstelling en uniformering van die hoorplicht bij verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
- uitbreiding van de mogelijkheid tot beëindiging van een terbeschikkingstelling bij een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland met het oog op terugkeer naar het land van herkomst;
- stroomlijning van de regeling inzake het onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde;
- de mogelijkheid om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid tussentijds op te heffen, met bijbehorend rechtsmiddel;
- een afzonderlijk hoofdstuk voor alle regels over de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen die zijn opgelegd met toepassing van het jeugdstrafrecht;
- vereenvoudiging van de regeling inzake vervangende jeugddetentie bij de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige;
- vereenvoudiging van de regeling inzake terugplaatsing tijdens de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Boek 8
De internationale en Europese samenwerking in strafzaken (rechtshulp) is in Nederland geregeld in het Wetboek van Strafvordering en in andere wetgeving die betrekking heeft op specifieke onderwerpen, zoals de Uitleveringswet, de Overleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS), de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) en rechtshulpinstrumenten in relatie tot internationale tribunalen. Voor een groot deel is deze wetgeving ingegeven door internationale en Europese verdragen en regelgeving van de EU. In het Wetboek van Strafvordering zijn de rechtshulpbepalingen opgenomen die nauw samenhangen met reguliere onderdelen van het Wetboek van Strafvordering, zoals de regeling van de opsporingsbevoegdheden. In het huidige Wetboek van Strafvordering zijn de bepalingen over internationale en Europese samenwerking per 1 juli 2018 opgenomen in het Vijfde Boek als gevolg van de Wet herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken (Stb. 2017, 246; Kamerstukken 34493). In het huidige Vijfde Boek is een onderscheid gemaakt tussen de ‘klassieke rechtshulp’ die (veelal) op verdragen is gebaseerd, en de samenwerking binnen de EU die haar oorsprong vindt in EU-instrumenten. Aan dit onderscheid is in het nieuwe wetboek vastgehouden. Dat betekent dat – na een nieuw eerste hoofdstuk waarin enkele algemene bepalingen zijn opgenomen – eerst de hoofdstukken die betrekking hebben op de ‘klassieke rechtshulp’ volgen (hoofdstuk 2 t/m 4), en daarna de hoofdstukken waarmee uitvoering wordt gegeven aan EU-instrumenten (hoofdstuk 5 t/m 9).
De wijzigingen die worden doorgevoerd zien met name op wijzigingen die erop zijn gericht de bepalingen in Boek 8 te laten aansluiten bij de bepalingen in Boeken 1 tot en met 7, voor zover dat mogelijk is zonder af te doen aan verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of EU-instrumenten. Zo wordt de gebruikte terminologie in lijn gebracht met het nieuwe wetboek, waar nodig wordt aansluiting gezocht bij terminologie gebruikt in verdragen en EU-instrumenten.
In de tweede plaats is een aantal regelingen aangepast aan voorschriften die elders in het nieuwe wetboek zijn opgenomen, zoals de landelijke bevoegdheid van de officier van justitie. De landelijke bevoegdheid zal ook gelden voor het handelen van de officier van justitie in het kader van de internationale en Europese rechtshulp.
In de derde plaats wordt het optreden in het kader van de internationale rechtshulp van een explicietere normering voorzien. Dit draagt eraan bij dat het nieuwe wetboek het actuele recht weerspiegelt, dat procedures en rolverdelingen helder zijn en dat duidelijk is waar grenzen van het overheidsoptreden liggen.
Wat betreft de verhouding tot hoger recht geldt het volgende: de in de Hoofdstukken 2 tot en met 4 opgenomen voorschriften (klassieke rechtshulp) zijn ten opzichte van de toepasselijke verdragen aanvullend van aard. Zij maken, waar nodig, een goede (door)werking van de verdragsrechtelijke bepalingen in de nationale rechtsorde mogelijk. Maar als een verdrag een imperatieve regeling bevat die afwijkt van een nationaal voorschrift, gaat de regeling in het verdrag voor. Bij rechtshulpverzoeken die niet zijn gebaseerd op een verdrag, is het nationale wettelijke kader leidend. Voor de Hoofdstukken 5 t/m 9 die uitvoering geven aan Europese regelgeving geldt dat het recht van de Unierecht voorrang heeft boven de nationale wetgeving. Nationale bepalingen moeten richtlijnconform worden uitgelegd. Indien een richtlijn niet tijdig of onvolledig is geïmplementeerd kunnen richtlijnbepalingen die voldoende duidelijk, precies en onvoorwaardelijk zijn geformuleerd rechtstreekse werking hebben. Verordeningen werken rechtstreeks.
Transponeringstabellen
Aan het eind van de MvT zijn twee transponeringstabellen opgenomen die weergeven op welke huidige bepaling(en) iets is gebaseerd respectievelijk in welk artikel het huidige Vijfde Boek of Boek 6 is overgegaan.
Inwerkingtreding
Inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.